een derde voetnoot bij ‘simenon, pierre dubois, 1944’

door johan_velter

Terug naar Gerard Walschap, of Gérard Walschap, volgens de Espes-uitgave. De titel van het boek is «L’homme qui voulait le bien», «cet ouvrage, traduit du néerlandais, a été publié sous le titre original de ‘Een mensch van goeden wil’.» Zo staat het op de beginpagina’s van het boek en achteraan staat dat dit boek in maart 1944 is gedrukt «pour le compte des éditions Espes. 47, rue du Houblon. Bruxelles», de Hopstraat dus, in de buurt van de Danckaertstraat. Het gebouw staat er niet meer. Er is geen vertaler opgenomen. Om een oorlogsboek te zijn, is dit werk nogal luxueus uitgegeven. Het boek is weliswaar gedrukt op het ‘grove’ oorlogspapier, maar er is een prent toegevoegd op wit, ‘gestreken’ papier – wat niet alleen een meerkost is voor de illustrator maar ook voor de drukker en de binder. Bovendien is van dit werk een luxe-uitgave verschenen: «Il a été tiré de cet ouvrage dix exemplaires, numérotés de I à X, sur papier pur chiffon des Papeteries du Pont de Warche.». Een exemplaar van dit boek behoort tot de magazijncollectie van de bibliotheek van Gent en is indertijd geschonken door Hendrik Jughters uit Destelbergen. Er bestaat een briefwisseling tussen hem en Johan Daisne maar Jughters komt niet voor in de biografie van Johan Daisne door Johan Vanhecke. Hendrik Jughters heeft ooit een ‘ex libris’ laten maken door een zekere ‘Virgil Van Wiele’. In het Reinaert-tijdschrift ‘Tiecelyn’ (jaargang 3, 1990) schrijft Marcel Ryssen hierover: ‘De opdrachtgever, Hendrik Jughters, is van Destelbergen en is op het boek omgedoopt tot Hein van Bergen, met verder boven rechts het kerkje van Destelbergen en links boven een van de vier torenwachters van het Gentse belfort. En natuurlijk voor een inwoner van Destelbergen (een Reynaertgemeente!) springt de levendig uitgebeelde Reynaert als centrale figuur uit het boek. Reynaert is dé blikvanger van het prentje en dit is dus terecht een Reynaert-ex-libris.’

espes_4_1

Dit exemplaar is ook nog bijzonder omdat Gerard Walschap dit boek gesigneerd heeft ‘hulde van Gerard Walschap’ – en als dusdanig het boek ‘erkend heeft’.

gerard walschap_espes_opdracht

Het is onduidelijk wanneer en onder welke omstandigheden Walschap dit boek gesigneerd heeft. Jughters heeft het boek, volgens de stempel, aan de Gentse ‘Stedelijke openbare boekerij’ geschonken in 1954.

