een dans van samenhangen – tonnus oosterhoff (3)

door johan_velter

dürer_de vier ruiters van de apocalyps

Mag de roman ‘Op de rok van het universum’ al een ethologische studie zijn, de antropologische factor heeft Tonnus Oosterhoff vanzelfsprekend en welsprekend niet verwaarloosd.

De titel verwijst (zoals de tekst op de rugzijde van het boek vermeldt) naar Lucebert en wel naar zijn vroeg, bekend en door o.a. C. Buddingh’ verklaard gedicht ‘ik tracht op poëtische wijze’ met de versregels (waar ‘zij’ de schoonheid is, het gaat immers ook om ‘schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’) : ‘maar de mens verschrikt zij / en treft hem met het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum’. Ook Tonnus Oosterhoff wil ‘het volledig leven’ tot uitdrukking brengen, ook bij hem gaat het om de schoonheid (dus de vorm) die problematisch geworden is, ook hij verbindt goed en kwaad met elkaar als bestaande én evidente elementen (zoals ik vandaag verneem dat Helmut Schmidt én André Glucksmann gestorven zijn), ook hij heeft als werkmateriaal de taal die moet zingen en struikelen. (En misschien kunnen we met de regels ‘ware ik geen mens geweest / gelijk aan menigte mensen / maar ware ik die ik was /’ uit dit gedicht ook een link leggen naar de bundel ‘Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen’ en zo ongeloofwaardig is dit niet, Oosterhoff heeft in deze bundel een gedicht opgenomen met de titel ‘De stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg’ dat een direct citaat is uit ditzelfde gedicht.) Maar anders dan Lucebert, waar je toch steeds de metafysische galm hoort, is bij Oosterhoff de broodkruimel (die hij inderdaad weggelaten heeft) ook niet zo negatief bedoeld. Het is geen nietzscheaanse afrekening met de mens: het subject bestaat wel degelijk nog maar wordt terug in de natuur geplaatst – ook al beschikt hij over meer intelligentie dan de dieren maar dat is dan ook het enige wat hem van de dierenwereld onderscheidt.

Het motto van het boek is een citaat van Jean Cocteau uit ‘La belle et la bête’, ook hier de combinatie/confrontatie van mens en dier. Cocteau citeren is gewaagd omdat hij in de literatuur en in de wereld van de beeldende kunst niet helemaal ernstig genomen wordt: een navolger, een meeloper, een maniërist. Het citaat illustreert hoe de mens het beheersingsinstrumentarium wil hanteren en hoe het beest zich moede nederlegt: ‘[..;], mais les pauvres bêtes qui veulent prouver leur amour [,] ne savent que se coucher par terre et mourir.’ Hier wordt het dier aangepord als een mens te handelen, een strijdende leeuw, een vechtlustige arend te zijn. Hij wordt uitgedaagd met uitgesproken morele termen (schaamte, lafheid) en reageert met uitgesproken menselijke daden (prouver, savoir, se coucher) die een tegenwaardse richting opgaan, die van de terugtrekking. Er is hulpeloosheid, verschrikking en verlatenheid. Als de mens zijn ketens verbrandt, is de apocalyps nabij.

Nanja Toebak heeft een meesterlijk omslagontwerp gemaakt.

De anekdotes volgen elkaar op, staan los van elkaar en daarmee lijkt het bestaan een lege luchtbel te zijn : er is immers geen samenhang, geen chronologie, geen oorzaak-gevolg, geen ‘want’,  ‘omdat’ of ‘zodat’. Maar dit is slechts een oppervlakkige lezing – de gemakzucht van de Franse filosofen – want de eenheid, de samenhang is er wel op het niveau van de structuren. De gebeurtenissen zijn ‘slechts’ kersen op die stevige spanten. De sluier moet weggetrokken worden om het ‘heelal’ te kunnen zien en dan valt uiteraard ook elke modieusheid weg en verovert men de gelijkmoedigheid van het scepticisme.

Tussen de ‘waargebeurde’ anekdotes – maar er is een mix van waar, mythe, verzinsel, en bijna-waarheid – schuift Oosterhoff er ook literaire verwijzingen tussen waardoor de ‘zekere’ kennis onder druk komt te staan: als het echt gebeurd is, is dat dan een bewijs en is een ‘verzinsel’ dan geen bewijs? Wat is de status van wetenschap, van kunst, van fantasie? En als allerlei literaire werken tot meesterwerk worden uitgeroepen omdat ze slib en slib van interpretatie met zich meesleuren, geldt dit dan ook niet voor ‘ware feiten’? ‘Ware grootte’.

