zwart is de geest : over het werk van javier marías (2)

door johan_velter

Het werk van Marías bezit zo’n hoge densiteit omdat het niet alleen de feiten beschrijft maar ook de mogelijkheden; omdat het verslag geeft van erbij behorende gedachten én de mogelijke commentaren op feiten en gedachten, van de waarschijnlijke ontknoping en de onwaarschijnlijkheid ervan, maar ook de ontkenning van de feiten, de gedachten, de commentaren en het einde waardoor alles van begin af aan weer opgebouwd kan worden. De wereld van Javier Marías bestaat uit woorden en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij een literair referentiekader heeft – zonder zich op te sluiten in een vals beeld.
De uitgever van Marías, Meulenhoff, schrijft op de binnenflap van diens laatste boek, ‘Zo begint het slechte’, dat er ‘een mysterieus sterfgeval’ is – dit is een leugen, het sterven is gekend – ; dat de ik-figuur en Beatriz minnaars worden – dit is een leugen: men kan maar van een minnaar spreken als de relatie een zekere duur gekend heeft, het boek vertelt van een eenmalige vrijpartij, er is dus slechts sprake van passanten; dat de ‘schokkende gebeurtenissen elkaar in hoog tempo’ opvolgen – dit is een leugen: het werk van Marías heeft het namelijk niet begrepen op schokkende gebeurtenissen zoals de uitgeefster dit bedoelt: wanneer hij ‘schokkende zaken’ beschrijft dan gebeurt dit juist op een niet-sensationele manier, dan worden de woorden op de dingen gelegd waardoor alles verzacht en verdoezeld wordt. Javier Marías is een mannelijk schrijver in de betekenis die er nu niet meer aan gegeven mag worden – zoals we ook niet meer mogen zeggen waar politiek voor zou moeten staan, dat er in de huidige wereld alleen nog maar plaats ingeruimd wordt voor de maffia en haar trawanten, dat cultuur en commercie niet met elkaar verward mogen worden, dat grootmoedigheid niet gelijk staat aan zwakte, dat intelligentie tot een andere categorie behoort dan de domheid.
Het is een paradox waar we niet wijzer van worden: in een tijd van zulke hoogstaande literatuur, leveren uitgevers broddelwerk af en toch vertalen ze belangrijke boeken en geven ze die uit, lichten media niet voor en lezers lezen niet – men moet de eindejaarslijsten bekijken om met de gruwel van de zogenaamde literaire recensenten geconfronteerd te worden: wat een papzakken.
De titel, ‘Zo begint het slechte’, is, zoals wel meer bij Marías, de grote kenner en liefhebber van de Engelse literatuur, een verwijzing naar William Shakespeare, deze keer het stuk ‘Hamlet’. In bedrijf III, toneel 4 wil de moeder van Hamlet, de koningin, haar zoon tot rede brengen. Polonius, de slechte raadgever, verstopt zich achter een wandtapijt, Hamlet zal hem in deze scène doodsteken wat de waanzin van Ophelia zal veroorzaken maar wat tegelijkertijd ook de heling van de tijd zal teweegbrengen. Hamlet verwijt zijn moeder geen waardige koningin te zijn: ze boeleert immers met de broer van haar gedode man: dit huwelijk overtreedt de morele wetten. Hamlet is dus de rechtzinnige, de moeder de verbreekster van de maatschappelijke orde. In deze scène komt de geest van de oude Hamlet op, de vermoorde koning, hij wordt gezien door de jonge Hamlet, niet door de koningin, zijn vrouw. De geest lijkt Hamlet aan te sporen de wraak uit te voeren en zich niet te laten afleiden door de wandaden van de koningin: het is de huidige koning die de koningsmoord heeft uitgevoerd. De jonge Hamlet bezweert zijn moeder niet langer het bed met haar schoonbroer te beslapen en een kuis leven te leiden – ook al is de sleur een monster toch is hij ook een engel: de gewoonte maakt deugdzaam. Dan rechtvaardigt hij de dood van Polonius: het was de wil van god; hij had de pech mij te ontmoeten, ik de pech dat ik hem moest ontmoeten. ‘I must be cruel only to be kind : / Thus bad begins and worse remains behind.’ De woorden kunnen we lezen en begrijpen maar de betekenis ontgaat ons vooralsnog.