gerard walschap_espes_jughters

Hoe Walschap bij Espes terechtgekomen is, weten we niet. Op de website van het Gerard Walschap-genootschap staat een sectie ‘Oeuvre’ maar dit – ondanks de indrukwekkende lijst geleerden en professoren die tot het genootschap behoren – helpt ons niet verder. Men heeft enkel raprap de Nederlandstalige titels op het web gegooid, geen uitgever, jaartal of andere bibliografische gegevens toegevoegd. Bij de boeken zijn soms omslagen geplaatst maar zonder enige uitleg, de ene keer is dit de eerste uitgave, een andere keer de zoveelste. Bij sommige titels is een pdf toegevoegd maar ook hier triomfeert de willekeur. In deze lijst zijn geen vertalingen opgenomen. De vormgeving van de website is vlaams-nationalistisch gekleurd, niet alleen naar kleuren maar ook naar de prentjes: zo verschijnt deze lijst van boeken op een soort pseudo-perkament, kunstmatig oud gemaakt. Niet alleen situeert dit genootschap zich op deze manier aan de kant van het KVHV maar toont het ook hoe weinig kritisch het is, hoe conservatief de smaak is en hoe het de geïnteresseerde lezer veracht.
In ‘Album Gerard Walschap’ (Manteau, 1986) wordt per jaar/of een periode een lijst van uitgaven gegeven. Voor 1943/44 (p. 91) staat er dat Walschap ‘De consul’, ‘Genezing door aspirine’, ‘Tor’ en het essay ‘Voorpostgevechten’ publiceert en ook dat de censuur hem verbiedt te publiceren ‘Moeder’ en ‘Nooit meer oorlog’. (Dit essay was echter al in 1931 verschenen – wie niet oplet zou Walschap nog als een verzetslid kunnen zien – maar bovendien heeft hij toegelaten dat ‘Voorpostgevechten’ ‘Duitsvriendelijk’ gecensureerd werd.) De lijst vertalingen van het werk van Walschap werd achteraan opgenomen (p. 142) en bij de vertalingen wordt inderdaad ‘Een mens van goede wil’ (1944) vermeld maar niet de vertaalde titel, niet de uitgeverij.
Jos Borré schreef ‘Gerard Walschap : een biografie’ (Het zwart bijtje Antwerpen, 2013). Er is slechts een half personenregister opgenomen: half omdat veel verwijzingen, zoals Frans Depeuter aangetoond heeft, verkeerd gelegd zijn maar merkwaardig genoeg ook niet gelegd zijn. De oorlogsjaren van Walschap worden beschreven in hoofdstuk 7 met de titel ‘Ik ben geen kollaborateur geweest, maar ik kan het niet bewijzen.’
De houding van Gerard Walschap tijdens en na de oorlog is steeds verdacht voorgekomen, ook al werd hij door anderen vrijgepleit en officieel gezuiverd, niemand kan ontkennen aan het feit dat hij aan de oorlog goed verdiend heeft. Hij was geen officiële collaborateur, maar hij was ook geen officieel verzetslid. Hij heeft geleefd en gehandeld als een kleine middenstander: als het hem financieel voordeel bracht, zei hij ja. Hij heeft er dus alles aan gedaan (zoals valse voorwendsels) om het contract met zijn vooroorlogse Duitse uitgever ongedaan te maken en een lucratief contract met Diederichs af te sluiten. De oude uitgever was Joods, de nieuwe volgde de nazi-ideologie. Walschap maakte zich ook verdacht omdat hij zich door de bezetter als inspecteur van het bibliotheekwezen liet benoemen. Walschap was rijk gehuwd, verdiende goed met zijn boeken en verzekerde zich van een vast inkomen door zijn nieuwe staatsbetrekking. Tijdens de oorlog werd er bijzonder veel gelezen in België, waardoor de toenmalige Vlaamse schrijvers veel verkochten (Angèle Manteau schat dat Walschap ‘toch een paar honderdduizend frank’ verdiend heeft (dit is waarschijnlijk aan de lage kant, want als Walschap zo veel verdiende, dan verdiende ook zij goed en dat paste niet in haar opofferingsideologie …)), en daarbij kwamen dan ook nog de door de nazi’s gesteunde vertalingen bij. Walschap beweerde zelf dat hij tijdens de oorlog geen contracten tekende, de contracten spreken dat tegen. Hij is geen slachtoffer geweest, hij heeft met zijn volle verstand zijn handtekening geplaatst én hij wist dat hij gemakkelijk kon ingeschakeld worden in de nazi-ideologie. Zijn begrip ‘volksverbondenheid’ stond daarbij centraal – en hij heeft dit reactionair discours tot aan zijn dood volgehouden, blind als hij was voor de leugenachtigheid ervan. Men kan stellen dat Walschap nooit een vrijdenker geweest is, laat staan een linkse schrijver. Zijn beste (en enige) werk heeft hij geschreven binnen het katholiek kader, eens daarbuiten was hij verloren, niet alleen qua vorm, ook qua inhoud.
Jos Borré vertelt in geuren en kleuren de Duitse uitgeversgeschiedenissen van Walschap voor en tijdens de oorlog. Hij doet dit in minder geuren en kleuren ook voor de binnenlandse activiteiten, maar hij poneert wel : ‘Walschap publiceert zo veel mogelijk, waar hij kan, en opnieuw met weinig kritische reserve.’ (p. 353). Zoals Borré het schrijft, is het alsof Walschap geen eigen activiteiten ontplooide en een nogal naïeve schrijver was. Alles wijst echter op het tegendeel: Walschap heeft zelf stappen gezet om uitgegeven te worden (zie bijvoorbeeld de activiteiten van Walschap om de vertaling door Willem Elsschot van ‘Genezing door aspirine’ geplaatst te krijgen). De faam van Walschap was uiteraard tijdens de oorlog bekend aan iedereen die een boek las. Zo verscheen ‘Houtekiet’ in een Franse vertaling van Roger Verheyen bij de collaborerende «Editions de la Toison d’Or» van Edouard en Lucienne Didier en via Guido Eeckels waren er banden met de collaborerende uitgeverij ‘De Lage Landen’.

