nonkel georges vertelt

door johan_velter

Een biograaf die naar eigen zeggen eigenlijk geen interesse heeft in de biografie, een auteur die zijn levensfeiten wilde verdoezelen maar tegelijkertijd ze ook bekendmaakte en verklaarde, een lezer die geen biografie wil lezen (een leven krijgt pas betekenis als het maatschappelijk gezien wordt). Ik had gedacht van Georges Wildemeersch een analytische biografie te kunnen lezen maar het heeft niet mogen zijn. Het boek is uitgegeven bij uitgeverij Brandende Stad, de vormgeving is, zoals steeds bij Gert Dooreman (hier ‘Dooreman & Dams’), van een barnumachtige Cyriel Verschaeve-bombast, dat dan ook een invloed heeft op de inhoud (de uitgever schrijft dat dit een ‘baanbrekende biografie’ is – mogen de lezers nog zelf beslissen?, ook eigen lof uit Petit Anvers stinkt, of moeten we spreken van de Kalmthoutse woestijn?), met flauwiteiten als ‘Onder/dompeling in het /surrealisme’ (p. 225), het boek wordt opgeblazen met niet altijd relevant fotomateriaal, de letter is groot (barnum), de marges breed, het boek is vlot geschreven en kan niet zelfstandig openliggen.

‘Hugo Claus : de jonge jaren’ van Georges Wildemeersch wil de jonge jaren van Hugo Claus behandelen maar doet dit op een eigenaardige manier. Het boek gaat vooral over de auteur Hugo Claus, het kind wordt wat verwaarloosd. Mij niet gelaten – we gaan er van uit dat de gekende feiten de feiten zijn, maar als biograaf zou ik daar toch niet zeker van zijn – maar waarom moest het boek dan openen met de onnozele historie rond ‘het eerste gedicht’ van Hugo Claus, niet alleen onnozel maar ook wansmakelijk.

Door zijn biografie daarmee te openen hecht Wildemeersch onrechtmatig veel belang aan dit gedicht maar ondanks dat belang is de ‘status’ van deze tekst niet opgehelderd. Hij toont wel aan dat dit gedicht een vertaling is van een Duits vers maar is het aannemelijk dat Claus dit gedicht zelf vertaald heeft uit het Duits? Heeft hij dit gedicht als een eigen gedicht aan zijn vriendin gegeven? Is er tussen het Duits en het Nederlands een tussenvertaling of een tussenpersoon geweest? Deze vragen (net zoals dat van het handschrift zélf: was dit de pen van een dertienjarige jongen?) zijn des te pregnanter omdat Wildemeersch nergens aantoont dat Claus een wonderkind was – en we weten toch dat Claus, net zoals alle andere vertalers, wel eens verkeerd vertaalde, wat hij met dit gedicht dan ook deed maar toch een aantal vrijheden nam die misschien wel vroeg zijn voor een kind van dertien jaar. Bovendien wordt deze kleine Claus als dé Hugo Claus voorgesteld – terwijl een biograaf het kind beter het kind kan laten. Op het moment van de gift was Claus uiteraard al in literatuur geïnteresseerd – net zoals alle kinderen uit de middenklasse toen – maar was de toekomst voor hem duister. Erger is dat Wildemeersch in dit voorval wél de latere Claus wil zien.