Willy Courteaux vertaalde dit als: ‘Alleen uit liefde ben ik bars en wreed ; / Wat boos begon, leidt steeds naar groter leed.’ Bert Voeten: ‘Wreed moet ik zijn om goed te zijn. / Slecht is de aanvang, slechter nog wat komt.’ Beide vertalers herleiden het shakespeareaans genie tot een cliché – dat niet waar is. De gruweldaad van Hamlet (de moord maar ook de waanzin veinzen) is nodig om het goede te doen – de moord op de vader wreken en de morele en maatschappelijke orde herstellen. Het slechte begint zo, en zo kan het slechtere achter ons blijven. Men moet het slechte doen om het nog slechtere te voorkomen: het slechte doen, is dan een goede daad.
Hamlet wordt begrepen als het stuk van de wraak maar ook als het verhaal van een niet-handelende, melancholische zoon. Hamlet kan echter ook gelezen worden als de overgang van een moreel systeem waar de redeloze wraak gerechtvaardigd wordt door de eer naar een moreel systeem waar de wraak nog steeds toegelaten wordt maar nu bewezen moet worden. Het aarzelen van Hamlet is dan het verzamelen van bewijzen om de daad te kunnen uitvoeren. Hamlet is niet de vertegenwoordiger van de twijfel, het niet-handelen, het uitstel (hij is geen Oblomov), maar hij (en niet alleen Horatio) is een filosoof die calculeert om daarna te kunnen handelen. Hamlet begint op een wetenschappelijke, rationele manier te denken. Hij is geen wildeman. Hij leest Montaigne.
De morele begrippen worden bij Shakespeare aards: het argument is niet het Eergevoel, maar de verbreking van de menselijke orde. Hij wordt dan de bedachtzame, rationele, humane mens die zich kan bedwingen en niet langer redeloos wil handelen. Zoals steeds bij Shakespeare is ook dit Hamletkarakter niet eenduidig, er zijn resten van de oude moraal en beginvormen van de nieuwe. Dit alles geeft een explosief karakter.
In het stuk treden 2 Hamlets op: de oude, vermoorde, koning en de jonge prins. We kunnen de geest echter ook lezen als het geweten van de jonge Hamlet: de geest Hamlet en de lichamelijke Hamlet zijn dan 1 persoon. Het geweten, dat hier de oude moraal vertegenwoordigt, doet Hamlet handelen; het is de levende Hamlet die ‘aarzelt’ omdat hij in de nieuwe tijd leeft en op een andere manier dient te leven: het straffeloos handelen, zich enkel beroepend op zoiets als een Eergevoel, is te weinig en tegelijkertijd te groots (verwijzend naar een metafysica): de argumenten moeten uit het leven zelf gehaald worden. We lezen de overgang van een metafysisch naar een humanistisch model – en de wereldconflicten van vandaag vinden een spiegel op dit niveau (zo zijn we in het laatste decennium vier eeuwen achteruit geworpen – is de woede dan niet te verklaren?) : waar de moordenaars verwijzen naar een niet-aards bestaan, wenen de slachtoffers om het teloorgaan van het aardse leven en vinden geen troost in holle woorden. Het humanisme wordt belaagd op een moment dat het Westen zelf dit humanisme in vraag stelt en verlaat.
Het grootse van Shakespeare ligt voor een groot deel in het ‘monsterachtige’ van zijn denken en schrijven: we worden van de ene denkvorm naar de andere gekatapulteerd. We weten niet wat de schrijver bedoelt en zijn telkens weer gedwongen na te denken, een standpunt in te nemen en verbaasd te zijn over wat gebeurt. We moeten daarbij onszelf verlaten – onszelf, die zekerheid immers. Ditzelfde gebeurt ook in het werk van Javier Marías. Veel is duister en ook hier worden we in de hoek gedreven maar de muren wankelen en we tuimelen naar een lager niveau waar we ook al geen licht aanschouwen. En toch kan ook dit werk gelezen worden en kunnen we het een betekenis ontfutselen.

Advertenties