robert mussche_de lage landen_1

robert mussche_de lage landen_2

Maar ook in 1931 gaf uitgeverij Rex van hem «Un vaincu de la vie : Teugels Gust» uit, toen echter nog niet in handen van Léon Degrelle maar wel van de «Action catholique». De incubatietijd, het woordgebruik en de retoriek is dus niet zomaar plots gekomen – de vergelijking met het citisme en nationalisme van vandaag is angstwekkend dicht.

gerard walschap_rex

Van Walschap zijn er nog Franse vertalingen verschenen: o.a. in 1940 «Jargonette oison», in 1943 de vertaling van ‘Zotje Petotje’ en in 1944 ‘De vierde koning’ in een vertaling van Jean Vossen. In 1943 verscheen bij Snoeck-Ducaju «Cure d’aspirine». En ‘Denise’ zal begin 1944 bij «Editions de la Toison d’Or» verschijnen. Maar over Espes in de biografie van Jos Borré geen regel tekst.
Ook in hoofdstuk 6 waar de verschijning van ‘Een mensch van goeden wil’ behandeld wordt (1936, p. 282 e.v.) wordt over de Espes-uitgave niets gezegd.
In de brievenuitgave ‘Gerard Walschap : brieven 1921-1950’, verzameld en toegelicht door Carla en Bruno Walschap, met medewerking van Harold Polis (Nijgh & van Ditmar, 1998) worden we echter ‘iets’ wijzer. Daar lezen we dat een vertaling van ‘Een mens van goede wil’ als feuilleton verschenen is in «Le Soir» van 11 augustus 1940 tot 28 september 1940 in een vertaling van ‘G.s.d.G.’ en dit onder de titel «Un homme de bonne volonté» (p. 596). Dit is dus een andere titel dan de Espes-uitgave.
Op pagina 726 wordt uitgeverij Espes dan uiteindelijk wel opgenomen in voetnoot 3 (niet in de index opgenomen): ‘De vertaling van ‘Een mensch van goeden wil’ zal verschijnen als «L’homme qui voulait le bien», Espes, Bruxelles, 1944.’. In de brief van 20 december 1942 schrijft Gerard Walschap aan Cyriel De Baere: ‘Ik sukkel met de Franse vertaling van E.M.v.G.W. [d.i. Een mensch van goeden wil] die door een tweede vertaler verbeterd is en nu is ze nog niet goed, zegt mijn vrouw (Ik kan geen twee bladzijden vertaling van mij lezen). Kent U iemand die genoeg Vlaams [sic] en Frans kent om die tekst op punt te zetten, natuurlijk tegen vergoeding. U kunt niet geloven hoe moeilijk ik te vertalen ben in het Frans.’ (p.726).
Gerard Walschap was dus op de hoogte van deze vertaling; hij spreekt van een tweede vertaler maar noemt geen namen, noch van de eerste, noch van de tweede vertaler. Hij schrijft over de vertaalproblemen in december 1942, de moeilijkheden zijn blijkbaar al een tijd aan de gang en uiteindelijk zal het boek pas in maart 1944 verschijnen. Dit zijn allemaal activiteiten tijdens de oorlog.
De krant «Le Soir» was een ‘gestolen titel’, d.w.z. de krant verscheen alsof het nog steeds een Belgische krant was, in de praktijk was het een spreekbuis van de bezetter geworden.
Over de Duitse vertalingen heeft Lut Missine kort geschreven (Revolver, nummer 108, december 2000); over Walschap bij de Franstalige katholieken schreef Cécile Vanderpelen-Diagre (‘Traditie, mythe en volksziel : Gerard Walschap en de Franstalige katholieken 1919-1945’ in ‘Gerard Walschap : regionalist of Europeeër ? 1922-1940’ (Garant, 2006) – ook verschenen in «Textyles», 2007).