De biografie levert een reductionistische visie op het oeuvre van Hugo Claus: door alles te herleiden naar het persoonlijke leven, wordt de intellectuele weg die Claus gegaan is verwaarloosd. Uiteraard hecht Wildemeersch veel belang aan de Oedipusmythe, met deze visie heeft hij zijn entree in de academische wereld gemaakt en Claus heeft dit verschillende malen ‘bevestigd’, toch is dit een al te beperkte en beperkende visie. Interessanter is het inzicht dat Claus op een zeker moment deze mythe als een maniërist in zijn oeuvre begon te verwerken en dat hij door dit te tonen iets anders wilde zeggen. Van de oorlogsjaren en jonge jaren schakelt Wildemeersch moeiteloos over naar het latere oeuvre (i.c. ‘Het verdriet van België’) wanneer hij schrijft dat het autobiografische verhaal ‘De patisserie’ uit 1957 een ‘blauwdruk is’ van ‘Het verdriet …’ en dat ‘de zoon […] zich geen raad [weet] met zijn huizenhoge, onbeantwoorde liefde voor de moeder die zich met Duitse mannen geeft.’ (p. 24) terwijl niet zozeer die ‘onbeantwoorde liefde’ belangrijk is maar wel de morele afwijzing van een leven dat geen verantwoordelijkheid wilde opnemen.

Meer dan verwarrend is het gebruik van het woord ‘blijkbaar’ dat bij Wildemeersch al te veel voorkomt : een combinatie van zekerheid en ‘aanname’. Als de biograaf op p. 54 schrijft ‘Blijkbaar behoorde het tot Claus’ opzet de mythe van de held onder de loep te nemen.’ dan wordt dit geschreven in de betekenis van ‘we kunnen dit veronderstellen’ maar op p. 55 is Wildemeersch zelf al overtuigd als hij schrijft dat “ ‘De verwondering’ is een verdere stap in Claus’ onderzoek van het fenomeen van de held.” en dat op de voorgaande pagina ook het opzet om Zannekin met Joris Van Severen te vergelijken als ‘blijkbaar’ begrepen moet worden.

Pijnlijk en zelfs zeer gênant is het wanneer Wildemeersch uit de liefdesbrieven van zowel Claus als zijn vrouwen citeert – mocht de deontologie van de biograaf er maar in bestaan nooit uit liefdesbrieven te citeren – een genre waar noch de schrijver noch de geadresseerde op hun best zijn. En de histories hieromtrent (en vooral hoe ze beschreven worden) doen begrijpen waarom Wildemeersch nu pas zijn biografie uitgeeft: ook de vrouwen moesten ‘blijkbaar’ eerst gestorven zijn.

De Oedipusmythe wordt door Wildemeersch ‘hét boegbeeld van Claus’ oeuvre’ (p. 230) genoemd. Maar er komen nog andere thema’s voorbij. De wraak (p. 120), de haat (p. 232), de moeder als ‘de meest dominante figuur’ (p. 233) (wat slechts voor een deel van het oeuvre geldt). Het is dit laatste, de onderwerping aan de moeder, die voor Wildemeersch het belangrijkste is en blijft.

Zo tracht Wildemeersch aan te tonen dat de Zannekin-mythe/historie door het oeuvre van Claus gewaard heeft, zonder dat die ooit tot ontplooiing gekomen is maar niet wordt duidelijk gemaakt waarom dit zo zou zijn en wat daarvan de betekenis is. Wat was er speciaal aan deze mythe dat die niet tot ontbolstering kwam? Of is dit wel gebeurd maar dan door een transformatie in Tijl Uilenspiegel?

Ondanks de hier geschreven kritiek draagt Wildemeersch in deze roman veel feiten aan, voordeel is dat verspreide publicaties nu samengebracht worden ; nadeel is dat er een eenzijdig beeld ontstaat – een beeld dat eigenlijk verder borduurt op ‘De wolken’ – ook niet de meest integere verzameling documenten.

