vader canon (2)

door johan_velter

laurens ham

De canon, zoals die voorgesteld wordt door KANTL en VFL, is een allegaartje van persoonlijke voorkeuren, van wat is en van wat zou moeten zijn. Het ‘sein und sollen’ is gebaseerd op wat maatschappelijk is (wat wordt gelezen) en wat gelezen zou moeten worden – maar er is geen eenheid van visie noch van uitwerking. De lijst bevat slechts 1 toneelwerk (van Cyriel Buysse) en een klucht van Huygens ; geen essays – dit land zonder hersenen en fantasie is wel zeer erg getekend. Ook de poëzie komt er bekaaid van af. Er zijn dichters die in Vlaanderen niet tot de canon behoren maar waarvan men vindt dat ze er eigenlijk zouden moeten toe behoren : Vasalis, Gerhardt, Bloem (i.p.v. Bloem had Jan Van Nijlen hier moeten staan). Het probleem hierbij is dat men boeken geselecteerd heeft, terwijl men gedichten had moeten kiezen – een poëzie-canon is immers iets anders dan die van roman- of toneelwerken. En dan is het een misser van formaat dat Christine d’Haen met haar ‘Daimoon megas” onvermeld gebleven is. Maar ook Willem Elsschot en Maurice Gilliams fungeren niet als dichter in deze canon – en dat Adriaan Roland Holst niet opgenomen is, toont nogmaals de kwaadaardigheid van deze ‘slagers-selecteurs’ aan. Maar ook bij de romans is er van een Vlaams perspectief geen sprake want dan hadden Ernest Claes en Felix Timmermans opgenomen moeten worden – maar dat durft men niet want het moet allemaal simpel behapbaar blijven (ook Aster Berkhof verdiende een vermelding en blijkbaar kent ‘de kenner’ Laurens Ham ‘Het huis van mama Pondo’ niet). De allergrootste schande is echter dat Herman Teirlinck met zijn ‘Zelfportret’ niet geselecteerd is.

Het resultaat toont hoe de methode van de ‘jury’ verkeerd is. Men had een lijst kunnen opstellen van de verschillende literaire genres en van elk boek aanduiden waarom het voor Vlaanderen belangrijk was, wat zijn Europese tegenhanger is en wat in de republiek der letteren als het hoogste in dat genre beschouwd wordt. Op die manier had men de grond voor een nationalistische visie kunnen weghalen, zou men mensen richtlijnen naar het betere kunnen geven om het beste te bereiken. Dan zou men kunnen zeggen, ja Paul Van Ostaijen, ok, maar lees toch maar liever Blaise Cendrars of Guillaume Apollinaire. Leven we immers niet in een Europese cultuur? Want elke schrijver is beïnvloed door buitenlandse voorbeelden en het zou een verdienste geweest zijn om een begin te maken met een Europese literatuurgeschiedenis en -canon – dan zouden ‘onze’ literatuurwetenschappers misschien ook eens verder kunnen kijken dan de eigen sponde.

Het allerergste wat men over deze lijst kan lezen en dat tegelijkertijd het belabberde niveau van de zogenaamde literatuurwetenschap aantoont, is het artikel ‘Sluit de canon niet op in zijn ark’ van Laurens Ham (Ons erfdeel, 2015, nr. 4, p. 4-13). Op de website van ‘Ons erfdeel’ durft men het aan om voor dit artikel geld te vragen.

Fout 1. ‘over het culturele en historische belang van de meeste teksten [sic] is nauwelijks discussie mogelijk.’ – over de meeste teksten is daarentegen veel discussie mogelijk.

Fout 2 : Laurens Ham vernoemt de ‘juryleden’ en smeert stroop aan hun baard (‘een gewaardeerde auteur als voorzitter’, ‘een commissie van stevig cultureel belang’) : het is belangrijk wat men doet, het resultaat telt, niet de titels, niet de betwijfelbare verdiensten. Het is schamel te zien hoe een ezel kopjes geeft.

Fout 3: ondanks de toegegeven eigen onbevoegdheid, verhindert dit Laurens Ham niet om zich te laten uitnodigen op de receptie waar de canon voorgesteld werd en een besteld artikel te schrijven: ‘Dit zijn, voor zover ik dat kan inschatten [sic], inderdaad veelal [sic] de boeken die er in Vlaanderen toe doen.’

Fout 4: ‘[…] en de oudere werken zullen ongetwijfeld [sic] digitaal beter ontsloten worden.’ : de auteur neemt zijn wensen voor werkelijkheid aan. De waarheid is dat deze 50 boeken (want kom, laten we de simpele, onwaardige Jef Geeraerts niet meer vernoemen) niet beschikbaar zijn en dat er m.a.w. géén beleid rond deze lijst is. Het is niet omdat iets digitaal ontsloten wordt, dat het ook relevantie krijgt, dat het gelezen wordt. De praktijk is immers dat de niet-verkoopbare en niet-gelezen boeken digitaal beschikbaar zijn in een slechte vorm.