Zij spreekt wel over de «Le Soir»-vertaling maar niet over de Espes-uitgave. Zij schrijft dat er 8 Franse vertalingen van Walschap-romans verschenen zijn, dan is de Espes-uitgave een negende. In de «Textyles-uitgave» van dit artikel (zie https://textyles.revues.org/366 ) lezen we meer over die «Le Soir»-vertaling : «La traduction en a été confiée au belgo-allemand Guillaume Samsoen de Gerard [dit komt overeen met de initialen, niet met de hoofdletters, in de brievenuitgave], traducteur pour l’industrie allemande et membre du Parti rexiste depuis 1938, qui cherche à s’imposer comme agent littéraire.» Dit artikel is bovendien interessant omdat de schrijver duidelijk maakt hoe gemakkelijk de Walschap-ideologie in de nazi-ideologie kon ingepast worden. Frans Depeuter heeft in zijn essay ‘Het verborgen leven van Gerard Walschap’ (Berghmans Uitgevers, 2009) aangetoond hoe racistisch het discours van Walschap ook na de oorlog gebleven is. In de nieuwe biografie over Raymond Brulez lezen we hoe deze zich afzette tegen de politieke naoorlogse opvattingen van Walschap. Joris Van Parys schrijft: ‘De scheut nazisme laat hij [Brulez] voor rekening van Walschap, en helemaal onacceptabel vindt hij de boodschap van diens “objectieve” repressieroman “Zwart en wit” waarin collaboratie en verzet op een hoop worden geveegd. Brulez denkt er niet aan de excessen van de repressie te negeren of te vergoelijken maar Walschaps conclusie dat het verzet niet beter en niet slechter was dan de collaboratie, vindt hij moreel noch intellectueel te verantwoorden.’ (‘Gelukkig en vol droefenis : de werelden van Raymond Brulez, Houtekiet, 2015, p. 299).
Over ‘Een mens van goede wil’ zei Walschap tegen Albert Westerlinck in zijn ‘Gesprekken met Walschap’ (Heideland-Orbis, 1969) (een reeks pseudo-openhartige interviews): ‘De toenmalige opkomst van het fascisme heeft ook een rol gespeeld. Ik wilde via Thijs zeggen tot het in die dagen oprukkend fascisme, dat ik minder in systemen dan in de welgezindheid van mens tot mens geloof, […].’ (p. 121-122). En even verder ‘[…] het accent dat ik legde op goede wil hield een afwijzing in van de toenmaals doordringende fascistische systematiek.’ (p. 123). Walschap heeft zich in latere jaren een anti-fascistische mantel aangeschaft maar besefte niet dat de intentionalistische moraal niets met een progessieve maatschappij-ordening te maken had, integendeel. ‘Goede wil’ is juist een reactionair begrip, net zoals het ‘algemeen-menselijke’ van Walschap dat ook was.
Tijdens de oorlog heeft Walschap met geen enkele verzetsuitgeverij gewerkt, hij heeft ook niet belet dat nazisme en bijna-nazisme van zijn oeuvre gebruik hebben gemaakt, hij heeft actief deelgenomen aan uitgeefactiviteiten en aan de vertalingen van zijn werken en hij was er de man niet naar om dingen uit handen te geven of toe te laten dat anderen, zonder hem te betalen, achter zijn rug, werk van hem zouden uitgeven. Dus was Gerard Walschap perfect op de hoogte van de Espes-uitgave (de illustratie en de luxe-exemplaren zijn een bewijs bovenop). Als Espes een rechtse uitgeverij was, dan paste die perfect bij de andere uitgeverijen van Walschap.
Walschap werd al tijdens de oorlog en zeker na de oorlog verdacht gemaakt – zoals gezegd is hij ‘gezuiverd’ geweest (het woord zuiveren in de tegenovergestelde betekenis van het woord dan) en op geen enkel moment (ik steun me uiteraard niet op archieven maar op gepubliceerd werk over Walschap) heeft hij als argument om zich ‘zuiverder’ voor te doen de Espes-uitgave gebruikt. Want als Joodse textielhandelaars deze uitgeverij op een verdoken manier gebruikten, dan had Walschap (en zijn verdedigers) dit als argument pro domo kunnen gebruiken: ‘ik heb ook werk uitgegeven bij een ‘Joodse’ uitgeverij’ – gesteld dat hij dit kon weten – maar vermits de wereld klein is, en die van de Vlaamse schrijvers nog kleiner, dan kon iedereen dit ook weten.
Het raadsel is gebleven.

Advertenties