de zwarte bloem

door johan_velter

hans sleutelaar_zwarte bloem

In het door Hans Sleutelaar zelf samengestelde ‘verzameld werk’, d.i. wat volgens de auteur nog kracht heeft, is een essay opgenomen, ‘Kan rijm nog?’, wat als een ‘Ars poetica’ gepresenteerd wordt. Daarin toont Sleutelaar zich een tegenstander van de vrije vormen van de Vijftigers en pleit hij voor het rijm, toont hij ook aan dat het rijm nooit verdwenen is.

De dagen zijn veranderd: het figuratieve is nooit weg geweest maar werd verdrongen door het abstracte; het grillige werd aan banden gelegd door de kitsch van de rechtlijnigheid (zie hedendaagse interieurs: de langdradigheid van het volgzame); de vormmogelijkheden werden vervangen door een losse slungelachtigheid. Telkens weer gaat het om grenzen, lijnen die getrokken worden – of niet. ‘Rijm vraagt van de dichter gehoorzaamheid. Zijn eigen ik vervluchtigt als het ware door het rijm. Wie rijmt, doet een beroep op een ander. Hij respecteert de rechten van de lezer. Hij spreekt de taal van de duidelijkheid.’  En nog: ‘De fijn bewerktuigde dichter roeit bij voorkeur tegen het tij in. In een teugelloze, subjectieve tijd als de onze zal zijn werk juist objectieve trekken en, vormtucht vertonen.’ De rijmwoorden zijn de stapstenen, de hangers van het geheugen, de wegwijzers naar de betekenis. Maar het is overdreven om alle ‘rijmloze’ dichters weg te vegen: juist de diversiteit is een rijkdom.

Het is opvallend hoe poëtisch Hans Sleutelaar is, hoe hij het dichten in een gebalde, duidelijke, anti-poëtische richting voert en tegelijkertijd niet aan anti-dichten doet. Hij verwerpt de poëzie niet, integendeel, hij gebruikt alle middelen. Helaas ook inclusief de pointe (‘Goddank dat ik mij levend weet.’) en de als wijsheid bedoelde aforismen die echter het tegendraadse missen. Soms is het gebalde het bewijs van onkunde.

In dit verzameld werk, ‘Wollt ihr die totale Poesie?’ (De Bezige Bij, 2015) zijn enkele vertalingen opgenomen, Catullus, Kurt Schwitters, Hölderlin en een Oud-Egyptisch vers.

Het gedicht ‘Elegie’ kan naast eender welk gedicht van J.C. Bloem gelegd worden – en eigenlijk is dit hele oeuvre een zucht naar de dood, een moeheid van het leven -, een teken dat de mens de mens is:

Het jonge groen baadt in de middagzon
en alle vogels fluiten. ’t Is bijna mei.

Het jaar ging als een zucht aan mij voorbij.
Ik heb geleefd. Geschreven heb ik niet.

Hoeveel gedroomd, gewonnen, weer verspild,
en niets van wat ik alle dagen had gewild.

Advertenties