een dans van samenhangen – tonnus oosterhoff (2)

door johan_velter

tonnus oosterhoff_op de rok van het universum_2

Hoe ongewoon ‘Op de rok van het universum’ ook moge zijn, wat Tonnus Oosterhoff doet is wat wetenschap, mythen en andere systemen doen. Het verzamelen van materiaal om een levensvisie en een wereldbeschouwing te construeren. De schrijver geeft ons een amalgaam van anekdotes uit het dierenleven – en iedereen zal wel verhalen herkennen van het internet, ‘National Geographic’-afleveringen, boeken, tijdschriften, broodje aap – en daartussen verweeft hij op een ingenieuze manier het leven van Roelof de Koning, een dierenarts wiens voornaam niet toevallig verwijst naar de Nederlandse ziener, magiër, profeet en albeschouwer Jozef Rulof, een omkering zoals het in dit boek zo vele keren gebeurt – maar die massa gegevens verwordt door de onsentimentele, biologische blik van de schrijver niet tot een tranerig natuurboek of een Lassie-verhaal maar wordt door de veelheid gestructureerd tot een geheel en deze visie wordt door de schrijver strak geregisseerd door de keuzes die hij maakt én de omkadering die hij de gebeurtenissen oplegt. Enerzijds schetst Tonnus Oosterhoff een wereld die in zijn veelheid fascineert en anderzijds beschrijft hij hoe de mens daarop inspeelt met zijn gedachten, illusies en daden. Nergens wordt dit een metafysisch tranerig godsdienstig verhaaltje, Oosterhoff blijft op de grond – hoogstens kruipt hij eens op zijn dak. Daarop keert de beweging zich weer, want het is vanuit die visie dat hij de dieren- en mensenwereld bekijkt en in een aantal gevallen veroordeelt. Er zijn passages waar je de (terechte) kwaadheid van de schrijver haast lijfelijk voelt – het is die kant die Wim de Bie vroeger ook al in het werk van Tonnus Oosterhoff kon herkennen – alhoewel het boek juist de roerloosheid, de onaangedaanheid als ideale levenshouding aanprijst. ‘Het heelal heeft de vorm van onverschillig opgehaalde schouders.’ (p. 293), hiermee lijkt de schrijver de traditionele filosofie te volgen: het grote herhaalt zich in het kleine, wie de natuurwetten kent, kan die volgen en wordt zo volledig mens.

Het boek bespeelt op een intelligente manier de gevoelens van de lezer: van genoegdoening over melancholie naar misantropie. Maar het appelleert ook aan de mislukking. Het boek is opgebouwd uit vele anekdotes die na elkaar geplaatst worden, sommige worden herhaald in een andere context waardoor de anekdote ook zelf verandert. De verhalen zijn kort, één, hooguit enkele alinea’s maar zijn bijzonder goed geschreven – Oosterhoff is een vakman – en wie een gebeurtenis wil navertellen, weet hoe moeilijk het is om vanuit verschillende perspectieven een gebeurtenis te laten zien. Een roman is, net zoals een kunstwerk, een roddelverhaal, een vertelde gebeurtenis, een representatie van een (de) werkelijkheid: het is met dit materiaal dat men aan de slag gaat, er is dus een relatie tussen werkelijkheid (buiten) en binnen (het anticiperen) maar het eigenaardige is nu dat dit niet meer mogelijk is tussen de roman en de interpretatie ervan, de duiding, het navertellen. Dan plots breekt de band en zweeft de roman daar als een vreemd ding in het universum, een planeet waarover niets gezegd kan worden. En toch is wat beschreven wordt, ons nabij en herkenbaar – ook zelfs voor een deel universeel herkenbaar.

