h.h. ter balkt en hugo claus (9)

door johan_velter

Er zijn ook de zelfcitaten en/of de herhalingen, een cluster begrippen en woorden die telkens terugkomt waardoor men de indruk kan krijgen dat het werk zichzelf herhaalt en ter plaatse trappelt en/of dat het zich zo verdiept. Het ‘Heer Claus’ en zijn gevolg uit ‘4 c.c. belladonna’ van Habakuk II de Balker, komt terug in het gedicht ‘Hitte, hitte’ (Helgeel landjuweel, 1977) als ‘Heer der scharen’. Het ‘hakmes’ verschijnt weer in het gedicht ‘Luther’. Het ‘roestend slot’ wordt herhaald in het gedicht ‘Gegroet!’, het eerste gedicht uit dezelfde bundel : ‘aan het hangslot knarsten roestig / de jaren,’. Over de klokken schrijven is al te evident, ook ‘lood’ komt meermaals voor. ‘De wegwijzer’ lezen we ook in het gedicht ‘Waar moesten wij dan ons hoofd neerleggen?’. De ‘klauwaerts’ krijgen in het gedicht ‘t Spel van de brandende wagens’ de leliedragers als tegenwicht. In het Claus-gedicht rijden de torens, in het gedicht ‘Kleine rode haan’ ‘reden gele huizen voorbij op wielen’. En de klem, de klem (‘Intocht van de leliedragers I’)!
Ik weet wel: het zijn woorden en maar woorden maar de verbanden tonen aan hoe het Claus-gedicht een integraal onderdeel van Ter Balkt’s oeuvre uitmaakt en geen uitzonderlijke thematiek behandelt.
De bundel ‘Helgeel landjuweel’ werd geschreven ‘bij de 400-jarige Herdenking van de Beeldenstorm (1566-1966)’ en de thematiek is daarmee verwant met die van het ‘Claus-gedicht’ – maar ook algemener met het oeuvre van Claus, zie daarvoor bijvoorbeeld ‘Heer Everzwijn’ uit 1970. De Middeleeuwse wereld der beeldenstormers wordt vergeleken met de toenmalige beeldenstormers waarbij Ter Balkt speelt met het woordenpaar hongerjaar-wonderjaar. En Hugo Claus had met zijn ‘Het teken van de hamster’ (1963) zijn definitieve keerpunt naar de wereld toe neergeschreven.
Er is bij beide dichters eenzelfde interesse in het verleden. We hoeven slechts ‘Tondalis’ visioen’ van Ter Balkt en het gedicht ‘Visio Tondalis’ van Hugo Claus (https://soundcloud.com/basta-music/visio-tondalis-erik-voermans-hugo-claus ) te noemen (en luister naar de torens …). Het gedicht van Claus komt uit de bundel ‘Een geverfde ruiter’, een bundel die hijzelf ‘hermetisch’ noemde. Het verhaal van Tondalus (de nederdaling in de hel) wordt als een ‘voorspiegel’ van Dante’s werk gezien – en is Dante niet het voorbeeld voor alle dichters? Beiden hadden interesse in de randgebieden van de geschiedenis (mystiek, alchemie), beiden hadden geen specialistische kennis maar waren liefhebbers van encyclopedieën en beiden hadden ze de gave om van een onnozel detail een betekenisvolle stapsteen te maken.
Beiden hebben elk op een eigen manier de schilderkunst tegenover de lyriek en epiek gesteld en ze ook samen als een koppel trekpaarden beschouwd om de kunst en de cultuur voort te jagen. Beiden hebben de citeerkunst tot de uiterste grenzen gedreven, soms zijn de citaten als citaat herkenbaar maar niet traceerbaar, of wel, soms zijn ze onherkenbaar en kan slechts met heel veel twijfel en onzekerheid gesuggereerd worden. Ondanks de latere afkeer van Ter Balkt, is het toch duidelijk hoe hij door Ezra Pound beïnvloed is geweest (‘Woeker streek over ons / als de wiek van de molen.’). Beiden hebben ook de taal vernieuwd door dialectische/oud-Nederlandse woorden te gebruiken (Ter Balkt bijvoorbeeld: ‘van hier tot gunder’). Beiden hebben de gave gehad dat we zinsneden uit hun verband kunnen rukken en ze tot algemene, altijd geldige uitspraken kunnen bombarderen (Ter Balkt: ‘De kooplieden houden ons voor ezels!’). Beiden hebben gedichten van de brede en grote adem geschreven, beiden hebben ook ‘kleinwerk’ gemaakt (Ter Balkt, bijvoorbeeld ‘Consumeer en potverteer’). Beiden gebruiken op een intrigerende manier leestekens: Ter Balkt zet dikwijls geen punten, laat afkappingstekens weg of zet een volledig gedicht tussen aanhalingstekens (‘De tijd’), Claus is op dat vlak iets conventioneler maar ook zijn aanhalingstekens zijn een typografisch-filosofische studie waard.
Het vele, het overdadige bindt beide dichters: zowel Ter Balkt als Claus heeft zich uitgesproken tégen het schrale in de Nederlandse literatuur. Claus woonde een tijd in Amsterdam, werd Nederlander maar bleef Vlaming. Ter Balkt in Nijmegen en omstreken was Vlaams als Breughel. In 1986 zei Hugo Claus in zijn dankwoord bij de toekenning van de ‘Prijs der Nederlandse letteren’ :
Daarom wil ik de Nederlandse taal
in haar vele gedaanten prijzen,
dat rauw gegorgel, die weerbarstige melodie,
