lebensbejahung

door johan_velter

Bök is een dichter die aantoont hoe inspiratie, vernieuwing en avant-garde niet noodzakelijk vanuit een romantische invalshoek bekeken moeten worden maar ook vanuit een wetenschappelijke hoek een stimulus kunnen krijgen. Vraag me niet naar details maar dit is wat gebeurde. Christian Bök slaagde er in een organisme door DNA-manipulatie/ontcijfering te creëren dat zichzelf repliceerde en gedichten kon reproduceren – na ontcijfering door de mens zelf. Daarmee staat Bök aan de top van de huidige literaire creatie: een ode aan het wetenschappelijke denken door dat rationele denken te transformeren in en naar een poëtische vorm. Zijn recente boek ‘The xenotext – book 1’ (Coach House Books, 2015) is de neerslag van zijn wetenschappelijk-poëtische zoektocht. Is er 1 Lucretius-dichter, dan Christian Bök.
Hij gebruikt de ‘Georgica’ van Vergilius, er zijn verwijzingen naar Dante en naar de Orpheus-mythe en dus ook Rilke (»Und schlief in mir.«). De transformatie, de metamorfose staat in het middelpunt van de hedendaagse wereld. Het boek is onbegrijpbaar en fascineert : het ontsnapt aan de ratio en schuurt langs de randen van het bewustzijn om ergens te landen als een vreemd object in een vreemde wereld. Onszelf.
Sommige passages zijn niet anders dan lyrisch te noemen, een vreugdevol omhelzen van de werkelijkheid, uitdrukking gevend aan de gelukzaligheid deelgenoot te zijn van de kennis en de zekerheid een fascinerende exploratietocht aangevat te hebben.
De tekst begint met ‘Welcome, Wraith and Reader, […]’ en plaatst zich daarmee ook in een orale literaire traditie, iedereen denkt dan aan Homeros, voor ons het begin van de literatuur. Maar dan schakelt Bök over naar het einde en schetst hij een apocalyptische wereld. Hij gebruikt daarvoor een shakespeareaanse zegging, een hulpeloze nietigheid tegenover de kosmos uitdrukkend. Bök suggereert dat het organisme dat hij gecreëerd heeft en zich een eigen leven baant, hetzelfde is als de emoties, de ideeën van mensen die binnen hun organisme een eigen leven leiden en waarover het bewustzijn geen controle heeft.
‘All the deepest seas have withered and soured. All the tallest alps have crumbled and burned.’ Deze tekst gaat over de mens en wat hij gedaan heeft, het is niet alleen een poëtisch-wetenschappelijke tekst maar ook een ecologische en moraliserende. De dichter die door de vormadepten omarmd wordt, is hier haast een messianistische prediker.
Bök introduceert sciencefictionactige figuren, halfgoden, die vanuit het universum de aarde belagen. Door de vragen die Bök stelt, wordt de machteloosheid van de mens (‘you’) benadrukt, zichtbaar gemaakt, de angst wordt materieel een virus.
De huidige tijd wordt door de dichter een traditioneel kleed omgehangen: Neil Armstrong wordt een Orpheus. Bök schrijft filmisch: van het universum naar de eenzame Amerikaanse president. Van het verleden naar het heden om zo de toekomst te verbeelden. Dit is Stanley Kubrick; ‘Space Odyssey’.
Bök beschrijft een hedendaagse ecologische ramp: de bijenziekte die het voortbestaan van de mens bedreigt. Van het heden reist hij naar Vergilius die in de ‘Georgica’ de bijenteelt beschreef. De reeks ‘Colony collapse disorder’ bestaat uit 14-regelige teksten, sonnetten, die telkens dezelfde geometrische vorm aannemen: de eenheid van deze gedichten wordt niet door het rijm bepaald wel door het ritme, de uiterlijke vorm en de poëtische stembuigingen. Het laatste gedicht, ‘Epilogue’, is anders van vorm, meer lettergrepen per regel en 15-regelig. Vergilius toonde in zijn epiloog de breuk tussen de dichter, die in ‘het zoete Napels’ de wereld oproept voor de akkerbouw te zorgen (wat een verschil met de huidige natuurobsessie) en de heersers die verderf en honger verspreiden. Christian Bök vraagt in zijn epiloog hoe de bijenramp, wat slechts een aankondiging is van het algehele sterven, gekeerd kan worden: hij spreekt van ‘we’, ‘our’: bij hem is er niet langer een ‘klassebewustzijn’, iedereen is verantwoordelijk voor deze wereld. Het daaropvolgend gedicht, ‘The xenagogue’, is een klassiek Shakespearesonnet: rijm (abab, cdcd, efef, gg), 3 strofen van vier regels en een slot.
Het vreemde is het nabije geworden.
Het tweede deel van het boek is een metatekst: het legt voor kleine oren uit wat de nieuwe ideeën in de genetica betekenen en hoe dit alles werkt. Bijna ongemerkt gaat deze wetenschappelijke uitleg over in een poëtische vorm, niet nadat driemaal een ‘vooraf’ geweest is: ‘DNA is an actual casino of signs, preserving, within a random series of letters, the haphazard alignment of acids and ideas.’ ‘DNA is a metamorphic scriptorium, where life transcribes, by chance, whatever life has so far learned about immortality.’ ‘DNA is a vagrant message sent to us, as if from outer space, by a cryptic, but sapient, sender who seeks a perfect poetics.’
Daarop volgen bladzijden die de schoonheid van het wetenschappelijke denken tonen en toch niet anders dan de werkelijkheid en de waarheid is.

christian bök_the xenotext

Gevolgd door een reeks gedichten die aan stringente voorwaarden verbonden is, net zoals de genetische code de code is zoals hij is: in de beperking de fantasie tonen.
‘Alpha Helix’, tenslotte, is een reeks die de verbeelding aan de spiraalvorm gelijkstelt, centraal staat het woord ‘it’ (dat merkwaardig genoeg het ‘Het’ van Albert Bontridder volgt), het leven dat zichzelf voortwoekert. ‘Do not be afraid when we unbraid it.’

Advertenties