Fout 5: ‘Mijn belangrijkste bedenking is : de opvatting van een canon als een instrument dat consensus meet, is feitelijk onhoudbaar. Deze canon is een construct, een cultuurpolitiek instrument, en dat kan ook niet anders […].’ Deze canon is géén cultuurpolitiek instrument, is slechts een voorstel. Er is géén beleid rond deze canon, noch bij uitgevers, noch bij bibliotheken, noch in het onderwijs. De auteur stelt dat een canon een construct is, dat dit niet anders kan maar toch verwijt hij de canonopstellers een construct gemaakt te hebben. Deze basiskritiek speelt door het hele artikel: het ontkennen van de werkelijkheid (dus de waarheid) en het anders construeren van die werkelijkheid om een niet-bestaande realiteit als een canon voor te stellen.

Fout 6: de beeldspraak van de auteur is verkeerd: hij zegt niet alleen een nieuw standbeeld te willen optrekken maar ook een andere sokkel te kiezen – noch de sokkel noch het beeld wordt door Laurens Ham geleverd terwijl hij wél een ander construct zegt te bouwen. Ham trapt in dezelfde val als de ‘kenners’: hij meent dat er 1 canon mogelijk en wenselijk is, terwijl men juist moet streven naar verschillende canons die naast elkaar kunnen bestaan.

Fout 7: Ham ziet ‘Het verdriet van België’ als een politieke roman – de bekrompenheid van een politiek correcte blindheid.

Fout 8: Ham denkt dat Tom Lanoye als ‘een hedendaagse geëngageerde auteur’ in deze lijst had moeten opgenomen zijn. Literaire of maatschappelijke overwegingen zijn dus minder belangrijk dan de simpele, eenduidige, voorspelbare opinies van Tom Lanoye. Wat dit met literatuur te maken heeft, kan enkel in een dictatuur duidelijk gemaakt worden.

Fout 9: Laurens Ham stelt dat ‘De noodhoorn’ van De Clercq en ‘De soldaat Johan’ van De Pillecyn ‘de richting van de Vlaamse literatuur’ meer bepaald hebben dan het werk van Minne, Achterberg, Gilliams en Nijhoff. Dit is echter zeer de vraag – ook voor deze bewering steunt Laurens Ham niet op onderzoek, studie of denkkracht. De Clercq en De Pillecyn waren een politieke uiting van wat was; maar het zijn wel degelijk Gilliams en Minne die de Vlaamse literatuur een richting gegeven hebben en zelf een hoogtepunt waren van wat binnen hun genre en beperktheden mogelijk was.

Fout 10 (en ik heb al een aantal fouten over het hoofd gezien): Laurens Ham spreekt van ‘de canon van de blanke man’ – en hij bedoelt dit inderdaad als een verwijt. Men weet dus al wat komen zal – een bewijs te meer dat Ham geen boeken leest want dan had hij geweten welk een morele en culturele ravage de zogenaamde correctheid aan Amerikaanse universiteiten aangericht heeft, hoe de generatie Breton-Sartre-Lacan het Franse intellectuele leven heeft willen vernietigen. Telkens weer hetzelfde: een verdraaide visie op de werkelijkheid die gebaseerd is op leugens maar voorgesteld wordt als een moreel betere houding waardoor de ander monddood gemaakt wordt en waardoor het culturele, intellectuele en morele leven ondergronds moet gaan. Er is geen sprake meer van een rationeel betoog wel van een ideologisch betoog met de bedoeling de vrijheid van denken en leven te beknotten.

Fout 11: ‘Alle auteurs van deze lijst zijn blank en er zijn slechts vijf vrouwen opgenomen […].’ Misschien moet iemand Laurens Ham uitleggen dat een canon toch wel steeds geworteld is in een realiteit en dat er in de Nederlandstalige literatuur met een Vlaams perspectief weinig islamisten voorkomen, noch zwarten en dat, net zoals in de rest van de wereld, het aandeel van de vrouwen inderdaad laag is – en voor Hadewijch geef ik gerust 10 mannen van deze lijst.

Fout 12: hij verwijt dat er geen Joodse auteurs op deze lijst staan: fout 12 is gelijk aan fout 11, en dat geldt ook voor het ‘ontbreken’ van de homoseksuele component: wat niet is, kan ook niet opgenomen worden. De namen (buiten Anne Frank en Reve) hebben voor de Vlaamse literatuur geen betekenis gehad – iemand als Carry van Bruggen is zelfs in Nederland nog een onbekende en Van Bruggen zou woedend zijn als ze zou weten hoe haar naam in dit antirationeel, ideologisch, dogmatisch betoog misbruikt wordt.

Fout 13: ook al is het werk van Jef Geeraerts (net zoals de figuur zelf) al te min, toch is Ham tevreden dat hij op deze lijst staat en hij doet dit in een verdraaide redenering: Geeraerts speelt ‘de imperiale kaart’ maar toch gaat het over het kolonialisme en daardoor komt dit boek toch tegemoet aan de eis van ‘diversiteit’ die Laurens Ham, als politiek, onderdrukkend en vrijheidsberovend ideoloog, aanprijst. Men kan Hadewijch ook verwijten dat ze geen islamistische god aansprak.