de vrouw en de minnares en de weduwe van de schrijver,
met haar kwalen en luister, haar zang en haar ontrouw,
haar passie en haar kou.
hh ter balkt_pc hooftprijs 2003_foto anp robin utrecht
En in zijn dankwoord voor de P.C. Hooftprijs 2003, raadde H.H. ter Balkt zijn toehoorders aan naar het Zuiden te gaan en dat leeggeruimde platte land daarboven te verlaten en in te ruilen voor het barokke.
Claus was de dichter van en voor de meisjes, zijn liefdespoëzie bezingt soms wel het rauwe van zichzelf en de vrouw maar het is en blijft wel ‘echte’ poëzie. Ter Balkt heeft 1 (wondermooi) liefdesgedicht geschreven, hij was de dichter van het bedreigde, van de dingen, de natuur, het vergetene, de wereld der dingen. Claus zette zijn personages in situaties – bij hem is er steeds sprake van een ‘experimentele’ werkwijze: hij bekijkt zijn figuren als waren het ratten. Hij staat achter het venster.
Claus was en wilde een baudelaireaanse dichter zijn, de dichter van het moderne leven. Ter Balkt verguisde niet helemaal het moderne leven maar had toch liever het ruwe bestaan.
Claus was een cultuurmens, Ter Balkt een levensmens, hij is misschien nog het best te vergelijken met Albert Vigoleis Thelen. Claus was de gladde eikel, de man die niets ernstigs nam, volgens Ter Balkt geen standpunt had over de wereld en als hij er een had (over Cuba bijvoorbeeld), dan was het een verkeerd. Claus droeg een zonnebril (W.F. Hermans noemde Claus in 1 van zijn vele minderwaardige ‘beschouwende’ stukken: ‘het zonnebrilletje in huis’ – maar kunnen we daar geen verband leggen met ‘belladonna’?), het teken van de dandy – dat Claus géén zonnebril droeg, is natuurlijk een detail. Claus was veel internationaler gericht dan Ter Balkt, die toch vooral op zijn eigen omgeving gericht was. Claus was meer op de vorm en de intern-culturele traditie gericht; Ter Balkt zocht betekenis op maar liet zich te veel meeslepen in een particuliere betekenisgeving. En ook hij liet zich door de vormverscheidenheid inspireren en voortdrijven. Beiden hadden de beweging, de beweeglijkheid in de kern van hun oeuvre staan.
Ter Balkt cultiveerde de compassie met de dingen, de natuur – bij Claus is er weinig sprake van compassie; bij Ter Balkt kunnen we bijna spreken van een animisme, bij Claus is de metamorfose een stijlmiddel, een wegglijden van de betekenis. Claus gebruikte het verleden om het moderne weer te geven; Ter Balkt om het moderne te keren. Bij Claus zijn er personages, hoe onduidelijk en amorf ook geschetst; bij Ter Balkt is veel onaf, er is zelfs geen sprake van een amorfe vorm maar van het vloeiende en daarmee is hij (tegen wil en dank) ‘postmodernistisch’. Ter Balkt verwijt Claus zijn afstandelijkheid van de wereld, zijn ivoren toren en toch stond Claus dichter bij het leven dan Ter Balkt (ook al kon hij geen autorijden en was internet voor hem een stap of drie te ver). Ter Balkt de zanger van de blues en de rock; Claus de zanger van de smartlappen, de populaire radiohits, de oude jazz, de hedendaagse klassieke muziek (Poulenc) en John Blow.
Ter Balkt verheerlijkte het Vlaamse, Claus werd toch vooral als een nestbevuiler gezien (zoals ook later Orhan Pamuk en Salman Rushdie door hun eigen ‘bevolking’ gezien werden). Net zoals Michel de Ghelderode maakte Ter Balkt van Vlaanderen een imaginair paradijs, Hugo Claus ontmaskerde die pretentieuze illusie. Claus was een mens van de stad, Ter Balkt van het landleven, de boerenbuiten. Claus zoekt kennis in het artificiële, Ter Balkt ziet de wijsheid van het leven. Beide dichters zijn geworteld in de traditie: Claus gebruikt die (misbruikt die); Ter Balkt ís die traditie. Omdat Claus meer modernist is, staat hij ook meer buiten de wereld dan Ter Balkt – wat het omgekeerde van het traditionele beeld is. Al behoorde Claus tot het literaire establishment en Ter Balkt niet, toch stond Claus afzijdiger van de wereld. Al geselde hij, hij was geen predikant. Hij was en bleef het kind met de hoepel.
hugo claus_de geruchten
Verschillen en overeenkomsten en hadden beiden eenzelfde literair programma. Dit alles toont aan hoe rijk het modernisme aan mogelijkheden was/is, hoe dichters tegen elkaar konden opbotsen, toch een gelijke weg konden afleggen, delen konden afwijzen, elkaar toch konden waarderen.
En voor Claus was Wallace Stevens het keerpunt in zijn leven, voor Ter Balkt was Stevens 1 van die te verfoeien grootheden. Maar juist op dit punt komen we weer bij een merkwaardige ‘vorm’gelijkenis terecht.

Advertenties