de een en de ander, dezelfde

door johan_velter

l'autre simenon_patrick roegiers

Met «L’autre Simenon» heeft Patrick Roegiers zich de woede van de Belgen/Walen op de hals gehaald: hoe hij, die zwerver, die nestbevuiler, die zelfs België ontvlucht is, het aandurft om primo het icoon Georges Simenon te bekladden maar vooral secundo om Wallonië te herinneren aan het Rex-verleden, aan de schone jongen Léon Degrelle, de kleine Hitler, en hoe zo veel Walen uiterst-rechts waren en met vreugde zich bekeerden tot het germaans-zijn. Daardoor valt die zorgvuldig door de Parti Socialiste in ere gehouden papieren gevel nu weer om en herinnert het voorval ons aan het Oostblok dat zich als 1 geheel anti-fascistisch beschouwde en al de rest, dit is de werkelijkheid, liever vergat om zo het vijandbeeld van de rechtse Vlaming in stand te kunnen houden.

Het is waar : Roegiers heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt – en dan toch ook wel. Over Simenon is zowat alles geweten, van sommige periodes en gebeurtenissen weten we ook te veel. Van zijn broer weten we minder, van zijn moeder weten we veel – maar we weten het meeste gezien door de ogen van Simenon of van figuren die via de bekendheid van Georges Simenon benaderd zijn geweest. De moeder van Simenon was een rechts secreet, een Vlaamse, zelfs als ze zich politiek niet rechts bekend zou hebben, dan nog zou je moeten zeggen dat ze karakterieel, emotioneel en sociaal het vuil van de straat was. Het schrijven van Georges Simenon herleiden tot een vragen naar moederliefde is echter ook weer al te simpel. De moeder en de broer van Simenon spanden samen, Georges Simenon was in hun ogen de verliezer, de sukkel.

Maar het leven is anders uitgedraaid: de schrijver heeft het gehaald, de moeder heeft hem zijn welstand verweten en zijn geld nooit aanvaard (men aanvaardt niet het geschenk van een slechte mens), de broer heeft zich tot uiterst-rechts bekeerd – zoals zijn moederbeest -, is een volgeling van Degrelle geworden en heeft effectief ook moorden uitgevoerd waarvoor hij veroordeeld is geweest. Hij is naar het Vreemdelingenlegioen verdwenen en is in Vietnam in 1947 neergeschoten. Twee broers, twee wegen. De ene heeft gekozen voor Duitsland, de ander voor Frankrijk, het duistere voor de een, het licht voor de ander.

Maar Patrick Roegiers herinnert Frankrijk ook aan het Vichy-regime én aan het feit dat een aantal grote schrijvers, zacht gezegd, wel zeer coulant optraden tegenover de Duitse bezetter en minstens enige sympathie konden opbrengen.
Want Roegiers beschrijft hoe Simenon zich door de Duitsers laat ‘gebruiken’, hoe hij samenwerkt met Continental, de nazistische Duitse filmmaatschappij, om zijn boeken te verfilmen, hoe hij kon publiceren, hoe hij zich liet zien in de luxe-buurten waar de nazi-officieren ook graag kwamen; hoe Georges Simenon weliswaar op een andere manier dan zijn broer collaboreerde maar toch zeker niet tot het verzet behoorde en dat hij ook het nazisme gebruikte om zichzelf te verrijken en in de kijker te lopen. Iedereen moet tijdens een oorlog overleven maar er is een verschil tussen zich gedeisd houden en medewerking verlenen.

Roegiers schrijft dat de andere Simenon ook de echte Simenon is, dat het milieu waarin de broers zijn opgegroeid uiterst rechts was en dat er in Wallonië een extreemrechts discours aanvaard werd – en dat wordt hem niet vergeven. «L’autre, c’est lui.»

Na de oorlog, schrijft Roegiers, vraagt Simenon aan André Gide, ook een niet onbesprokene maar geen Brasillach of Céline, wat hij met zijn broer moet doen. Gide suggereert, tijdens een copieuze maaltijd die Roegiers malicieus beschrijft, hem naar het Legioen te sturen – Gide bedoelt het Vreemdelingenlegioen, Simenon verstaat het «Légion Wallonie» en zo brengt Georges Simenon het ook aan zijn broer over. En op deze manier insinueert Roegiers, zegt men, dat Simenon, met toestemming van Gide, zijn broer naar de dood gestuurd heeft, dat hij zijn eigen carrière (want het zou nogal sensatie gegeven hebben …) belangrijker vond dan het leven van zijn broer. (Was ‘de andere Simenon’ niet gevlucht, dan nog zou hij dood geweest zijn: gefusilleerd door het Belgische gerecht wegens moord op onschuldige burgers.)

