een dans van samenhangen – tonnus oosterhoff (4)

door johan_velter

astronomie_22_encyclopédie_diderot
Overvloed (als welvaart) is pas de laatste jaren een probleem geworden. Voordien was het veel immers een luxe en binnen de luxe waren cultuur en moraal mogelijk. Vandaag zien we het omgekeerde: binnen de overvloed is er geen cultuur, (zelfs geen civilisatie in de meest primaire betekenis) en geen moraal meer te bespeuren.
De overvloed wordt binnen de roman ‘Op de rok van het universum’ door Tonnus Oosterhoff geproblematiseerd. Enerzijds is er de veelheid aan vormen in de natuur en de cultuur, anderzijds is er de eenvormigheid van het geld die een raar soort veelvormigheid op de markt gebracht heeft: een vorm die moet verleiden, die behaagziek en glad is. De overvloed is nu de adem van de dood, niet langer van de fantasie die een spel speelt en naar de mens terugkeert. “’Overbevolking’ heet de wrede vorstin van de mensheid, ‘Kapitalisme’ is haar sadistische beul.’ (p. 235).
De overvloed liet ons dwalen, de rechte weg was geen weg, er was onvoorspelbaarheid, verrassing en tijdverlies. Daardoor was er de mogelijkheid om een amoreel standpunt in te nemen, om zich in de natuur en er niet naast te plaatsen (de huidige tijd plaatst zich niet boven de natuur maar staat er met de rug naartoe – vandaar de vele sentimenteel-morele oprispingen die Tonnus Oosterhoff telkens weer als waardeloos terzijde schuift). En er is het besef dat de overvloed geen waarde heeft (lucebert) maar dat wie leeft het systeem in stand houdt en niet meer buiten dit territorium kan treden. Er waait door deze roman een storm van onbehagen, woede en grondeloos pessimisme: reeds is de eindtijd aangetreden : ‘De stuwdam is gebroken, reeds kolkt het water het dal in. […] De mensheid is niet in staat haar lot te bepalen, nog veel minder dan de individuen waaruit ze bestaat, en dit is ook niet haar functie of taak. Hulpeloos overgeleverd aan driften, eigenschappen, kenmerken, dobberen wij mensen rond. De natuur wil [sic] in ons gebeurtenissen laten zien zoals de zon in de golfjes van het water wil schitteren. Wij zijn slechts dragers voor verwikkelingen, water en wind om die oogverblindende schittering mogelijk te maken.’ (p. 168).
De mensheid staat niet aan het hoofd van het universum, is niet de koning van de natuur maar het universum en de natuur zijn in de mens werkzaam. Er is een voortdurende transformatie waar het individu en de kenmerken onbelangrijk zijn: het leven leeft. De natuur is geen object, een dood ding maar een levend organisme – de memen van Richard Dawkins – waarbij er steeds een direct verband is tussen de natuurwetten en het individueel leven.
De overvloeddingen doen zich anders voor dan wat ze zijn: plastiek ziet eruit als hout, oude vrouwen kleden zich als pubers, brons wordt goud, architecten bouwen crematoria en noemen dit een bibliotheek – het cynisme van het geld. Maar ook in de natuur doen dieren zich anders voor dan ze zijn: er wordt constant bedrog gepleegd, dieren zijn dit en doen dat, ze veranderen van zijn. Tegelijk weten we dat de humanisering van het dierenrijk een eng-antropologische visie is die niet getolereerd mag worden. ‘[…], de situatie verandert steeds door jouw standpunt.’ (p. 202). In hoofdstuk 7 zitten twee vrienden in een vakantiehuisje, ze bekijken de natuur, zien en horen (o.a.) de merel (‘begint een merel majesteitelijk te orgelen.’) : “‘Wat snappen we ervan, Roel, wat snappen wij ervan? Zijn mensen de enigen die inzicht moeten verwerven of veroveren? Of maak ik nu een denkfout? Alle andere dingen [sic] in de wereld weten alles en kennen hun plaats. Ze begrijpen het ook niet, maar ze omvatten het. Ze spiegelen, ze zingen in harmonie al luisteren ze niet naar elkaar.’ […] ‘Ik wilde de chaos reduceren en vergat dat begrip en chaos naast elkaar leven.’” (p. 303). (De spiegel is een attribuut dat al eerder in het werk van Tonnus Oosterhoff een rol speelde en verwijst hier naar Richard Rorty.)
