is getekend

door johan_velter

sfcdt_erik spinoy

Het was een merkwaardig openhartige Erik Spinoy op 16 december 2015 in het Poëziecentrum. Van de directeur had hij de opdracht gekregen verslag te doen waarom hij dichter was, verantwoording moest hij afleggen – van dat wat niet meer evident is, zeker niet voor liefhebbers van kapitalistisch-onmenselijke sporten. Helaas was er tijdnood waardoor er toch meer vragen bleven (stilte weliswaar op het einde van de voordracht) dan antwoorden gegeven werden.

De jeugdjaren zijn gekend. Leerling van Anton Van Wilderode, samen met Dirk van Bastelaere (later zou Tom Lanoye volgen en hij zou de autoritaire priester-dichter Mussolini noemen – en eerder was er Paul Snoek geweest). Erik Spinoy bevestigt het beeld dat Lanoye geschetst heeft: een man die te veel foute vrienden had, die te lang in de collaboratiegedachte bleef hangen maar met veel liefde voor de literatuur – die tweespalt zou eens mogen uitgeklaard worden: de schuld van een bepaald soort literatuur, een literatuur die aansluiting vindt bij de onderdrukking. Toch staat die rechtse ideologie Spinoy niet in de weg voor de appreciatie van dat oeuvre.

Tégen de literatuurgeschiedenis in stelde Spinoy dat zowel het debuut van Van Bastelaere als zijn eigen eerste bundel geworteld was in de neoromantiek en dat dit ook geldt voor de verzamelbundel ‘Twist met ons’ – de merkwaardigheid is dan dat de bewering van Benno Barnard dat deze dichters (ook nog Charles Ducal en Bernard Dewulf) postmodern waren voor geen enkele dichter van de 4 geldt – wat ook altijd voor de laatste 2 dichters door de kenners betwijfeld is geweest. Enkel ‘Pornschlegel’ is postmodern te noemen. Spinoy schetste het literaire klimaat: toen deze dichters debuteerden was het experiment en vogue en deze jonge dichters keerden terug naar ‘een milde vorm van classicisme’. Wat ze van het modernisme overhielden was het element van disharmonie, de gebroken relatie tussen het ik en de werkelijkheid. In de poëzie sprak een zwak en versplinterd ik dat nauwelijks iets weet, kan kennen, ervaart. Het vreemde is de wereld, is het ik.

‘Eerst was er het etiket, pas daarna ben ik postmodernist geworden’, zei de dichter en in ‘Susette’ (1990) ondernam Erik Spinoy het intertekstuele spel. Een tekst schrijven is reageren op een andere tekst. In ‘Fratsen’ (1993) benaderde hij, naar het woord van Lyotard, het sublieme: ‘je laat zien wat je niet kunt zien’. Na de Herik-bundel ‘De smaak ervan’ (1995, met foto’s van Raf De Smedt), bleef het een hele tijd stil, het leven nietwaar maar er was ook een dichterlijke reden/impasse. De dichter stond voor de keuze: het postmodernisme uitmelken of een nieuwe/andere weg inslaan? Er moest iets gezegd worden, het spel is te vrijblijvend, de dichter moet nadenken en Spinoy begon het begrip ‘identiteit’ te verkennen, een thematiek die voor hem tot op vandaag een bron is en die hem ook nog steeds verbindt met (ondanks een breuk) zijn vroegere kompaan Dirk van Bastelaere. Waar deze laatste op politiek vlak het begrip identiteit strak invult en, althans in het dagelijkse leven van de politiek een antwoord gegeven heeft, blijft Spinoy dat ik ‘problematiseren’ – ook al kan hij die waarschijnlijk op politiek vlak even strak invullen.

‘Boze wolven’ (2002) was de bundel van de terugkeer en werd onmiddellijk als een belangrijk werk erkend. De wolf in de gedichten is uiteraard de mens die wordt wat hij is, gedetermineerd als hij is door het ‘speelveld’ waarin hij opereert én door zichzelf, door die mysterieuze harde kern in hemzelf. Beide gegevenheden (naturalisme en psychologie) kunnen niet verklaard worden – en toch zijn we wat we zijn door de vreemde interactie van het binnen en buiten.

Jammer dat de tijd begon te dringen waardoor Erik Spinoy een aantal bundels oversloeg om nog iets te zeggen over zijn laatste, ‘Nu is al te laat’ (2015), die hij structureel ‘blootlegde’ als een vlechtwerk van 3 lagen die op elkaar reageren. Elk gedicht is een heterogeen geheel van 3 elementen. Er is de ruimte buiten ons: het gebabbel, de taal, de gedachten, de poëzie (Celan, Montaigne, Achterberg, Matisse, enz.). Het tweede element is het ik: de harde kern, het trauma, wat het leven een mens aandoet. Het culturele, dat wat waardevol is, troost kan bieden, spreekt, is de derde laag. Dit gaat over het overleven, het toont de grootsheid van wat een mens kan – zoals Gerhard Richter gruwelijke beelden kan esthetiseren zonder de waarheid en het harde te ontkennen – waar schoonheid een betekenis bezit en zichzelf overstijgt, een waarheid aanduidt.

Na de lezing kreeg de dichter een doosje pralines, het publiek moest schaamteloze reclame aanhoren. Enerzijds gebruikt de directeur het beeld van de poëzie als een moordmachine, anderzijds bevestigt hij met de chocolade het clichébeeld van de zoetige meisjespoëzie. Het publiek echter bestond uit lezers en wij wisten, tegen het centrum in, dat dit, was het bewust, een intertekstuele grap had kunnen zijn. ‘Was getekend, / Uw praline, / Susette’.

sfcdt_erik spinoy_2

Advertenties