vader canon (1)

door johan_velter

Dat er een canon gekomen is, kan alleen maar lovenswaardig zijn (http://literairecanon.be/ ). Zeggen dat er geen canon meer mogelijk zou zijn, dat alles vloeit en bloedt, is uiteraard onjuist. Dat er kritiek op het voorstel komt, is normaal – ze toont aan dat er géén consensus is en misschien komt dit wel omdat de Nederlandse literatuur te weinig hoogtepunten kent. Leest men Goethe ‘graag’ of niet, men aanvaardt dat Goethe tot de groten behoort.

Het initiatief van KANTL en VFL is nog interessant omdat beide instellingen van meet af aan gekozen hebben voor een specifiek standpunt, in hun geval ‘een Vlaams’ perspectief. Daarmee tonen beide instellingen dat een algemene canon niet meer bestaat. Er is voor hen minstens een Vlaamse en een Nederlandse canon, die elkaar gedeeltelijk zullen overlappen maar ook elkaar tegensprekende werken zullen opleveren.

Een canon kan maar opgesteld worden door deskundigen. Er is over de ‘jury’ geen consensus. Terecht, iedereen mag twijfelen aan de deskundigheid van deze deskundigen. De interne contradictie is dat men een canon wil samenstellen maar daarvoor ‘breed’ moet gaan – als de canon levend zou zijn, is er zelfs geen ‘jury’ nodig: men weet of men weet niet omdat is of niet is.

Deze ‘Vlaamse’ canon is terecht maar is tegelijkertijd nationalistisch en daarom onjuist. Het geografisch perspectief is immers niet belangrijk, wel de culturele, de intellectuele. Het beoogde doel maakt verschillende wegen noodzakelijk. Als deze ‘jury’ een richtlijn wil geven aan ‘bibliotheken, leesgroepen, uitgeverijen’, enz. dan spreekt ze van verschillende doeleinden en zelfs verschillende vertrekpunten.

Dé canon bestaat niet meer, maar er bestaan wel verschillende canons. Voor een bepaalde generatie behoren Jos Vandeloo en Ward Ruyslinck tot de canon – iedereen kent deze werken en het noemen van auteur of titel is voldoende om te weten wat men bedoelt. Beide auteurs zijn voor een generatie ook belangrijk geweest omdat ze een opstap waren naar andere literatuur, resp. het existentialisme en de utopische/dystopische literatuur. De opstellers van de canon hebben echter een fout begaan door drie perspectieven door elkaar te halen: de literair-esthetische, de maatschappelijke en de mate van leesbaarheid. En daardoor is een miskleun als Jef Geeraerts ook op deze lijst geraakt – maar de figuur van Jan Wolkers was voor Vlaanderen relevanter geweest.

De verantwoording van de KANTL is een allegaartje van redenen en wordt op een niet-dwingende, jolige manier gepresenteerd. Men vergeet erbij te zeggen dat men toch een metafysische opvatting heeft maar die wordt zonder gronden geponeerd. Ook functioneel mankeert er heel wat: het is onduidelijk hoe dit alles in een beleid van leesbevordering kan ingepast worden: is het het beoogde einddoel Jef Geeraerts te lezen? Dat men geen lijst voor de eeuwigheid maakt, is nogal eigenaardig want een canon is geldig of niet geldig. En waarom zouden de literatuurprijzen ‘prachtige boeken’ opleveren van prijzen die niet meer uitgereikt worden overigens – de ‘Gouden boekenuil’ en de ‘Ako literatuurprijs’ bestaan immers niet meer onder deze naam – maar de opstellers van de canon verwijzen wel naar dit commercieel gedoe als een kwalitatieve maat.

Men wilde ‘de consensus […] registreren die er in de loop van de jaren of van de eeuwen omtrent een literaire tekst is gegroeid.’ Dit betekent uiteraard dat men over eeuwen kijkt, en niet alleen dit moment in rekening brengt. Dit is intern inconsistent (niet alleen omdat het nu even geldig lijkt te zijn als ‘de eeuwen’) want dit kan niet noodzakelijk in een schoolwerking ondergebracht worden en het wordt wel helemaal precair als men beseft dat de werken niet meer voorradig zijn – ook niet in bibliotheken. En een armzalig initiatief om fragmenten in een boek onder te brengen en uit te geven (uitgeverij Vrijdag), is eveneens een aanslag op de literatuur : men moet volledige boeken lezen. Zolang er geen langlopend uitgeefbeleid is, is dit allemaal praat tegen de vaak.

Het is een contradictio in terminis van een canon te spreken en te zeggen dat dit maar voorlopig is.

De denkfout is dat men een fenomeen uit het verleden in het heden wil toepassen en denkt er door enige franjes aan toe te voegen een hedendaags begrip te hebben. Uiteraard is en blijft een canon een vaststaand gegeven, het hedendaagse is echter dat er verschillende canons naast elkaar kunnen bestaan – en dit is zo omdat de humanistische cultuur niet meer de spil is waarrond het maatschappelijk en intellectueel leven draait. De referenties zijn niet langer die uit een cultureel-rationeel-morele wereld (dat wat het humanistisch Verlichtingsideaal is) maar zijn nu gebaseerd op wat het heden is en het heden wordt vertaald als een economische werkelijkheid. (Dat men kunst en onderwijs ‘maatschappelijk relevant’ wil duiden, is een uiting van die loutere gerichtheid naar het nu : dat iets om zichzelf kan gebeuren (omwille van de interne waarde), is onvoorstelbaar geworden. Het realisme in literatuur en beeldende kunst (en dus ook het figuratieve) is vandaag een uiting van dat conservatisme.)

Advertenties