Fout 14: net als de commissie denkt Laurens Ham dat deze lijst er in de toekomst anders zal uitzien ‘multidivers’ – en men bedoelt dit niet in literaire, wel in maatschappelijke zin. Men verwacht dat islamisten proza zullen schrijven, dat ze poëtische berichten zullen achterlaten – en men begrijpt niet hoe racistisch én beperkend deze wens is. En waarom spreekt Ham niet van het ontbreken van ‘arbeidersliteratuur’ op deze lijst – ah, de blanke, middelmatige man van de middenklasse die voor zijn jaarlijkse reisjes het hoofd buigt …

Fout 15: Laurens Ham wil dat de commissie ‘actief werk [zal] moeten verrichten’ om tot deze diversiteit te komen – dit is een pleidooi om politionele acties op te zetten.

Fout 16: Laurens Ham verwijst naar de discussie rond ‘Zwarte Piet’ en beschouwt de verdedigers van deze traditie (de niet-onevenwichtigen, zij die zich niet laten ophitsen door sentimenteel gemoraliseer, zij die een historische visie hebben, zij die een ‘joie de vivre’ durven opeisen) als ‘conservatief en weinig geneigd tot verandering’. Ook hier ziet Laurens Ham blijkbaar liever de nieuwe islamitische versie van Zwarte Piet: niet meer de ludieke drager van een juten zak, wel de gedrogeerde gemaskerde met een kalashnikov.

Fout 17: Laurens Ham, als vertegenwoordiger van de universitaire wereld, roept de commissie op om een canon op te stellen die politiek correct is en daarvoor zelf acties moet ondernemen. De commissie moet dus niet registrerend te werk gaan maar moet de Turkse en Marokkaanse cafés opzoeken en daar een nieuwe W.F. Hermans boetseren. ‘Een canon met levende auteurs is aansprekender en wordt gemakkelijk diverser : tegenwoordig spelen vrouwen in de Vlaamse literatuur een heel zichtbare rol en ook schrijvers met een allochtone achtergrond winnen terrein.’ (Dit laatste werkwoord lijkt misschien ongelukkig gekozen te zijn, na de moordpartijen in Paris weten we dat het juist is.) Ook hier vraagt Ham de vernietiging: de canon moet levend gemaakt worden ten nadele van het betere, elk kwaliteitsoordeel moet achterwege gelaten worden en de grootste rommel, als die maar gekleurd is, moet door de strot van het jonge volk geramd worden.

Fout 18: Laurens Ham prijst het werk van Chokri en Walid Ben Chikha omdat ze de literatuur verhaspeld hebben in liedjes – hoe amusant dit ook kan zijn, dit staat haaks op wat literatuur is. Bovendien is het in stukken hakken van een oeuvre bepaald niet cultuurvriendelijk – ook daarvan hebben we de laatste jaren genoeg voorbeelden gezien. Het zou een stap vooruit zijn als men woorden op zichzelf zou toepassen, als men structurele verbanden tussen fenomenen zou zien.

Fout 19: in navolging van Chokri Ben Chikha gaat Ham akkoord met de stelling dat Europa een ‘levend museum’ geworden is – misschien is een museum toch aangenamer dan een slagveld, dan een maatschappij waar men niet meer denken kan of mag, waar de doctrine van de simpelheid een opgelegd geloof is.

Fout 20: het voorstel van Ben Chikha, dat instemmend beschreven wordt door Laurens Ham, is al te onnozel – men zou een onderscheid moeten kunnen maken tussen wat een ‘performance’ is en wat denken is.

Fout 21: Laurens Ham denkt na over ‘de canon van de toekomst’. Hij passeert het athenaeum in Antwerpen en vraagt zich af ‘in hoeverre voelen deze leerlingen zich gerepresenteerd in een canon die zo klassiek en ‘blank’ is?’ – ook hier weer de realiteitsval. Net alsof lezers zich moeten ‘herkennen’ in literatuur – die toch voor het vreemde, het fantasierijke, het nadenkende staat. Ook hier ligt een onverholen racisme aan de basis van deze ‘kritiek’ – net alsof deze kinderen zich niet kunnen plaatsen in het werk van een ander, net alsof zij een eigen literatuur zouden hebben, net alsof zij zich herkennen in het werk van Orhan Pamuk of Aziz Nesin. En denkt Ham dat een blanke man men zich zomaar kan herkennen in ‘Lucifer’ van Vondel? En waarom hebben al die meisjes dan met plezier die mannenboeken gelezen? Waarom wordt Virginia Woolf, Plath, Stein door mannen gelezen? Omwille van de herkenbaarheid? Wat een beperkte, domme en literatuurontkennende visie op literatuur.

Fout 22: Laurens Ham vraagt zich niets af over de Joodse kinderen – elk anti-intellectualisme is ook een antisemitisme.

Fout 23: Boeken die niet voor het internet geschreven zijn, kunnen moeilijk een digitale omgeving verdragen.

Wat zei Boorstin? Boorstin schreef.

Advertenties