an ocean wave that’s bumped on the shore

door johan_velter

Misschien is het een lasterlijke uitspraak maar toch, het verhaal van Saul Bellow, ‘The adventures of Augie March’, is volstrekt ongeloofwaardig. Het is niet de wereld of de feiten die de wereld voortstuwen maar de stem van de schrijver zelf. Hij gedraagt zich als een godfather, een maffiafiguur, die volstrekt willekeurig , zonder argumentatie of noodzaak, zijn personages de wereld ingooit, hen, wanneer ze aarzelen, een duw in de rug geeft want weten zullen ze, ze zullen het weten, weten dat ze hier overbodig zijn en weten dat dit weten hen geen weten brengt. Het moderne bij Bellow is dat hij dat weten nu gelijkstelt aan ‘baten’: wat brengt het mij op? Zijn personages dwalen omdat ze het verzamelen (och, wat niet al, dingen, vrouwen, gebeurtenissen, belevenissen, ervaringen) verkeerdelijk beschouwen als een zijn, een weten.
De personages van Saul Bellow zijn ontdekkingsreizigers, zelfs als ze een vader en een moeder hebben, gedragen ze zich als ‘sine patre, sine matre’ in een land dat hen onbekend is, terra incognita, en wat ze zullen vinden, nee, naar wat ze op zoek zijn, is een volstrekt raadsel. Het gulden vlies kent een schittering maar is een illusie. Dat dit alles een droombeeld is, en dat men niet anders handelen kan dan zoals men handelen kan, ook dat is het moderne bij Bellow.
Drenkelingen zijn we, losgeslagenen zijn we, geschopten: zo moeten we ons door het leven slaan.
En daarmee is het oeuvre van Bellow (reeds in de eerste alinea van ‘The adventures of Augie March’: ‘But a man’s character is his fate, says Heraclitus’) ook een reflectie op determinisme, vrije wil, de rol van het lot, ach, Diderot die nog met narrenhumor dit vraagstuk kon beschrijven, hoe gruwelijk is dit vragen in de moderniteit geworden. Daar staan we dan, met de volle verantwoordelijkheid voor onze daden, onze gedachten en gauwgauw haasten geleerden zich dan, nee, niet jij maar je biologie; nee, niet jij, maar je hersenen; nee, niet jij maar je genen. En ook niet ‘je’ want niet jij maar ‘zij’ bezitten jou. Hoe simpel is daarbij de Humo-ideologie: het zijn vreemde mannetjes die ons leiden.
Met Bernhard/Shakespeare in het achterhoofd moeten we ons steeds afvragen of we bij Bellow in een komedie of in een tragedie beland zijn: de humor is wrang; de ernst koddig. De avonturen zijn picaresk, de gedachten nietzcheaans-europees – hoe deze boeken door een Amerikaans publiek gelezen kunnen worden is een volstrekt raadsel, of in een andere context een godswonder.
De ‘Werdegang’ van Augie March (ach, nomen) bestaat in een opeenvolging van identiteiten – wat men doet, bepaalt iemand. Er is geen vaste kern (al zoekt men zoekend), door woorden tracht men die vast te leggen maar de feiten weerspreken die en de woorden jagen de feiten op die die woorden en dit worden ontkrachten. Het bestaan is een helletocht.
Maar er wordt gekeken. De opmerkingsgave van Saul Bellow is verbluffend: het is door te lezen dat je ziet. Zo beschrijft hij de zwakzinnige broer van Augie March en je ziet door zijn woorden wat gebeurt – en jij denkt aan al die keren dat een vrouw haar liefde niet langer verbergen kon: ‘And sometimes Georgie had the Giaconda’s own look and smile when he was being discussed, I declare he did, a subtle look that passed down his white lashes and cheeks, a sort of reflex from wisdom kept prisoner by incapacity, something full of comment on the life of all of us.’ Dat een zwakzinnige een verborgen, niet-geuite wijsheid bezit en dat die stomme wijsheid een kritiek op ons leven kan zijn, zo wordt alles wat is armzalig, nodeloos en hartverscheurend.
De figuren van Saul Bellow breken uit: zo de beslotenheid, dufheid en zompigheid van het ouderlijke huis (‘the grey of that felt, the grey despotic to souls’), zo weids is de wereld en haar handel. De wereld is speelgoed waar elkeen zijn weg kan vinden, ze ligt om op te rapen: het zijn de anderen die zich bukken moeten: voor de held komt de wereld aangewaaid. Zo is de grondhouding, zo niet de werkelijkheid. De wereld is die van de dingen maar is ook een natuurkosmos én een Europese traditie. De luttelste gebeurtenis of gedachte wordt geplaatst tegenover het menselijke universum en krijgt aldus de allure van een homerische passage. (‘She was directing me out of her deep chest to the great eternal things.’) Niet de cultuur wordt in het leven geschoven maar andersom: de betekenis van het leven wordt door de cultuurgeschiedenis geleverd: elkeen gedraagt zich als een helmboswuivende, elke liefde is een tragische, elk kind het toekomstige. Geschiedenis is heilsgeschiedenis. De verwijzingen naar de Joods-Europese wereld zijn telbaar maar lijken oneindig: de vraag is of die een kosmos betekenen, een eenheid, een zingeving. Geeft de cultuur ons een ordening? ‘Can this jungle of allusions ever be reduced to order? I really can’t say what the future of the novel is, but following Mr. Steiner’s lead does not seem promising. A different dance is perhaps still possible.’ (‘There is simply too much to think about’, Viking, 2015).
Maar ook het woord ‘tegenover’ als de plaats van de mens is niet altijd geldig: de Bellow-figuren worden bedolven onder de geschiedenis, de ideeën, de mogelijkheden, de zingevingen, de wereld.
Blind worden ze gemaakt, blind dwalen ze. Razen zullen ze.

Advertenties