kabamuziek

door johan_velter

achtklank_11

In ‘Otofoon’ van Maurice Gilliams horen we de woorden van Giordano Bruno weerklinken : ‘In tristitia hilaris, in hilaritate tristis’. Zo is het andere recent verschenen boek van Dick Wessels eveneens: in de woorden hoor je de klanken van anderen. Een kakofonie van geluiden, klanken, waarzeggingen, bezweringen dat er een leven is. De uitgever van ‘Het gonst’ legt zich toe op geluidswoorden, de naam van de uitgeverij laat het ook horen. Het mooist gebeurt dit wanneer hij een typografisch spel kan spelen. Hij doet dit niet, zoals nogal wat andere ‘margedrukkers’, in volle vrijheid, dit wil dan zeggen, zonder smaak en maat, maar met het oog van een goudsmid. Afgemeten, precies, secuur en met liefde. ‘Achtklank’ is de titel vaan het nieuwste boek en er werden klankgedichten opgenomen van Hugo Ball, Max Ernst, Tristan Tzara, Hans Arp, Kurt Schwitters, Hendrik Werkman, Oskar Pastior en Royston Balls – alle in de oorspronkelijke taal – en sluiksweg zijn er twee citaten uit ‘Anti-canto 37’ van H.H. ter Balkt opgenomen: al is de rest er, ‘laten wij het lied nazingen’. Veel cultuurhistorische beschouwingen kunnen gewijd worden aan de selectie van deze gedichten – maar laten we dit niet doen: de gedichten zijn immers niet een zich afkeren van literatuur (naar vorm en inhoud) maar een bevestiging van een vreugde. Bij Dick Wessels is er steeds een gedrevenheid om ook in te gaan tégen de dingen maar de dingen uiteindelijk toch aanvaardend (‘Rage, rage […]’). Daardoor vervalt hij nooit in clichés en herhaalt hij zich niet. Hij laat zich leiden door een exploratiezucht die vrijheid is. Toch zijn de boeken herkenbaar – door de kwaliteit én door de keuze van de dichters – zijn opgelegde en geleide uitspattingen met enkele Antwerpse dichters zijn hem vergeven. De enige figuur die in zijn nabijheid kan/kon staan is de betreurde Hester Verkruissen. Ook bij haar een levendige verfijning, een verrassend gevoel voor combinatie van letter en teken, een intellectuele kennis van beeld en woord.

achtklank_1

Bij Dick Wessels speelt er steeds een vervreemdingseffect, ook in dit boek. De teksten van dadaïsten in een verfijnde, esthetische omgeving brengen zonder afbreuk te doen aan de waarde van beweging en poëzie is een krachttoer die weinigen gegeven is. Ofwel valt men in de kuil van de kitsch ofwel stelt men de dichters op een al te hoge sokkel op. Wessels doet dit niet: hij laat de woorden in ons bestaan leven en optreden, ze zijn fors, de letters, maar ze bijten niet, er is een vrolijkheid die een zondagse is. Het zware wordt licht.

De moderniteit is kaal, alles is afgemeten, afgewogen, geen ornamenten, geen vlekken, geen versiersels of krullen. Ontegensprekelijk staat Dick Wessels in deze cultuur maar – weer de vervreemding – hij zet ook een stap naast die dominante weg en hij durft ornamenten te gebruiken maar wél in de traditie van de moderniteit, dus niet het grollige, wel een fijne terzijde-houding, gentlemanlike. Wessels is in staat om trash te brengen maar hij maakt er schoonheid van, hij transformeert het gewone tot iets bijzonders.

Ook in dit boek speelt hij met die tegenstelling en hij gebruikt hiervoor de kaba-ornamenten van Bram de Does, misschien wel de meest eigenzinnige en raadselachtige figuur uit de Nederlandse letterwereld. Met slechts 4 elementen kunnen talloos veel ornamentele figuren gemaakt worden, de veelheid en de verscheidenheid kennen een smalle basis maar het zijn de esthetiek en de intelligentie die de vermenigvuldiging in gang zetten. De ornamenten van Bram de Does zijn sierlijk, eenvoudig, raadselachtig, niet overladen maar gebald. Samengevoegd kunnen ze zowel bewegen (zingen) als bouwen. Bij het boek is een ornamentblad van Dick Wessels toegevoegd: de kaba’s dansen in rijen van kleur naar kleur. En in het boek is er een spel gespeeld met letters en ornamenten: wat is voorgrond? Wat is achtergrond? Onbelangrijk. Met de ornamenten heeft de uitgever een dynamiek in het boek gebracht: van ‘chaos’ naar zegevierende rust.
(Foto’s: de uitgever)

Advertenties