zij die niets te geven hebben

door johan_velter

curtis_perec
Het lijkt eigenaardig dat Michel Houellebecq Jean-Louis Curtis met zijn roman «Un jeune couple», boven «Les choses : une histoire des années soixante» van Georges Perec stelde (zie «La carte et le territoire», (2010)). De eerste roman verscheen in 1967 bij Julliard, de tweede bij dezelfde uitgeverij in 1968 in de reeks «Les lettres nouvelles», onder redactie van Maurice Nadeau.
Het boek van Curtis verscheen weliswaar op een traditioneel formaat maar zonder auteursnaam op de omslag (denk ik toch, ik heb hier enkel nummer 8 van de genummerde editie op 30 exemplaren) en het jaartal was gedrukt in Romeinse letters. Het boek van Perec had een langwerpig formaat, de omslag was een typografisch interessanter ontwerp en er was direct al een belofte van het nieuwe. Het lettertype is bij Perec compacter waardoor het boek zelf al verwees naar het moderne wat toen het pocketformaat was en het papier was niet zo dik als bij Curtis.
Dat boek van Perec blijft ook iets eigenaardigs houden in dat oeuvre: hij geeft hier een sociologische, bijna realistische beschrijving van de nieuwe tijd waar de dingen een eigen ontologie krijgen en de mens daarvan een verlengde is en zijn individualiteit verliest. Niet voor niets eindigt Perec zijn roman met een citaat van Karl Marx uit diens »Bemerkungen über die neue preussische Zensurinstitution« (1842). Het boek past in de sfeer van de «Nouvelle vague » – het is nog altijd doodzonde hoe en dat de Franse cultuur haar leidinggevende rol verloren is. Het zou dus normaal zijn dat Houellebecq als leerling van Comte de andere leerling apprecieert. Maar dat gebeurt juist niet: hij waardeert de psychologische roman van Curtis boven de maatschappelijk en cultureel relevantere Perec. Maar Curtis was traditioneler (het is daarom ook eigenaardig dat Perec bij Julliard publiceerde) in zijn maatschappelijke en literaire opvattingen. Wat hij met Houellebecq gemeen had was zijn volstrekte afzijdigheid van de clichés van zijn tijd – in het naoorlogse France enige bedenkingen hebben bij het verzetsverleden van de prominenten was een hachelijke zaak, ook zijn ongeloof in het communisme maakte hem niet geliefd bij de nieuwe mandarijnen en bovendien pasticheerde hij het werk van coryfeeën als Proust, Céline, Giraudoux, Léautaud, e.a. (Toch moet de ruwheid van Curtis hem ook aantrekkelijk zijn, en hem doen denken aan Jack London: «Il aurait même dû battre un peu. Sa femme. Pour montrer une bonne fois qu’il était le maître et qu’elle n’avait qu’à la boucler. C’était ça, la morale conjugale, autrefois. C’était très sain.» (Julliard, 1967, p. 162) – dit soort zinnen wordt niet vergeten.)
Waar Perec zijn jong koppel laat kennismaken met een beginnende consumptiemaatschappij en hen dan al laat ondergaan, concentreert Curtis zich op de onderlinge relatie van Gilles en Véronique die huwen, elkaar vervelen, irriteren en scheiden. Zeker, Curtis is een fijne observator, hij is subtiel en scherpzinnig maar hij is even goed blind – wat van Perec niet gezegd kan worden. Bij Curtis zit de worm in de menselijke relaties, Perec ziet iets anders gebeuren: de ‘essentie’ van de mens die buiten hem treedt en hem leidt. Het zijn de dingen, de objecten, dat wat iemand nu bepaalt, die de dans leiden – en het is een dodendans. De problematiek van het bestaan is nu een verwerven, niet een in standhouden of worden. Beide titels zijn in dit opzicht eigenlijk al duidelijk genoeg.
Zoals alle of vele jonge mensen dachten de personages van Curtis dat ze uniek waren, het beter konden dan de anderen en dat ze zich door hun liefde konden onderscheiden. Bij Perec, wiens boek «Les choses» dit jaar precies 50 jaar geleden verscheen, zijn de relaties reeds losser – natuurlijk is er liefde maar de liefde heeft niet meer de doem van de eeuwigheid en is daardoor geen onderscheidingsmogelijkheid meer – relatie na relatie is alleen maar uitputtend, niet origineel – maar daar hangen reeds de dingen voor het raam te slingeren : het is zaak die binnen te halen. Anders gezegd: het perspectief van Curtis blijft de psychologie; Perec weet al beter: de psychologie is het gevolg van een maatschappelijk gebeuren, de geest is slechts een spiegel van wat er buiten het subject gebeurt en heeft daardoor géén actieve, beginnende, creatieve rol meer te spelen. Wat nu gebeurt is nog slechts reproductie, naäperij, volgzaamheid.
Bij Curtis is er een conflict tussen man en vrouw – de vrouw wil modern zijn, de man is verstandig. Perec doet niet mee aan die achterhaalde dichotomie: bij hem is iedereen slachtoffer, terwijl iedereen denkt jager te zijn. De psychologie van de man of van de vrouw is binnen zijn context onbelangrijk, zorgt uiteraard voor een aantal venijnigheden, maar speelt slechts een rol van versiering. En bij Perec is er een dubbelzinnigheid: een veroordeling maar ook een fascinatie.
Toch heeft Houellebecq ook wel gelijk in zijn lofrede op Jean-Louis Curtis : er is een vreemde mengeling van ‘ouderwetsheid’ en ‘moderniteit’ – wat ook voor zijn eigen oeuvre en levenshouding geldt. Er is een simpele tweedeling: enerzijds het humanistisch beeld van de man en de nadruk dus op waarden, anderzijds het beeld van de vrouw als een commercieel gedrevene die enkel objecten weet te waarderen, of beter nog: geld. Samen met haar broer, Jean-Marc, is Véronique een karikatuur zoals de huidige mens die is. Er is een verschuiving van waarden: «Pourtant, une belle voiture, c’est un objet aussi intéressant qu’un beau tableau, il a autant de dignité, non ? Autant de valeur esthétique ? Les objets ménagers aussi.» (p. 101). Gilles spreekt van een «accélération de … d’une espèce de morale horrible.» (p. 103-104) – en ook dan is het uitgangspunt van Curtis een psychologische. (Gilles is lucide maar verliest: hij wil geen televisie kopen omdat dit iets is voor … gepensioneerden: de zogezegd dode cultuur ziet hoe de nieuwe cultuur lusteloos is.). Gilles repliceert op de behaagzucht van Véronique: «L’enfer […], c’est de ne pas vivre dans la vérité.» (p. 115-116). Waarheid ! Wie spreekt te midden van overvloed over waarheid ? Erasmus, ja, maar nu, in de moderniteit toch niet meer. En Curtis ziet dat het zelfs niet belangrijk is zich te amuseren maar wel om zich te conformeren – te zijn als de ander die wil zijn als jij. Het geld vervangt een menselijk tekort. De zwakte van Curtis is dat hij dit als een persoonlijk tekort ziet waar de maatschappij op inspeelt. Perec draait de zaak om: de maatschappij legt de dingen op, de mensen volgen. De sociale relaties volgen de economische structuur.
«Pourtant, oui, j’étais plein de compassion pour elle. Elle avait dit : «La vie est courte, c’est maintenant que je veux tout. » Le cri du cœur de ceux qui n’ont rien à donner.» (p. 229-230).

Advertenties