de vlaamse pyrrho

door johan_velter

brulez_mijn woningen_1-2
Wat heeft een jongen, nog geen jonge man, ooit gedreven ‘Mijn woningen’ van Raymond Brulez uit te lezen? Wat heeft hij begrepen, verwerkt? Vanwaar kwam die aantrekkingskracht?
Raadsels. Tekortkomingen. Duisternis.
Zo heeft Brulez mij altijd toegeschenen, een vreemde in het leven en de literatuur. Zeker, er is verwantschap met Richard Minne maar dat klopt toch niet helemaal. Hoe onnederlands Brulez ook schreef, hij was esthetiserender, verhalender. Hij had toch meer adem en levenservaring. Is het die levenshouding die zo aantrekkelijk was? (Jaren later zei R. bij het zien van de auteursfoto op de achterzijde van ‘André Terval’ (Manteau, 1978) ‘zo kijk jij’.) Het is die vreemde mengeling bij Brulez van een Franse, spirituele geest met de onvruchtbare zandbodem van hier. Toch bleef er altijd die onvoldaanheid: een oeuvre dat maar niet afgerond geraakte en dat steeds een onvervulde belofte was. De inhoud die zich geen vorm vond. Uiteindelijk bleef enkel die afstandelijke ironie over, als literatuur was dit oeuvre niet boeiend genoeg, een spel dat te duidelijk gespeeld is, een braafheid die juist door die ironie opgelegd werd en zichzelf zo negeerde en misschien was er ook wel het beroepsleven dat de auteur in een hoek dreef.
Joris Van Parys heeft met ‘Gelukkig en vol droefenis : de werelden van Raymond Brulez’ (Houtekiet, 2015) een biografie geschreven dat zonder twijfel naast dat oeuvre kan staan. Van Parys is niet een chroniqueur maar een schrijver, zijn boek is een plezier om te lezen en als lezer zoek je de persoonlijke opmerkingen van de schrijver om volmondig akkoord te zijn. De ironie van de biograaf nadert de ironie van de meester, zijn opmerkingen zijn als krenten die het geheel kruiden. Hij is niet te beroerd om de postmoderne literatuur’wetenschappers’ op hun plaats te zetten (Bart Vervaeck, Pieter Verstraeten) – en hij doet dit niet door argumenten op elkaar te stapelen maar door simpelweg de waarheid op een haast terloopse manier te vermelden.
De kracht, het meesterschap, heeft Van Parys al in eerdere biografieën getoond maar als je zijn werk vergelijkt met andere biografen die geen keuzes kunnen maken en elk detail na detail vermelden omdat ze geen intelligente visie kunnen ontwikkelen, dan pas zie je met welke adelaarsblik Van Parys zijn onderwerp bekijkt. Hij werkt uiteraard wel chronologisch maar hij herhaalt nergens wat eerder gezegd is, hij brengt informatie samen, hij hoeft niet elke ontmoeting te vertellen om aan te tonen dat een schrijver ook een sociaal wezen is. Gelijkaardige opmerkingen gelden voor het tijdskader, de politieke en literaire omstandigheden. Van Parys maakt een keuze waardoor er een scherp en duidelijk kader mogelijk wordt. De lezer kan hem maar dankbaar zijn om die ‘poortwachters’functie. Vooral is er ook die lichtheid, een superieure stijl, een gemoedelijke toon, een ironische benadering van de wereld waardoor je in een wereld getrokken wordt die zowel lichtzinnig als ernstig is. Voltaire, Watteau, Diderot maar ook Montaigne, Chamfort. De wereld van Raymond Brulez is ook die van Joris Van Parys.
Tegelijkertijd is dit boek helaas ook een grafsteen. Je leest hoeveel teksten er nooit meer gelezen zullen worden omdat ze niet meer toegankelijk zijn en je weet dat er in het zandland geen plaats is voor serieuze boekuitgaven. Toch zou je (had ik) gelezen willen hebben welke boeken er in de bibliotheek van Brulez te vinden waren, hoe hij tegenover de Franse literatuur stond (ook al vermeldt de biograaf dat Brulez op de hoogte was, hij had zijn voorkeuren – want van Parys behandelt wel het literaire klimaat maar beperkt zich iets te veel tot het Nederlandse taalgebied. (Zo was er een mooie parallel te trekken tussen ‘De opstand der voetnota’s’ (1930) van Brulez en ‘Het bal der etalagepoppen’ (1931) van Bruno Jasienski.) Daarbij had het interessant kunnen zijn om uit de artikelen, de interviews en het oeuvre zelf een soort poëtica te ontwikkelen om zo het dandyisme van Brulez te verklaren en te duiden en dan had natuurlijk ook Paul Lebeau behandeld moeten worden. Vanuit die plaatsbepaling had de uniciteit van Brulez wat meer gerelativeerd kunnen worden – zonder dat dit afbreuk doet aan zijn oeuvre.