Het begrip overvloed wordt in het boek geproblematiseerd. Er is de overvloed die in het boek aanwezig is en verwijst naar de veelvormigheid van de natuurlijke en artistieke (menselijke) wereld. Maar er is ook de overvloed aan dingen die in de consumptiewereld opgedrongen wordt en om zich (valselijk) te onderscheiden van andere overbodigheden zich onder de vreemdste vormen voordoet. Deze overvloed is een aberratie van het oorspronkelijke begrip. Met plezier begeeft Oosterhoff zich in de wondere wereld van de seksualiteit, niet alleen omwille van het plezier (d.i. de waarneming, de opneming, de verwering, het weten) maar ook om de relatie tussen dier en mens op scherp te zetten – het is precies in de seksualiteit dat de moraal mag opgeheven worden, dat de vorm ontvormt.

Het verhaal van Daphne die in een laurierboom verandert, vinden we op p. 99-100 (Ovidius, Metamorphosen, I, 452 e.v.) maar hier in een latere fase: de groei gaat verder, de verhalen breiden zich uit, de overvloed voedt zichzelf. Daarna volgen twee seksfeiten en komt de spinozeaanse zin : ‘Door middel van het leven kan de natuur bij zichzelf naar binnen kijken.’ Op p. 102 is er nogmaals een verwijzing naar Ovidius (het berenjong, op p. 110 zal Tonnus Oosterhoff dit beeld toepassen op de schrijver die zijn boeken likt, d.i. vorm geeft), dan valt de naam Einstein en op p. 108 worden Rem Koolhaas en Erwin Olaf als pretentieuze snotneuzen, maar in werkelijkheid slaven van het kapitaal, aan de oren getrokken (‘hun dienst aan de kapitalisten’, p. 108). Koolhaas kan bekend staan om zijn innovatieve vormen, Olaf om zijn gedrochten – de loutere veelvormigheid of werken met de vorm is voor Oosterhoff niet noodzakelijk een positief gegeven: de dingen die beiden maken zijn slecht – in poundiaanse zin. (Tonnus Oosterhoff werd ooit gevraagd om een bibliofiele uitgave te maken waarin een foto van Erwin Olaf zou opgenomen worden waardoor de prijs van het boek exorbitant hoogmoedig zou kunnen worden – het is evident dat de schrijver dit afgewezen heeft : een schrijver heeft moraal.) Oosterhoff stelt de literatuur tegenover de architectuur – de moraal (als natuurvorm in de achttiende-eeuwse betekenis) tegen de vrijblijvendheid in dienst van het geld : ‘De literatuur, dat is de droom van de architectuur. Zij is tegenarchitectuur, wijst naar een oneindige ruimte, de kunst van het wijzen.’ (p. 108) – en natuurlijk moeten we denken aan het gedicht ‘Interview’ van Hugo Claus. Maar er zijn ook verwijzingen naar Cor Vaandrager, de mythische Rotterdammer, die een nieuwe realiteit in de literatuur binnenbracht.

Het gaat steeds om materie-geest, het filosofische ‘mind body-problem’ – ‘Zoals zijn lichaam door het slijm desintegreert, valt zijn geest uiteen in ontzetting.’ (p. 141). Er zijn de literaire verhalen (‘Stoner’, ‘King Lear’), er is de tragiek van Romy Schneider en Alain Delon, er zijn filmverwijzingen.

Tonnus Oosterhoff schroomt er zich ook niet voor om zichzelf (met naam, met verwijzingen) in de roman te plaatsen en commentaar te leveren op wat hier gebeurt. ‘Personages worden door de schrijver als een pijpenrager door de tijd getrokken. Opdat de rook van zijn historie vrij door de kanalen wolken kan. Wat een ambitie! Worden we door de tijd waarin we leven gevormd? Vervormd? Misvormd?’ (p. 79). De roman is in haar bestaan als roman een verdediging van de literatuur én van de levensvorm die deze met zich meebrengt – iets wat in deze tijd van eenvormigen niet meer getolereerd wordt.

En op pagina 149 staat ‘Wij zijn deel van overvloed.’

 

Advertenties