De zwakte van het boek is Patrick Roegiers zelf. Omdat dit een roman is, mag hij ‘fantaseren’ – maar dat mag niet van de Simenon-sekte – maar het verzinnen moet wel verantwoord kunnen worden. Dat kan hij uiteraard niet – de dialoog tussen Gide en Simenon bestaat niet meer; de gesprekken tussen de broers zijn niet vastgelegd, enzovoort. De romanvorm kan een daad of een zienswijze verklaren door zich niet louter aan de feiten te houden maar Roegiers geeft niet zozeer een interpretatiemodel maar voert een salvo uit: hij beschuldigt Simenon. Gedeeltelijk terecht, Simenon was ook de zoon van de moederduivelin, gedeeltelijk onterecht omdat hij van en over een bestaand personage fantaseert. Wat is waarheid, wat is leugen, wat is verzinsel: het is deze hutspot die het boek kwaad doet en moeilijk maakt.

Maar er is natuurlijk ook de typische Roegiersstijl: het altijd maar weer herhalen van hetzelfde met andere woorden («On le suspectait de collaboration. On l’accusait de compromission. On avait à l’oeil.» (p. 241), die woordendronkenschap («[…] pourris!, […] pourri, […] pourris, […] pourris, […] pourris», 35 maal op p. 45), het ronkende ronronron, die onnozele overdrijvingen («[…] qui comme le merle était capable de siffler en dix langues,» p. 55). Er zijn geen beschrijvingen, maar opsommingen, de woorden en begrippen staan naast elkaar zonder dat er een verband is: à la ‘grijs, zeer grijs, het grijs van de avond, het grijs van de mist, het grijs van de motregen’. Roegiers gebruikt eindeloos veel zijn synoniemenlijsten zonder iets toe te voegen aan de inhoud van het verhaal. Het is lege retoriek. Of het kleinburgerlijk gemoraliseer («les prostituées, femmes de moeurs légères,»). Het terugvallen in kinderachtige zekerheden: de minnares van Georges Simenon, Boule, heette Henriette, en zo was ook de voornaam van zijn moeder en dus … «Georges couchait-il avec sa mère par l’entremise de Boule?» (p. 199). O, wat een stompzinnigheden verschijnen er toch nog altijd, wat een lafheid om het vraagteken te gebruiken.

Toch is er aan dit boek ook een zeer Simenoniaanse kant. Zoals Simenon in zijn romans en Maigretverhalen de kant van de kleine man, de ambtenaar, de verliezer kiest en zijn minachting uitspreekt voor het rijk gebroed, zo doet Patrick Roegiers het ook in deze roman. Hij kiest voor Christian Simenon, de mossel, de nietsnut, de onnozelaar, de verguisde, de gefrustreerde en hij veroordeelt de rijke, in luxe zwelgende Georges Simenon die na de oorlog met zijn roem, zijn geld en zijn connecties zijn naam kon zuiveren – hij kreeg wel een publicatieverbod, maar dat was om de gemoederen te bedaren. Zoals Christian zijn vel wilde redden, zo redde Georges Simenon zijn eigen vel, door te draaien als een kerkhaan.
En daardoor kon het deze lezer overkomen dat hij vond dat er meer aandacht geschonken werd aan de moorden door het verzet gepleegd («Une meute de chiens enragés. Le pire était à venir.» p. 213) dan aan de moorden van de Duitse en Waalse fascisten, dat het deze laatste waren die het slachtoffer van de oorlog bleken te zijn. (Dat de roman bij Grasset verschenen is, heeft dan ook een ‘pikant’ randje.) Maar Simenon laat Maigret nooit oordelen of veroordelen, dat laat hij over aan de ‘hoge heren’ en dat doet Roegiers echter wel. Op p. 242 schrijft hij «La morale est une convention.» en daarmee stelt hij zich als schrijver terecht boven de maatschappij maar op de volgende pagina veroordeelt hij Simenon tot «un opportuniste intrépide, qui s’adaptait aux circonstances, sans problème de conscience, un affairiste doué (l’argent n’a pas d’odeur) et un individualiste forcené, indifférent aux malheurs des autres, soucieux avant tout de son plaisir et de son succès, qui se méfiait de tout en ne croyait qu’en lui-même.»

Er is ook het ‘project Roegiers’ en dit wil het vraagstuk België begrijpen: «Comment aimer ce pays? Pas un souffle d’air. La nuit s’insinuait partout. […]. Allure sinistre.». Zoals hij «Le bonheur des Belges» (2012) schreef als antwoord op ‘Het verdriet van België’ en een contraroman wilde schrijven, zo gaat hij ook in dit boek op zoek naar de ‘ziel’ van het versmade land, vraagt hij zich af waarom die kleinburgers leven en hoe ze leven. Er is die (voor mij) onbegrijpelijke fascinatie voor het Belgisch-zijn die het Belgische niet wil mythologiseren maar het wel doet door er over te schrijven in de veronderstelling dat de Belgische kleine man heel veel anders is dan de Franse kleinburger. En tot die geschiedenis behoort het Rex-verleden van Wallonië. Zo brengt Patrick Roegiers in herinnering dat het socialistische Wallonië een schaduw met zich meedraagt, één die zwart ís. Natuurlijk wordt hij uitgespuwd.

Advertenties