wolk in broek

door johan_velter

geert van oorschot_1981_ruben oreel

Zie hem daar lopen, de triomfator, laveren over de kasseien. Een ruiker bloemen in de ene hand, in de andere een sigaar en wat op een boek lijkt. De foto van Ruben Oreel is grijs en de achtergrond is nauwelijks zichtbaar, een paar vage plekken. Daardoor is de figuur nog prominenter aanwezig, al dat vlees in zwart-wit geprangd. De stad is Vlissingen, het jaartal 1981 en het moment is de avondlijke tocht na de première van ‘Twee vorstinnen en een vorst’, de verfilmde roman/verhalenbundel van R.J. Peskens waarin o.a. de erotische belevenissen van de jonge Peskens getoond worden. Hoeveel boeken zijn er niet die de seksuele initiatie van een jongen door een oudere vrouw beschrijven en dat dit uiteraard als normaal beschouwd werd (ook daarom een cliché is) en dat het omgekeerde (en zelfs dat niet meer) niet kan – hoe antinatuurlijk, anti-erotisch en antimens het huidige moralistisch realisme geworden is – de film nam dan ook grote delen van ‘Mijn tante Coleta’ over.

We zien echter niet een gevierde schrijver/uitgever maar eerder een dronkenman. De hoed al meer op het achterhoofd geschoven, de kleren loshangend (er is geen maat meer), hij beleeft zijn triomf alleen, alleen hij weet het, de wereld heeft hem allang verlaten.

De kleren, hoed u voor de in het zwart gekleden, zijn vuil, afgeleefd en blinken op die plaatsen waar het knelt of waar de handen te veel komen – in het fonds van Van Oorschot was Jules Deelder niet aanwezig, die had hem raad kunnen geven hoe zwart te strijken is.

Is de gevierde op de knieën gevallen? Het lijkt erop. De zakken van de overjas zijn witblinkend van het vuile vet van de handen. De schoenen ongepoetst. De brilglazen zijn te groot, de benen van de bril te kort en raken nauwelijks achter de oren. Ook de hoed blinkt en is koddig in zijn bohémienfunctie. We zien het niet maar weten het: het okselzweet, de vlekken op de pseudo-artistieke strik, de brandgaten in het hemd. Geen arbeider wil er zo bij lopen – het zijn slechts de armen van geest die zichzelf kleineren. We zien een proleet, iemand die zichzelf ooit als een profeet gezien heeft maar de verkeerde weg is opgegaan. Het is niet zoals Arjen Fortuin schrijft: Geert Van Oorschot is op het einde van zijn leven niet de schrijver geworden die hij in zijn jeugd wilde zijn. Als jonge man wilde Van Oorschot een proletarisch schrijver zijn, een leider, iemand die door en met de literatuur de arbeiders uit het vuil kon trekken, hen zelfbewustzijn kon geven, de massa kon opzwepen. De schrijver Peskens is slechts een flauwe afgeleide van dit ideaal: een sentimentele verhalenverteller die nooit uit de eigen beknelling van de mythologie kon geraken. En Geert van Oorschot wist dat dit succes een falen was – ook hierop vestigt Fortuin niet de aandacht, afgeleid als hij is door de normen van de eigen tijd.

Aan de mansbroek kan men afleiden uit welke tijd de foto stamt. O, de onzalige jaren 70, het begin van de massaconfectie en de kleren die zonder kennis en smaak gemaakt en gedragen werden, de stoffen waarin plastiek verwerkt werd waardoor de kleren huidirritaties teweegbrachten, nooit een goede vorm konden krijgen en stonken door de combinatie van zweet en chemie. De rits is bij Van Oorschot bovenaan duidelijk zichtbaar; het reepje stof dat de lelijke rits moet verbergen is gekruld en weggeschoven, de rits komt tot bovenaan de stof van de gulp en ook daardoor is die zichtbaar – een goede kleermaker zou precies daar de stof wat breder gemaakt hebben – maar een goede kleermaker zou natuurlijk ook geen rits voorzien hebben. Ook de onderbuik van de heer en het volproppen van de broek met hemdsresten en ondergoed is verantwoordelijk voor dit onsmakelijk gedoe.
Bij een degelijke broek wordt aan de broekband vooraan een kleine lus voorzien, daar kan men het staafje van de broeksriem insteken waardoor riem en broek innig met elkaar verbonden blijven en niet als kwade honden elkaar uit de weg gaan. Een broeksband moet ook voldoende riembanden hebben waardoor de riem overal op zijn plaats blijft zitten. Ach, die jaren.

geert van oorschot_1975_frans hemelrijk

Maar ook vandaag zijn er nog exemplaren van het mannelijk geslacht, dik of dun, die hun rits nauwelijks sluiten, steeds gehaast anderen te mishagen. En zie nu naar die andere foto uit 1975 (ongeveer), een portret door Frans Hemelrijk. De geportretteerde is duidelijk jonger, misschien wel sympathieker, nog niet opgeblazen. Alle attributen zijn er : de clowneske kop, de strik, het kostuum, de sigaar en de bril. En de broek die halvelings openstaat, de buik die zwemmen wil.

Advertenties