heidens

door johan_velter

In de jaren 30, na zijn surrealistische periode, kwam Pablo Picasso terug in de ban van de Klassieke Oudheid – een eerste ‘klassieke’ periode begon op het einde van de Eerste Wereldoorlog – maar eigenlijk is het opdelen van het oeuvre in periodes niet accuraat, de schilder bleef zijn hele leven trouw aan de vele vormen van de verbeelding en de ene dag kon hij een klassiek werk maken, de andere dag, een kubistisch. De klassieke periodes van Picasso werden door de enen als een verraad aan de avant-garde gezien, door anderen als een verdieping van de beeldende kunst. Wat niet genoeg benadrukt kan worden: Picasso bezat een grote kennis van de cultuurgeschiedenis, hij was geen wildeman. Zijn klassieke periode mag ook gezien worden als een opstand tegen de kooien van de beschouwers en voorschrijvers.
De Nederlandse toegepaste tekenkunst is, ondanks Mondriaan, lang (en nog steeds) in een ouderwetse figuratie blijven steken. De boekomslagen getuigen daarvan : kunstenaars, veel leraars, die brave taferelen bleven tekenen, in een brave stijl. In Vlaanderen is het expressionisme van grotere betekenis geweest dan in Nederland waar de verruwing van de vorm geen kans kreeg en waardoor de kunst in de huiskeuken bleef hangen. Er is een stap gezet van het impressionisme naar een soort ‘modern’ tekenen en dat laatste betekende dan gewoonlijk een snelle tekening, niet erg accuraat, een impressie.
De kunst van de boekomslag is in Vlaanderen waarschijnlijk/in zekere zin bepaald door Eugène De Bock die met de uitgeverij ‘De Sikkel’ een norm gezet heeft. Waar de Nederlanders meester waren in de typografie, hebben ze de illustratie verloren; de Vlamingen omgekeerd. Helaas bestaat er nog steeds geen degelijk naslagwerk over het belang van die kunstenaars (en dus, nee, ‘De verbeelders’ is bijlange na geen naslagwerk, zelfs geen begin). Want of ze nu avant-garde waren of niet, ze hebben een beeld bepaald. Het is ook pas door de context te bekijken dat men kan zien hoe buitensporig het werk van Karel Beunis en Jaap Jungcurt was met ‘De Bezige Bij’-boeken.
Voor die figuratieve kunstenaars die Europees en mondiaal niet tot de aanzienlijken behoorden, was de terugkeer van Picasso naar de concrete vormen een triomf : zie wel dat die zotternijen niet blijven duren.

brulez_de verschijning te kallista_bertram weihs_1953

‘De verschijning te Kallista’ van Raymond Brulez verscheen in 1953 bij Meulenhoff in Amsterdam. De omslag is een tekening van Bertram Weihs (1919-1958). ‘Het strand van Scheveningen’ is een typerende en gekende prent van hem:

brulez_bertram weihs_het strand van scheveningen_1944

dat sterk doet denken aan Ensor’s ‘De baden in Oostende’ uit 1899, (wat een eigenaardige titel is, en volgens Paul Claes een gallicisme is, het zou dus moeten zijn ‘Het baden in Oostende’ of ‘De badgasten in Oostende’).

brulez-james ensor_strand van oostende

Bij Weihs komt de stad door de monumentaliteit centraal te staan, Ensor richt zijn blik op de wriemelende massa. Weihs is een objectieve tekenaar die weinig zegt, hij geeft weer. Ensor is een moralist die een spiegel voorhoudt en de bourgeoisie, klerikalen en het volk belachelijk maakt. Tussen beide prenten gaapt een kloof van bijna een halve eeuw en toch is het werk van Ensor nog sprankelend.
De prent op ‘De verschijning te Kallista’ is een klassieker beeld. Weihs was een ‘emigré’ uit Oostenrijk die in Nederland asiel gekregen heeft. Hij werd tekenleraar aan de academie van Den Haag, daar gaf hij ook lessen Typografie. Hij kampte met depressiviteit, de dood door ophanging als gevolg. Hij heeft heel wat boeken geïllustreerd maar altijd wat in die brave, Nederlandse stijl waarvan Anton Pieck de exponent was en geen uitzondering. De prent op het boek van Brulez is, voor zover ik een overzicht heb, één van de betere – niet in het minst omdat er geen flauwe humor te zien is. Onwillekeurig doet ze aan Picasso denken ook al is de economie van de lijn hier veel minder.

brulez_picasso_lysistrata_1934

Er is een dynamiek aanwezig, een heidense levenslust, een vieren van het lichaam. De verdeling van tekst en prent is optimaal, ik veronderstel dat de letters door Weihs zelf getekend zijn en daardoor is er nog meer eenheid ontstaan. De prent kan twee paren verbeelden: Dione met haar broer Idmaeus, of Dione met de arts Krimon. (Net zoals Roger Martin du Gard gefascineerd was door de verboden broer-zusterrelatie, zo beschrijft ook Brulez, als kenner van de erotica, hier een verboden liefde binnen een driehoeksverhouding.) Doet de prent van Weihs denken aan de klassieke tekenkunst van Picasso, die heel dikwijls een statisch beeld vormt, de beweging is die van de ‘godinnen aan het strand’ uit 1922.

brulez_deux-femmes-courant-sur-la-plage-picasso-1922_musee picasso

Van dit verhaal van Raymond Brulez verscheen een tweede druk bij Manteau, Marnixpocket 41 (1967). En zoals bijna of alle boeken van Manteau in deze periode was de omslag getekend door Stefan Mesker, een vormgever die het beeld van de uitgeverij bepaald heeft maar die nog altijd niet de eer gekregen heeft die hem toekomt. Zijn omslagen waren abstract of geabstraheerd.

brulez_de verschijning te kallista_stefan mesker

Voor dit boek heeft hij een vrouwelijke stam met bladeren getekend, aldus de metamorfose getoond: het is Athena die in een zilverberk zichzelf toont aan Dione. De passage is centraal want hier draagt de godin Dione op: ‘Zolang Dione kuis blijft, kan niets Idmaeus deren!’. De vormgever heeft het boek dus gelezen.
Zoals Hugo Claus zijn boeken vol referenties, citaten, verdraaide citaten en halfcitaten stopte, zo deed Brulez hem dit voor. Zoals Raymond Brulez gebeurtenissen naast elkaar plaatste zonder die te verbinden, zo bouwde Claus zijn boeken op.

Advertenties