danaë in dordrecht

door johan_velter

c. buddingh'_peter mokveld_ongeveer 1975

De biografie door Wim Huijser over C. Buddingh’ (‘Dichter bij Dordt : biografie van C. Buddingh’, Nijgh & Van Ditmar, 2015) is het omgekeerde van de biografie van Raymond Brulez door Joris Van Parys. Hier een opeenstapeling van details en feitjes die grotendeels nietszeggend zijn, geen klare tekening van het tijdskader, geen situering van de personages, geen structurering van het materiaal. Je hebt op het einde van de biografie wel een duidelijker beeld van Buddingh’ maar daar heeft de biograaf niet zo’n verdienste aan – ja, dit kan. Duidelijker is de zwarte kant van Buddingh’ geworden: zijn depressies, zijn angsten, zijn alcoholisme, zijn eenzaamheid. Zijn grote belang voor ‘Poetry International’, de popularisering van een bepaald soort poëzie – het verwijt dat hij de poëzie achterwaarts gesteund heeft, is ook wel terecht.
Buddingh’ heeft zijn hoogtepunten gekend: de jaren van de televisie, de vele poëzie-optredens, het succes van zijn boeken. Tegelijkertijd is zijn oeuvre nooit ongecontesteerd geweest. Hij behoorde tot geen enkele groep (hij viel tussen de generaties: geen Vijftiger, geen Zestiger, geen Barbarberredacteur, geen nieuw-realisme. De poëzie van Buddingh’, de parlandostijl, de anekdotiek, de huiselijkheid, was zeer Hollands en verveelde dus ook rap. Hij had voor zichzelf een eigen cocon geschapen, die terugtrekking werd niet aanvaard. Het bereik van zijn literatuur was te klein, de huiskamer, en de vele goede boeken die hij las (en waarvan hij soms verslag deed in zijn dagboeken) werden niet genoeg als voorbeeld genomen of als mogelijkheid om het bereik te verbreden.
Toen W.F. Hermans C. Buddingh’ frontaal aanviel, bleef iedereen stil, er was niemand die in de bres sprong voor de dichter. Ook zijn eigen uitgeverij niet – Hermans was een goudhaantje, die mocht niet voor het hoofd gestoten worden, weer is het opvallend dat deze biografie niet bij ‘De Bezige Bij’, toch de belangrijkste uitgeverij van Buddingh’ geweest, verschijnt. Dat een biograaf het gevoel van zieligheid opwekt, is gênant.
P. 34: Huijser vermeldt dat Buddingh’ ‘Transition’ las, het ‘experimentele tijdschrift’, daarmee moet de lezer het doen. Daarna volgt dat Buddingh’ gedichten ‘à la Eugene Jolas’ schreef – dat de laatste hoofdredacteur en stichter van het tijdschrift was, moet de lezer maar weten. Wat écht interessant zou zijn, vermeldt Huijser niet: welke nummers heeft Buddingh’ gelezen, want als het de ‘Nederlandse’ zijn dan is dit minder verbazingwekkend dan als het de ‘Parijse’ nummers waren? Een gedeeltelijke aanvulling volgt dan echter op p. 37 waar Buddigh’ en Bosman discussieerden over “Picasso en de experimentele dichter Eugene Jolas, oprichter en uitgever van het avant-gardetijdschrift ‘Transition’.” Maar wat het belang van Jolas was en wat het verband met het oeuvre van Buddingh’ is, nee, dat vertelt de biograaf niet – wat het belang van het vermelden dan ook relativeert.
Er worden details gegeven die niet uitgewerkt worden en dus de functie van dode mussen en witte paters hebben: ‘Hussem hoopte ook dat ze elkaar in het nieuwe jaar weer eens zouden spreken.’ (p. 41).
Misschien was het tijdschrift ‘De schone zakdoek’ één van de hoogtepunten van Buddingh’: veel te weinig aandacht wordt hieraan besteed, noch inhoudelijk, noch organisatorisch.
Soms lees je een biografie om een detail ergens anders ingevuld te krijgen. Op p. 57 lezen we dat Pierre H. Dubois zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aangemeld had voor de Kultuurkamer. (Ook Buddingh’ had dit in zijn naïviteit gedaan.)
Hoofdstuk 8 begint met de dichtbundel van Buddingh’ uit 1957, getiteld ‘Lateraal’. Huijser volgt klakkeloos de dichter : “Ook de titel van de bundel kwam de dichter niet aanwaaien; hij moest er lang over nadenken. Uiteindelijk pakte hij het woordenboek, sloeg het open en legde blindelings zijn vingers bij het woord : ‘lateraal’.” Dat de eerste zin, de tweede tegenspreekt is blijkbaar geen punt. Dat Buddingh’ hetzelfde verhaaltje vertelt als de dadaïsten, is voor Huijser geen vermelding waard en dat lateraal en atonaal nogal dicht bij elkaar liggen, heeft de biograaf ook niet gezien.
Raadselachtige zinnen: ‘Zonder dat hij het op dat moment besefte, vond Buddingh’ in Punt 31 de sleutel tot zijn latere succes.’ (p. 113). Maar de biograaf houdt de sleutel en het succes liever verborgen.
Oeverloos somt de biograaf de activiteiten van Buddingh’ op en toch vermeldt hij op sommige plaatsen zelfs niet noodzakelijke informatie. Zo bijvoorbeeld op p. 133-134: ‘[…] de ‘pocketstaking’, waarbij een groot aantal schrijvers vanwege de te lage royalty’s geen toestemming meer gaf om in pocketreeksen te worden opgenomen.” Welke schrijvers, voor welke uitgeverijen gold dit, wat was het resultaat, hoe lang duurde die staking? En had de biograaf dan nog een bron opgegeven, dan zou een geïnteresseerde lezer wel zelf het werk doen, maar nee, ook dat laat de biograaf na. Of : ‘Inmiddels verschenen zijn boeken bij maar liefst vier grote uitgevers. Ook bij een vijfde had hij een project in de steigers staan, terwijl andere naar zijn medewerking lonkten.’ (p. 171): welke uitgevers? Welk project? Welke steigers? Pagina 216: ‘Waarschijnlijk [sic] aangezet door het lezen van Franse dichters, […].’: welke Franse dichters – de keus is immers nogal breed? Frustrerend is ook hoe Huijser over de bibliofiele uitgaven van Buddingh’ spreekt (enfin, zijdelings) maar nooit concreet wordt: welke titels, welke uitgeverij, hoe zijn de contacten geweest, enz? Er wordt geleuterd maar niet gesproken.
Iets te veel veronderstelt de biograaf: ‘Het is goed voorstelbaar dat […].’ (p. 136); ‘Niemand die het meer kan vertellen, maar het is goed voorstelbaar dat […].’ (p. 156)
De vermoeiende stijl: ‘Op een vroege vrijdagavond – hij had eerst wat zitten lezen in ‘Collected Poems’ van Theodore Roethke en daarna onder het genot van een paar glazen whisky geluisterd naar platen van The Fugs en The Mothers of invention – regende het ineens dichtregels in zijn hoofd, maar wel totaal anders dan waar hij op bedacht was.’ De dichter als Danaë.

Advertenties