h.h. ter balkt en hugo claus (10) en daarbij nu ook louis paul boon

door johan_velter

In zijn poëzie vierde H.H. ter Balkt de vormloosheid door de vorm op niet-strikte wijze toe te passen: de hoogste vorm van chaos is in de vorm te vinden. Hij schreef sonnetten die geen sonnetten wilden zijn, zijn hymnen zijn geen hymnen en zijn rondelen zijn zelfs geen rondelen volgens de strikte vormdefinitie – zie daarvoor bijvoorbeeld het rondeel ‘Rondeel’ uit ‘Oud gereedschap mensheid moe’ (De Harmonie, 1975). Het rondeel bestaat uit 13 regels, normaal gezien zijn dan de regels 1, 7 en 13 aan elkaar gelijk en ook de regels 2 en 8. Bij Ter Balkt zijn enkel de regels 1, 4, 7 en 13 aan elkaar gelijk en is er geen ‘genormaliseerd’ rijmschema. Maar toch gebruikt hij de dichterlijke methoden: het rijm, de herhaling van de plaats van de werkwoorden, de klankherinnering, de betekenis benadrukken door tegenstellingen in te bouwen, door verschuivingen in te lassen en woorden en regels te herhalen.
Het monster schuilt niet zozeer in de poëzie van Ter Balkt maar wel in de roman ‘Zwijg’ (De Bezige Bij, 1973) die hij publiceerde onder de naam Foel Aos (Vuil Aas) maar waar de uitgever en of schrijver het toch wijselijk achtten om tussen haakjes de toenmalig gekende auteursnaam Habakuk II de Balker aan toe te voegen. Voor zover ik weet is het de enige maal dat het beroemde beeld van de bij (in welk stadium van stilering dan ook) vervangen werd door de zwarte kraai, de geliefde compagnon van Ter Balkt. De roman begint met een fout. Volgens het boek is de uitspraak ‘Alles stroomt’ van ‘Herodotus’ maar is het natuurlijk van Herakleitos – en dit werd ook zo aangepast in het verzameld proza uit 2009 waar de naam vervangen werd door ‘Heraclitus’. Deze roman, samen met ‘De gedenatureerde Delta’ (dit een tweede herziene druk), was een ‘derde herziene druk’, een ‘tweede herziene druk’ was in 2007 verschenen. Het is onduidelijk of zowel de tweede als de derde herdruk elk herzien werd. In het al genoemde interview met Ron Rijgrok in Awater 2008 laat Ter Balkt zijn verontwaardiging over de uitgever blijken en het zou dus kunnen dat de beide delen uit het verzameld proza die nu voor ons liggen de juiste versie zijn – maar het is en blijft noodzakelijk om de eerste editie bij de hand te houden. (De eerste vraag en antwoord voeg ik toe omdat deze uitspraak de kern van werk en persoon is.)
Daar schrijft u tegenin?
‘Ik schrijf tegen mezelf in. Dat je jezelf als het ware bestrijden moet.’
Waarom?
Hij denkt na. Wijst dan plots op zijn vorig jaar [2007, jv] opnieuw verschenen, herziene roman Zwijg, die op een stoel ligt, bij De gedenatureerde Delta. ‘Dat boek wordt opnieuw uitgegeven. Staat vol fouten. De Delta ook. Daar staan nog meer fouten in.’
Was u boos?
‘Nee, alleen maar totaal kapot, maar boos niet. Dan kun je een jaar niets doen. Er waren een paar dingen erg mis, onbegrijpelijk mis. Er was een heel toneelstuk gewoon weggelaten. […].’”
Deze roman is een monster omdat ook hij alle kanten uit swingt, er niet-literaire elementen aan toegevoegd worden en veel onduidelijkheid toegelaten wordt – want hoe duister kunstenaars ook kunnen zijn en hoe ze het donkere kunnen waarderen en propageren, het kunstwerk verklaart toch steeds, ook het donkere, ook dat het duistere meer recht van bestaan heeft en wanneer er niet verklaard wordt, als de dingen losgelaten worden, dan pas zien we hoe verklaard de wereld is.
En zie, op de eerste bladzijde van de roman, staan al de woorden ‘hakmes’ en torens’ – beelden die ook in het Hugo Claus-gedicht ‘4 c.c. belladonna’ een rol speelden. Even verder wordt geschreven ‘de taal ging zich als een stad gedragen, als een plattegrond, en werd koud en grommerig.’ (2009, p. 9). ‘Als een plattegrond’ is belangrijk omdat Ter Balkt daarmee aanduidt hoe de grilligheid, het vormloze verdwijnt en alles platgeslagen wordt zoals alles nu ook plat geslagen is. Het stedelijke milieu, en het modernisme is een stedelijk fenomeen, vernietigt het menselijke dat immers het particuliere is en maakt van een individu een massamens, egaliseert het menselijke om burgermannetjes te kweken. (De klassieke avant-garde zocht daarom een uitweg in de ‘negerkunst’: in de stad zijn en toch het vormloze van het niet-stedelijke in denken en handelen opnemen zonder te moeten terugkeren naar de eigen oorsprong, het boerlijke bestaan.)