De roman is onderverdeeld in 9 ‘hoofdstukken’. Men kan pogen om in elk hoofdstuk een uitgewerkt thema te vinden maar de schrijver zelf verschuift de inhouden en de indeling, het is geen handboek. Zo is hoofdstuk 7 weliswaar ‘Rossig buikkussen’ getiteld maar dit woordenpaar komt in hoofdstuk 8 voor (p. 392). Het boek is een puzzel dat niet sluitend gemaakt hoeft te worden om te imponeren, zelfs niet om te begrijpen – want ondanks alles wat hier gezegd wordt: dit is een roman, een esthetisch ding.

Het eerste hoofdstuk is ‘De wrede ezel’ getiteld en herinnert aan ‘De gouden ezel’ van Apuleius – beide mogelijkheden zijn immers niet mogelijk: in het dierenrijk is er geen moraal – enkel natuur – en een gouden ezel is een niet-bestaande natuurvorm, kan enkel door mensenhand gemaakt worden. Maar de moraal speelt wel degelijk een rol: als de mens een element is in het dierenrijk dat op hetzelfde niveau staat als de andere diersoorten, waarom heeft hij dan wel moraal en de dieren niet? De verhalen die Oosterhoff geselecteerd heeft tonen immers aan dat ook dieren (uiteraard) een moraal hebben: ze zorgen voor elkaar of ze verorberen elkaar. In dit hoofdstuk worden we in de wereld van de schrijver geïntroduceerd, zoals zijn hoofdfiguur in de seksualiteit geïnitieerd wordt. Hoofdstuk 2, ‘Rode vlekken’, toont hoe de mens de natuur wil bedwingen en daardoor zelf in de problemen geraakt – de roman toont hoe het Westen beheersingstechnieken gebruikt en daardoor ingaat tégen de natuur. Maar ook de hoofdpersoon verovert de wereld : hij doet dit door boeken te lezen. De roman is genuanceerd, toont alle zijden van de problematiek en zwaait niet met vlaggen – tenzij als het (terecht) over een miskleun als Rem Koolhaas gaat, of als BMW-chauffeurs gekapitteld worden. Hoofdstuk 3 is getiteld ‘Roken als Einstein’ terwijl de taal ‘Roken als een Turk’ verwacht of de kennis ‘Denken als Einstein’ en behandelt (o.a.) de stimulerende middelen maar gaat ook verder met dromen, fantasie als middelen om de wereld te vatten (en denken is beheersen – Oosterhoff kent zijn klassiekers). Toch is ook deze vorm van kennis een dor weten. Hoofdstuk 4 is getiteld ‘Waarnemer’ en toont nu de waarneming als bron van kennis (waarneming ook als beleving – het seksueel beleven). Tegelijkertijd is dit standpunt ook dat van de wetenschapper en de kunstenaar – beiden staan buiten het gewoel en observeren – zij hoeven niet deel te nemen om te weten. ‘Overbodig en schadelijk’ is het volgende deel waarin er een anti-antropocentrisch standpunt wordt ingenomen dat gevaarlijk overhelt naar misantropie. Maar tegelijkertijd is er ook een Spinoza-inzicht ‘Zonder blijdschap kun je de waarheid niet naderbij komen, het is een vuurwerende laag.’ (p. 211). Uiteraard wordt de status van de intelligentie in vraag gesteld en worden de pseudo-vormen bekritiseerd – iets wat in het hele boek regelmatig terugkeert: de onnozele, inventieve kitsch. Hoofdstuk 6 heet ‘Voor de vorm’ en is misschien wel het belangrijkste thema van het boek. Zoals de ‘Metamorphosen’ van Ovidius in de culturele fantasie een rol speelden, zo zijn de dingen in een andere vorm in onze tijd gedeformeerd tot onnozelheden. De fantasie, het speelse, is een consumptie-artikel geworden dat slechts de laagheid en de platvloersheid van de huidige mens weerspiegeld: het kunstmatig oud doen worden van aardewerk, is daar maar één voorbeeld van. Een mooie passage is waar Oosterhoff (en later zal hij dit op cynische manier herhalen wanneer hij over