on the level of that which is not yet knowledge

door johan_velter

claude viallat_2015

Het was met een lichte euforie dat ik het artikel van de dichter Susan Howe over Wallace Stevens en Spinoza las. Wat ik als zijdelingse opmerkingen neerschreef (https://sfcdt.wordpress.com/2010/03/18/het-naleven-van-diderot-11/
en https://sfcdt.wordpress.com/2013/06/19/du-must-9/ ), met het idee dit later uit te werken, lees ik in ‘The Nation’ van 2 november het artikel ‘Vagrancy in the park : the essence of Wallace Stevens : Roses, roses. Fable dream. The pilgrim sun.’ waarin ze precies deze gedachte uitwerkt (https://www.thenation.com/article/vagrancy-in-the-park/ ).
De verbondenheid is belangrijk omdat de interpretatie en de kennis van het werk van Stevens daarmee op het juiste pad terechtkomt en niet langer in het vuile water van het deconstructivisme zit. Wallace Stevens was een ernstig dichter, hij zag poëzie niet als een stuk speelgoed maar als een denkmachine.
Eerst betoogt Susan Howe hoe de poëzie van Wallace Stevens betovert: schoonheid, harmonie en orde – begrippen die nauwelijks nog uitgesproken mogen worden. Susan Howe is vanuit haar eigen praktijk gevoelig voor de materialiteit van de taal, ze weet op een boeiende manier het belang van de woordplaatsing van Stevens’ poëzie aan te tonen. Dit is een morele regel: ook het zwakke, het nietige heeft reden van bestaan. In ons leven zijn het juist de dode momenten die de waardevolste blijken te zijn. Over de laatste bundel van Stevens, ‘The Rock’ schrijft ze dat het meditaties zijn ‘on the civil and particular’. Daarmee plaatst ze de dichter in een intellectuele context, niet een politieke – in de betekenis die men er nu aan geeft: macht, corruptie, onbenul, beperkend.
Een eerste benadering tussen Spinoza en Stevens: ‘A poem is a glass, through which light is conveyed to us.’
Een tweede benadering komt er via een citaat van ‘Judge Gilbert Hasbrouck’ (uit een brief van Wallace Stevens): ‘Indeed when Spinoza’s great logic went searching for God it found Him in a predicate of substance.’ Daarmee wordt waarde gehecht aan het materiële ding: de poort tot het zien.
Nummer drie: als Wallace Stevens over zijn studentenjaren (1897-1900) sprak, dan sprak hij over de filosofieprofessoren Josiah Royce en George Santayana, een Spinoza-kenner. Het filosofieprobleem van die jaren was hoe de wereld gekend kan worden. Santayana was ook een dichter, hij en Stevens gaven elkaar hun gedichten te lezen. Stevens schreef een aantal gedichten die als een herinnering aan Santayana (of als een lofrede) gelezen kan worden.
In Spinoza las Santayana ‘an example of disillusioned philosophic liberty’. Susan Howe schrijft dat Stevens in zijn laatste gedichten deze status bereikt heeft: wij zijn 1 met de natuur. Stevens gebruikt het woord realiteit, Spinoza God. Susan Howe citeert Santayana in zijn voorwoord tot ‘Spinoza’s Ethics’: ‘Like a mountain obscured at first by its foot-hills, he rises as he recedes.’ En dit laat ze onmiddellijk volgen door de Stevens-regel: ‘The poem that took the place of a mountain’ – het schuiven is 1 van de basiskenmerken van Stevens’ poëzie (‘before’ – ‘after’).
De poëzie van Wallace Stevens is (nee, geen poging) een verbintenis die aangegaan is tussen het innerlijke van de mens en de natuur. Het ‘niet kunnen vatten’ van Wallace Stevens is precies die haast stilstaande perceptie die een betrokkenheid aangaat met de dingen rondom ons, met de natuur en dus het leven. Stevens keert zich niet van de wereld af – de wereld is de realiteit – maar gaat er een relatie mee aan. Dat is die grote troostende, ordenende en esthetiserende kracht van zijn poëzie.
Het knappe van het essay van Susan Howe is dat ze dichters en filosofen benadert op een impressionistische, maar niet losse, wijze : ze laat het aan ons om de verbanden te zien maar ze toont veel: van het toen naar het nu; van wat geweest kon zijn tot wat het geworden is.
De laatste ontmoeting dan. Het elliptisch schrijven van de dichter, de proposities van de filosoof. Het is de mystiek die ons allen verbindt. Om de wereld te kunnen zien, is er kennis in onszelf nodig – van boeken, sterren, grassen, wolken, mensen –, een poëtica die ons leert de woorden te gebruiken, een sensibiliteit die de woorden met kleuren kan omarmen. Die verbondenheid is de eenzaamheid.

(beeld: Claude Viallat via Galerie Catherine Putman)

Advertenties