hemels gonzen

door johan_velter

dick wessels_otophoon_1

Martien J.G. de Jong verbaast zich in zijn studie ‘Maurice Gilliams : een essay’ (Meulenhoff, 1984) over ‘Otofoon’. Hij schrijft:

‘De bundel ‘Oefentocht in het luchtledige’ wordt voorafgegaan door een cursief gedrukt prozastukje, dat de titel ‘otofoon’ meekreeg. En otofoon is volgens Van Dale: ‘een horentje ten gebruike van hardhorende mensen.’ Men zou dus kunnen veronderstellen dat de auteur een hulpmiddel wil bieden aan lezers die zijn teksten moeilijk verstaanbaar vinden. Als dat zo is, lijkt me zijn opzet niet geslaagd. Dit raadselachtig prozastukje verduidelijkt voor de argeloze lezer weinig of niets aangaande de nog volgende prozaschetsen, maar het zou wel kunnen worden verstaan als een beginselverklaring van de auteur. Ik lees eruit dat hij zijn werk beschouwt als een uiting van eenzaam lijden, wanhoop en verbittering, maar dan in een vorm die deze gevoelens niet rechtstreeks uitspreekt maar ze verdicht tot beelden waarvan de diepere, smartelijke betekenis in eerste instantie ondoordringbaar blijft.’ (p. 66).

Maar laten we dan eerst dat fragment lezen:

‘Otofoon. In een boek kan men niet ieder woord tussen haakjes zetten, zoals men niet elke schoorsteen van een huis dichtmetselen kan voor de huilende wind.
Maar een bouwsel, dat van buiten het uitzicht van een huis vertoont, en van binnen één gemetseld blok vormt, zou wel een aardige grap kunnen zijn. En dan bij voorbeeld op zon- en feestdagen een vlag aan de gevel!
Smart en gal, –
en dan een beetje dichterlijke vrijheid om te doen geloven dat de kleine vogelbek druipt van kersebloed.’ (Vita brevis, Meulenhoff, 1984, p. 140). (Bij Gilliams zou men elke editie moeten vergelijken want steeds kunnen er varianten, in inhoud, vorm, schrijfwijze, voorkomen.)

De tekst is al te eigenzinnig, baldadig, in zichzelf gekeerd, ja hij is in zijn gebaldheid een groteske en daardoor niet evident. Het is de verdienste van Dick Wessels deze woorden in een aparte uitgave (Het gonst, 2015) geïsoleerd te hebben, er een eigen vormgeving voor gezocht te hebben en daardoor de tekst als een programmaverklaring te laten zien. De uitgave is voor deze pers een typische: een fijne literaire smaak die exquise woorden kan opzoeken en waarvoor een eigen lichaam gezocht wordt.

‘Otofoon’ moet als een ‘introibo’ gelezen worden, een inleiding tot een mens. De Jong leest enkel het tragische en ontkent in de weergave van de tekst de grap. Misschien is de lezing van ‘otofoon’ ook onjuist. ‘Foon’ betekent de weergave van een stem, een geluid; ‘auto’ slaat op het zelf. Een ‘autopiano’ is een zelfspelende piano. We kunnen otofoon dus ook lezen als een middel om de eigen stem te laten horen (al dan niet aan zichzelf). Het beeld dat Gilliams oproept is immers een beslotenheid in zichzelf. Wij denken aan het portret van De Sade door Max Ernst, maar ook aan de bolvormen van Thierry De Cordier. De vlaggen doen denken aan de zondagschilderijen van Gust. De Smet.

Gilliams spreekt over de onvolkomenheid van het leven (en dus ook van de literatuur). Elk woord zou tussen haakjes geplaatst moeten worden, m.a.w. men zegt iets maar in feite betekent het iets anders. Maar dat kan niet, zo kan men ook een schouw niet dichtmetselen omdat de wind erin huilt, de opening is immers noodzakelijk – net zoals de woorden dat zijn. Maar dan bouwt Gilliams het beeld op een verrassende manier uit : hij ziet toch de mogelijkheid: het huis dichtgemetseld, dus onbewoonbaar maar toch een vlag op bepaalde dagen uithangen.

‘Smart en gal’ zijn de beelden van de zwarte melancholie: droefheid wordt veroorzaakt door een teveel aan zwarte gal. Betekenisvol is dat Gilliams beide woorden afzondert om dan toch weer een kering te veroorzaken : de dichter doet de lezer dromen. De kers is de hemelse vrucht, de beloning voor een goed leven. De vogel is de afgezant van de hemel. Wat bloed, dus een agressie, lijkt, is het rood van een kers: het bloed van Christus dat een nieuw leven aankondigt. ‘Otofoon’ is dus helemaal niet een vertwijfeling maar een hoop. En dat is te lezen in Dick Wessels’ uitgave. Een helderheid, een vrolijkheid, een raadselachtigheid, maar vooral die voor hem typerende moderniteit. Een spelen met veroverde vormen en kleuren zonder regressief te zijn (het is de verdienste van de uitgever om in dit boekwerkje géén rood te gebruiken: de evidentie moet vermeden worden). Een beslotenheid in zichzelf die het uiterste aan schoonheid en betekenis betracht.

 dick wessels_otophoon_2

(Foto’s : de uitgever)

Advertenties