een hond

door johan_velter

Een oude, vieze, vette hond, een slabberige tong vol kwijl, drankzuchtig, wraakzuchtig, liegend en bedriegend, emotionele chantage plegend: Geert van Oorschot, 1909-1987.

De biografie ‘Geert van Oorschot, uitgever’ (Van Oorschot, 2015) door Arjen Fortuin laat een wrang gevoel na. Het eerste deel is quasi voorbeeldig geschreven – maar al op de eerste bladzijden trapt Fortuin in de valkuil waar hij de gemakkelijke lezers vervoegt. Natuurlijk waren de autobiografische verhalen van een ijdeltuit als Van Oorschot niet autobiografisch maar verzonnen – hij was dan ook een schrijver. Fortuin legt de woorden van de schrijver Peskens naast de feiten die hij gevonden heeft – en er is heel wat verschil. Zo heeft Van Oorschot zijn jeugd en afkomst donkerder gemaakt dan die waren – om het eigen gloriënde beter in de verf te kunnen zetten, wat een normale schrijverstruc is en geen bezwaar mag zijn. Fortuin toont hoe Van Oorschot een bevlogen jongeman was, literair gedreven en socialistisch: het volk moest uit de geestelijke en materiële armoede getrokken worden. Er waren voorvechters, leiders nodig: er moest getoond worden en toen wist men nog dat de dingen niet vanzelf kwamen, dat er ‘gevochten’ moest worden – vandaag denkt de zogenaamde intelligentsia dat men door achteroverleunend begaan te zijn, deze wereld een menselijke kan doen worden – toch moet er met nieuwe werk- en denkvormen opnieuw ‘gevochten’ worden. Niet helemaal klaar maar toch wel duidelijk is dat Van Oorschot een dubbelleven had: voor de tribune was hij de oproerkraaier, achter de schermen zocht hij geldschieters en machtigen.

Maar vanaf hoofdstuk 8 verliest Fortuin de greep op zijn onderwerp. In dat hoofdstuk laat hij een aantal schrijvers de revue passeren, hij verlaat ook de chronologie en is er geen sprake meer van een meesterhand die het onderwerp beheerst. Op een gekunstelde wijze smokkelt hij allerlei losse eindjes in zijn verhaal zonder er echt iets mee te doen. Hoofdstuk 17 is in dat opzicht al even erg.

De titel van  het boek is wel ‘Geert van Oorschot, uitgever’ maar de nadruk ligt toch vooral op de mens – en hoe kan het ook anders bij iemand waar het persoonlijke en het beroep zo sterk in elkaar gevlochten waren. Fortuin maakt niet de rekensom maar toch wordt duidelijk dat Van Oorschot en zijn vrouw (want beiden hadden de uitgeverij in bezit) tonnen en tonnen geld verdiend hebben, en dat er ook tonnen geld verzopen geweest zijn – beiden waren actief op de immobiliënmarkt en beiden hebben een overdadige levensstijl gevoerd. En dit alles was maar mogelijk omdat Van Oorschot zijn auteurs stelselmatig bedrogen heeft, door de vertalers schandelijk slecht te betalen, door een verkeerde prijszetting van de boeken te berekenen en door onduidelijkheid te scheppen over het aantal verkochte boeken. Fortuin behandelt nu en dan de ruzie tussen W.F. Hermans en Van Oorschot, waarbij hij de kant van de uitgever kiest en het slechte karakter van Hermans afkeurt, maar ook in deze zaak had Hermans gelijk: Van Oorschot was een bedrieger.

En dan die emotionele chantage (de opoffering, de vriendschap, de literatuur ! – alles met hoofdletters geschreven), de nachtelijke, dronken telefonades – zieligheid. En in al die zelfgecreëerde conflicten komt de rustige, volwassen, rationele stem van Vasalis, misschien wel de enige persoon die Van Oorschot kon temperen, tot de orde mocht roepen, met rede hem kon vermanen. Wat een rampspoed had Van Oorschot niet nog meer over zichzelf kunnen afroepen! De valse pathetiek kreeg op het einde van zijn leven een hoogtepunt (een dieptepunt) wanneer hij geld begon te verdelen, de een kreeg 500 , de ander 1000 gulden, alles met een briefje van de grote, zorgende vader erbij. Net alsof geld de herinneringen zou kunnen doen opfleuren – en dit alles om zijn  eigen kinderen nog meer te benadelen.

De biografie mankeert een intellectuele dimensie. Op p. 426 schrijft Fortuin bijvoorbeeld dat Céline met zijn ‘Reis naar het einde van de nacht’ ‘ontegenzeggelijk in zijn fonds’ paste – terwijl dit helemaal niet zo is. Natuurlijk waren Reve en Hermans bewonderaars van Céline en kon Van Oorschot door de uitgave Hermans een hak zetten maar inhoudelijk paste Céline niet in dat oeuvre, noch literair, noch politiek. Van Oorschot bleef zijn hele leven een fel anti-fascist en hoe kon hij dit dan verantwoorden? Fortuin zwijgt.

De grote concurrent van Van Oorschot was De Bezige Bij. Fortuin gaat nu en dan in op de rivaliteit maar maakt de tijd waarin men moest opereren niet helemaal helder. Van DBB wordt steeds gezegd dat het jonge publiek pockets wilde en dat dit het grote succes was – Van Oorschot heeft geen pockets willen maken en toch had ook hij veel succes. Zijn goedkope reeks, ‘De witte olifant’, kon helemaal niet concurreren met de Beunis-Jungcurtreeksen omdat hij géén moderne, esthetische, verstandige beeldredactie voerde. Ook zijn poëzie was niet vernieuwend, maar braaf-burgerlijk-kabbelend, varend op de stroom van de neoklassieke trend, dit wil niet zeggen dat er geen goede gedichten waren maar het verschil tussen Chris van Geel en Vasalis is toch wel erg groot. Fortuin plaatst dit alles niet in een cultureel-intellectueel kader.

De raadselachtige Clem Bittremieux krijgt wel heel wat vermeldingen maar een kleine biografie-in-de-biografie had hier toch wel gepast geleken: men kan niet enerzijds zeggen dat hij de grote vriend van Van Oorschot was en hem tegelijkertijd in de mist laten staan.

Advertenties