En dit wordt nogmaals geïllustreerd met de overvloed : voor een gast is een gebakje een overbodig detail, voor een mus is ‘een kruimeltje van zijn overvloed’ een levensmiddel. Niet toevallig citeert Oosterhoff de eerste regel van de tweede strofe van het gedicht ‘Der Panther’ van Rilke : er is de transformatie van het dier in poëzie en er is sprake van een kracht die door de kooi levend dood gemaakt is. Een van de mooiste passages, deze handelt over de actieve dood, is te lezen op p. 218 – een hartverscheurende tederheid – een lijdende mens helpen – en wat als dit nu ook geldt voor de hele mensheid? En weer problematiseert (dit hatelijke woord echter) Tonnus Oosterhoff deze problematiek door ook voorbeelden te geven waar de dood een opruiming is, het leven slechts een waarde bezit als er economische meerwaarde gecreëerd kan worden.
De overvloed betrekt de schrijver ook op de morele overtuigingen, op de gevoelens die sociaal niet gepast zijn (leedvermaak) maar wel degelijk een waarde en een functie hebben : binnen het geheel van de natuur vervalt de indeling in goed en kwaad. Toch blijft het standpunt van de schrijver ambivalent : leven is altijd schuldig leven. Het is deze overvloed aan ideeën en standpunten die het boek rijkelijk maakt, een onuitputtelijkheid toont.
De schrijver voegt ook zelf toe : er is uiteraard het boek zelf, maar ook de ordening, de contextualisering zijn een toevoeging aan wat reeds ten overvloede is. De nieuwe woorden die Tonnus Oosterhoff ons geeft (bijvoorbeeld ‘hartskelet’, waarbij de schrijver in het midden laat of een hersenziekte een bevrijding (een verlossing van woorden en begrippen) is of een teleurgang van het denken (het zinneloos verbinden van begrippen) of een mateloze vreugde van de fantasie ), omdat de woorden en de kunst wél een betekenis moeten hebben (en niet allen schoon, herkenbaar of interessant moeten zijn), door de ‘avia pieridum’ (p. 287) (verder) te bewandelen, voegen een nieuwe betekenis toe: de verbanden die binnen het woord gelegd worden, moeten ons anders doen zien en denken: het zijn de onvermoedbare verten. Hoe zwartgallig het boek ook is, in zijn praktijk is het hoopvol. De woorden zijn een verweer tegen de voosheid. De veelheid van de woorden zijn beschrijvingen van de veelheid van wat reeds aanwezig is in de natuur. Geen vrijblijvendheid is deze kunst, wel een strakke band met dat wat is wil ze zijn.
In een van de raadselachtige passages laat Tonnus Oosterhoff de palindroom ‘In girum imus nocte ecce et consumimur igni’ in ietwat verbasterde vorm verschijnen (‘Consumimur igni. […] In girum imus in nocte’) : we draaien in de nacht en worden door het vuur verslonden – het beeld van motten of vlinders die in de nacht door het vuur aangetrokken worden en zichzelf zo vernietigen. Het is het beeld van de mens als Prometheus – die het vuur veroverde en vernietigd wordt. Oosterhoff omringt dit palindroom echter met natuurbeelden die een eeuwige cirkel beschrijven, als van Lucretius: elk levend wezen is de voedingsbodem voor een ander leven. Maar dit palindroom verwijst ook naar de bekende film van Guy Debord – die net als het werk van Duchamp, een raadsel in een koppige opstand blijft. (En op dezelfde pagina wordt Tip Marugg vermeld – de schrijver die misschien wel een zwijgende eenheid met de natuur gevonden heeft maar er ook aan ten gronde is gegaan.) Omdat dit ook naar Debord verwijst, moeten we deze spiegeluitdrukking ook vanuit een maatschappijkritische context lezen: de waarden van de cultuur zijn andere dan die van vandaag. Er is de muziek van Bach die betekenis heeft en verder niets betekent. De vrijheid ligt in het laten zijn van de dingen.
(Arthur Schopenhauer)
Een opdracht: lezen en opnieuw lezen.

Advertenties