Te weinig aandacht wordt dan ook gegeven aan de intellectuele en esthetische invloeden op Hugo Claus – want die zijn interessanter dan wat Wildemeersch met zijn biografische benadering kan geven. De hele controverse rond Verdegem is daarvan een symptoom en Claus benaderde hem negatiever dan Wildemeersch ons wil doen geloven. Het Gentse ‘modernisme’ was immers even oudbakken, oubollig en provincialistisch als de nationalistische literatuur van Willem Putman c.s. Claus heeft dit gezien – maar hij is de schilders ook wel trouw gebleven in de idee van het kunstenaarschap, dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd in de passage in ‘Het verdriet van België’ wanneer Louis Seynaeve tekenles krijgt en hij een cactus moet tekenen – de hele scène is opgebouwd als een echo van een artikel van Claus over Roger Raveel, zie p. 133 in deze biografie. De ambivalentie van een jongen uit de periferie is met dit boek niet uit de verf gekomen. Ook is niet duidelijk geworden in hoeverre het surrealisme met de esthetische voorkeuren van Claus te rijmen zijn, in hoeverre Claus in het surrealisme eerder een rechtvaardiging voor een levenshouding vond dan een hechte vorm en blijft Wildemeersch in het ongewisse over André Goeminne en zijn toch niet zo kleine vrouw.

De verschuivingstechniek van Claus wordt op p. 325 aangetoond, Wildemeersch blijft dit echter op een biografische manier interpreteren (‘verdoezeld’) en de kleine, onopvallende zin ‘Wellicht speelden daarbij ook artistieke overwegingen een rol.’ is een levensgrote ontkenning van het kunstenaarschap van Claus.

Deze verschuiving is zelfs op seksueel gebied te zien. Wat Wildemeersch op p. 337 beschrijft, is natuurlijk de gekende topos in de erotische literatuur van de omgekeerde homoseksualiteit.

Door de biografische component van dit oeuvre zo te beklemtonen, komt er een foutief beeld naar voor, een beeld dat Wildemeersch ook bewust in zijn boek gelegd heeft: Hugo Claus als de wrekende schrijver. De biograaf noemt bijvoorbeeld ‘Het verdriet van België’ het boek van de wraak, (‘[…] staat helemaal in het teken van de wraak, de ‘Rache’, en daarvan kan iedereen het slachtoffer worden die hem kwetst, […],’ (p. 120)) maar ontkent daarmee de andere facetten én de literaire »Werdegang« van Claus. Het is net alsof Claus alleen maar boeken schreef om wraak te nemen – en ik zal niet ontkennen dat dit niet gebeurd is, want zoals elke schrijver nam Claus elementen op die zijn leven gekenmerkt hebben.

Symptomatisch voor de verwaarlozing van het intellectueel-rationele is bijvoorbeeld de figuur van René Daumal, waarvan Claus zei ‘Ongelooflijk hoe verwant hij mij is.’ (en Wildemeersch neemt deze uitspraak zelfs als titel van het derde hoofdstuk over) maar wat die nabijheid dan betekent blijft duister en Daumal verdwijnt in het donker. Maar ook de Oostendse periode met Henri Vandeputte blijft te veel in het duister. In het boek wordt de passage afgedrukt waar Claus (overigens samen met Raymond Brulez) in de Corman-boekhandel afgebeeld staat – wie gaf de opdracht aan Labisse om Claus op jonge leeftijd tussen de groten te plaatsen en wat was de relatie tussen Corman/Labisse en Vandeputte/Claus?

Het notenapparaat en het bronnenmateriaal zijn nogal slordig opgesteld, het register kent een aparte logica – wel positief is dat de titels van de werken opgenomen zijn. Op p. 55 wordt bijvoorbeeld verwezen naar noot 91, het gaat over het boek ‘The hero with a thousand faces’ van Joseph Campbell dat Claus in zijn bibliotheek had en in de noot staat dan ‘Campbell 1956’, van een ‘loop’ gesproken. Ook de status van de ‘mappen van Claus’ blijft in het ongewisse : ‘Feitenmateriaal’?. We weten dat Claus het niet al te nauw nam met de juiste spellingwijze van de woorden maar het is iets te kort door de bocht als Claus het wél juist schrijft maar dat in de broodtekst dit fout gespeld wordt (p. 228 en 229).

Het laatste hoofdstuk is onvoldragen, het boek eindigt abrupt.

Advertenties