Het boek, ‘Zwijg’, puilt uit van de namen – ook al heb ik eerder gezegd dat Ter Balkt aan de kant van het leven stond, Claus aan de culturele zijde. Maar het is toch zo: de cultuur is geen apart domein voor de zetel achter het gordijn maar wordt in het leven opgenomen: een kat geeft aanleiding tot een woord over Plato, een afgrijselijk idee doet denken aan Vasarely, enz. – zoals Albert Vigoleis Thelen het in zijn monsterboek ook deed. Het zijn figuren die zichzelf een bibliotheek zijn.
De roman is volstrekt onbegrijpelijk omdat er verschillende verhaallijnen door elkaar lopen maar wordt begrijpelijk wanneer je die begint te onderscheiden. ‘Zwijg’ is opgebouwd als de dubbelroman ‘De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren’ van Louis Paul Boon: er is het verhaal van een Nederlands r&r-bandje dat het land doorsjokt (en in de jeugd van ter balkt was r&r immers al de klank van de jeugd: iedereen wou gitarist, drummer of zanger zijn, het dichterschap was voorbij : er is ook een autobiografisch en tijdselement in de afwijzing door Ter Balkt van de poëzie, er is een autobiografisch gedeelte en een deel dat zich in de Middeleeuwen afspeelt, zoals bij Boon het Reinaertverhaal. Net zoals de boeken van Boon kan ook ‘Zwijg’ op een willekeurige bladzijde begonnen worden om gefascineerd binnen een andere wereld gezogen te worden. Ter Balkt haalt ook letterlijk elementen uit de buitenwereld naar binnen – net zoals hij dat ook in zijn gedichten gedaan heeft: een foto, een notitie, een tekening, waardoor hij het werk van Laurence Sterne in herinnering brengt. (Hugo Claus daarentegen was in zijn schriftuur veel conventioneler, bij hem bleef de taal de taal en het beeld werd slechts beschreven – zelfs in zijn bibliofiel werk (met uitzondering van die kleine Cobra-boekjes) bleef het braaf bij beeld naast woord.) Ook al wordt gezegd dat Ter Balkt geen taaldichter was in de betekenis dat hij over de taal dichtte en die problematiseerde, toch is er in de roman een bewustzijn aanwezig over wat en hoe de dingen gedaan worden.
Er is veel over deze roman te vertellen, nochtans doodgezwegen door de academici, ik beperk me nu tot kleine verwijzingen, gelijkenissen en verbanden met Hugo Claus.
Net zoals Claus met zeer veel genoegen spreekt over de inboorlingen, zo doet ook Ter Balkt het (bijv. op p. 24) en beiden gebruiken dat woord om ‘klootjesvolk’ niet te moeten hanteren.
Ter Balkt gebruikt veel het beeld van de Vlaamse Gaai en al is dit een verwijzing te ver, toch dacht ik er dikwijls een naar Claus in te zien. Deze vogel staat voor de ruziezoeker, de gemenerik, maar ook de babbelaar, hij is een symbool van de dwaasheid. In vroeger tijden werd de Vlaamse Gaai gevangen, in een kooi gestopt en geleerd woorden en zinnen te zeggen – natuurlijk zonder bewustzijn. In Frankrijk werd de vogel als huisgenoot gezien en dikwijls aangesproken met Jacques. En zo is het dan ook geen toeval dat Denis Diderot zijn meesterwerk ‘Jacques le fataliste et son maître’ genoemd heeft: Jacques staat dan voor de onnozelaar, de praatjesmaker – en dan moeten we het boek lezen als een geactualiseerde ‘Lof der zotheid’ van Erasmus, een omgekeerde wereld. Als we Claus met de Vlaamse Gaai verbinden dan moeten we dit bij Ter Balkt lezen als een praatjesmaker – bestaat er een interview waarin Claus met de monden vol tanden staat? En het verbinden van Claus met de Vlaamse Gaai is ook niet zo eigenaardig als we in herinnering brengen dat Lizzy Sara May in haar gedicht ‘Plechtige ode aan Hugo’, althans ik veronderstel dat dit gedicht over Hugo Claus gaat, hem aanspreekt met vlaamse gaai en in hetzelfde gedicht de kraai vermeldt, toch de vogel van Ter Balkt – maar ook nu lijd ik weer aan de Jean Weisgerberziekte – maar door de onernst is mij de vrijheid veroverd. Het gedicht is te vinden in de bundel ‘Het depressionisme (De Bezige Bij, 1988) en ik citeer het hier volledig – omdat ook haar oeuvre eigenlijk al uit de wereld verdwenen is:
Saluut! o, vlaamse gaai
meester der improvisatie
koploper van de natie en
des konings kraai

je harnas genaamd liefdesmantel
waarnaar de vrouwen smachtend loeren
trek je snel uit wanneer ze koeren :
duiven vang je in een handomdraai

op het belfort onder ’s hemels
puilend oog speel je de prins
steek je de koning naar de kroon
en breekt het eigen hart

de kraai is zoon
is smart

In dit gedicht komt de praatzucht (strofe 1), de praalzucht en de hofmakerij (strofe 2), de behaagzucht (strofe 3, waar we ook een mooie verwijzing naar het gedicht ‘Theater’ uit de bundel ‘Alibi’ (1985) van Claus zelf vinden) en de psychologie van en voor de vrouw (strofe 4) aan bod – en via Lizzy Sara May horen we de stem van H.H. ter Balkt die volmondig met deze visie instemt.
H.H. ter Balkt nam dit gedicht in zijn Parool-kritiek van 21 maart 1988 op, noemde het ‘warm en krachtig’.

Advertenties