brulez_mijn woningen_3-4

Terecht benadrukt Van Parys op verscheidene plaatsen de vrijheid van Brulez, naar het woord van Jan Greshoff, ‘de eenige vrije man van die generatie’, terwijl hij ook wel kind van zijn tijd bleef, maar wie de literatuur uit de achttiende eeuw leest is algauw enkele maten vrijer dan de lokale zandgeesten. Dat Brulez geen systeemdenker was en zich niet opsloot in zijn eigen gelijk wordt getoond door zijn bewondering voor Louis Paul Boon die hij altijd verdedigd heeft, voor Céline, die hij zijn antisemitisme niet vergaf maar besefte dat hij de literatuur van de 20ste eeuw veranderd heeft en voor Christine D’haen die, net als hij, geworteld was in de klassieke cultuur en die in de 20ste eeuw levend wilde houden.
Zonder zeloot te zijn, beschrijft de biograaf de tribulaties en de pesterijen van de katholieken, hoe de vrijzinnigen zich moesten weren en hoe een zogenaamde socialist als Anseele de openbare omroep aan banden wilde leggen. Op deze manier wordt de levenstijd van Brulez levendig gemaakt en beseffen we ook in welk onvrij klimaat Brulez c.s. moesten leven.
De biografie doet ook beseffen dat er geen intellectuelen van deze envergure meer in de literatuur aanwezig zijn ; een milde ironie, een wereldwijze afstandelijkheid, een gevoelige betrokkenheid, een brede eruditie, een lichtzinnig omgaan met het culturele verleden, een mensenkennis die gericht is op het vergeven. Een leven als een gentleman.
Het zal wel toeval zijn en niets met elkaar te maken hebben, maar de schoonvader van Raymond Brulez heette Louis Seynave, hij was ‘postbeambte, vrijdenker, veellezer[…]’ (p. 113). De alternatieve titel van ‘André Terval’, het debuut van Raymond Brulez uit 1930, luidde : ‘of inleiding tot het leven van gelijkmoedigheid’. Van het werk van Brulez (en dat zei hij zelf ook) zei men dat het niet zeer homogeen was, dat de verschillende verhalen naast elkaar bestonden maar geen organisch verband kregen. Het hoofdpersonage van ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus heet Louis Seynaeve, de roman is o.a. een ontwikkelingsroman naar een leven van gelijkmoedigheid, de kritiek zei van de roman dat het materiaal te heterogeen was, wat de schrijver beaamde en als zijn verwezenlijkte doelstelling beaamde. (De ‘vormloosheid’ is een intellectueel standpunt.) Op deze manier kunnen we de roman van Claus in de traditie van het dandyisme plaatsen – en dat is beter dan wat sommige anderen proberen te doen.
brulez_luc peire
Het laatste boek van Brulez kwam uit in 1969. ‘Proefneming der eenzaamheid’ verscheen als ‘Miniboek’, dat tevens als uitgeversnaam functioneert, de drukker was Verbeke-Loys uit Brugge. Merkwaardig is de omslag, een werk van de abstracte schilder Luc Peire, omdat dit niet past bij het werk van Brulez en omdat Peire weinig boekomslagen heeft ‘ontworpen’ of waarvoor zijn werk gebruikt werd. Maar het is waar : ook Peire had een eenzame plaats in de kunstwereld.
Uit ‘De verschijning te Kallista’ deze passage als illustratie: hoe Brulez commentaar leverde op de toenmalige tijd en kunstopvattingen, hoe hij de werkelijkheid tegenover de metafysica plaatste, hoe hij de fijnzinnigheid cultiveerde, hoe hij de erotomanie tot kunst transformeerde:
“Ik suggereerde haar of zij haar inspiratie niet kon zoeken in de geometrie van Euklides. Het was toch duidelijk dat alle vormen, die in de natuur voorkomen, herleid konden worden tot enkele bepaalde meetkundige normen. Dit gold evengoed voor het vrouwelijk lichaam, dat een harmonische samenstelling is van ovalen : het hoofd en de knieschijven ; cylinders : de hals ; kegels: de armen en dijen : hemisferen : de borsten.
‘Was dit maar waar !’ zuchtte Argina. ‘De borsten die ik te bekleden heb, vertonen vaak een vormloosheid, waar uw geleerde Euklides zijn verstand bij zou verliezen …’”

Advertenties