een soort mensen spreekt) schrijft over het berenjong dat door de beer in vorm gelikt moet worden (p. 102) en dat verwijst naar Ovidius (XV, 379-381). Dit verwijst ook naar het werk van Oosterhoff zelf (die overigens in dit boek als personage optreedt, net zoals dat vroeger ook in zijn poëzie gebeurde: het op de helling zetten van de eenvormige relatie tussen werkelijkheid en representatie) waarvan de critici soms zeiden dat hij de onaffe vorm als eindresultaat wilde zien en dat dit juist het kenmerkende van Oosterhoff is. Door over de vorm te spreken geeft hij zijn critici lik (!) op stuk: het gaat bij hem wel degelijk om een vorm, weliswaar een nieuwe vorm, maar die is niet onaf. De gedichten die hij de wereld instuurt tonen de vorm die door de dichter gewenst is – wat hij wel wil duidelijk maken is dat de interpretatie en het denken van de huidige mens niet meer in vastomlijnde schema’s kunnen gebeuren. De schrijver maakt hier duidelijk dat dit niet zo is: de vorm die uiteindelijk gekozen wordt, is de definitieve vorm én is ‘af’ – wat Oosterhoff wel toont is het proces waarmee hij het tijdselement in zijn werk introduceert. We lezen ook een kritiek op de museumkunst én op de kitsch : wat is de vorm als ze nietszeggend is. Als de representatiewoorden leeg zijn, is het kunstwerk dat dan ook? Hoofdstuk 7, ‘Rossig buikkussen’, neemt de tijd in dit schrijversuniversum op en dus ook de dood. Kunst wordt voorgesteld als een parallelle wereld, als een tegengewicht. Er is sprake van een seculiere mystiek, in de plaats van het willen begrijpen en beheersen, een opgaan in de wereld, een zich laten gaan, een superieure onverschilligheid en aanvaarding van wat is (dus ook het kwaad, dus ook de vele vormen en mogelijkheden) om daarmee een vrijheid van geest en handelen te veroveren (!). Hoofdstuk 8, ‘Balseming’, is dan de gestolde vorm, wat af is en dat is ook het leven. Hier lezen we vele variaties op ‘De tuinman en de dood’: het sterven behoort tot het leven, is in het leven – niet als een doem, wel als een werkelijkheid – en ook hier weer: als een vrijheid. Als iemand vandaag de dag in de kunst de vrijheid op een niet-pamflettaire manier in zijn denken en handelen onderbrengt, dan is het wel Tonnus Oosterhoff. Zo is ook het boek als eindresultaat, een balseming van het leven (niet een vernietiging). Het laatste hoofdstuk, ‘Wees’, bestaat slechts uit 1 alinea, voorafgegaan door een opmerking van de schrijver zelf : ‘Voor één anekdote kon ik geen goede plaats vinden ; geen van de hoofdstukken wilde zich voor de regels openen. Toch is hij te belangrijk om achterwege te laten.’ – volgt een wreed verhaal. Wat Oosterhoff hier neerschrijft is belangrijk: 1. het gaat wel degelijk om een vorm die geconstrueerd en bedoeld is, 2. toch is de maker onderworpen aan het gemaakte die eigen wetten stelt en 3. het schrijven heeft zin. Dit laatste hoofdstuk is ook daarom bijzonder mooi omdat het zogezegd niet tot de afgeronde vorm (het geheel van de hoofdstukken) behoort maar door het op te nemen, zelfs helemaal achteraan en zoals de kauwgom van Marlon Brando, behoort ook dit tot het boek, dat een geheel is. ‘Wees’ is als het elementaire deeltje, een partikel, dat vrij rondzweeft en geen plaats vindt. Het ding is belangrijk genoeg om opgenomen te worden én doordat het opgenomen is wordt het een onderdeel van de verklaring van het boek, dat zelf geen louter verklarend model wil zijn.

In ‘Op de rok van het universum’ botst en klinkt het ongehoord.

Advertenties