h.h. ter balkt en hugo claus (8)

door johan_velter

hh ter balkt_habakuk ii de balker
Enerzijds schoor H.H. ter Balkt alle dichters en alle Vijftigers over dezelfde kam, anderzijds heeft hij ooit verteld dat hij toch wel door Lucebert beïnvloed is en dat sommige ‘romantische’ dichters, bijvoorbeeld Keats, het hoogtepunt van de dichterlijke ‘beweging’ vormden. Of vertelde hij dat hij toch wel ook door Ezra Pound gecharmeerd was maar dat hij hem ‘verlaten’ heeft. Van de Vijftigers was niet alleen Kouwenaar de ‘overbodige’ dichter, ook de anderen waren dat. En toch kon hij Hugo Claus waarderen. In een interview in ‘Awater’ (zomer 2008) beschreef hij tegen Ron Rijghard wat hij tegen de Vijftigers had : ‘En dat die Vijftigers alleen maar oorlogsbestendigers waren en niks nieuws brachten. Alleen oude flauwekul van Tristan Tzara, Hugo Ball en anderen. […] Het was lawaai. De Vijftigers hadden weinig inhoud, alleen nieuwe vormen. […] Maar de vernieuwing stokte. Lucebert herhaalde zich al vrij snel. De enige die overeind bleef, was Claus.’
Maar Ter Balkt doet soms wel eens denken aan oma Launch van Saul Bellow wiens gedachten, meningen, ingevingen en associaties nogal wild konden zijn en niet altijd even consistent waren.
De titel van het boek luidt ‘Het lab van de sixties : positionering en literair experiment in de jaren zestig’ en de onderbetekenis van een titel als dit luidt: ‘als we maar geen boeken moeten lezen’. De samenstellers zijn Lars Bernaerts, Dirk De Geest, Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck en telkens weer verzucht ik bij het lezen van dit soort boeken dat men toch dringend een boek over wetenschapsfilosofie zou moeten lezen. Men doet amechtige pogingen om de zaken te definiëren (‘gelijk in de echte wetenschap, awoar’) maar dit lukt niet echt – omdat de poging ook onzinnig is en een achterhaalde rest is van een voorbij positivisme en denken doet aan het zogenaamd historisch-materialisme van de Sovjet-Unie. De werkelijkheid is immers nog iets anders dan de kunst en dus kan een, zelfs niet noodzakelijk snuggere lezer, al snel een elfendertigste voorbeeld vinden om de zogenaamde definitie te ontkrachten – kunst bestaat juist bij de uitzondering – vandaar de lamentabele toestand van de hedendaagse kunst. Maar niet alleen zijn er telkens weer die onzinnige pseudo-wetenschappelijke pretenties, ook zijn er steeds die halve definiëringen: men vergeet te kijken naar de andere helft van het fenomeen om zo een eigen gelijk te halen. En daarenboven weet men verder niet wat men moet doen met de definities: moet dit nu opgelegd worden aan alle schrijvers? Zijn de afwijkingen marginaal? Is de marginaliteit te laken of te prijzen? En wat heeft het voor nut om definities te willen ontwerpen om die in kleinere gehelen op te delen terwijl die onderdelen niet behoren tot het geheel maar vanuit een andere visie stammen?
In dit boek schreef Tom Sintobin (achteraan het boek schrijft hij over zichzelf : ‘Hij publiceerde in boeken en tijdschriften over Nederlandse en Vlaamse literatuur uit de negentiende en de twintigste eeuw. Themata als regionalisme en toerisme vormen daarbij zwaartepunten, vooral in de periode 1880-1940.’, nochtans in 1974 geboren) het artikel “’Het fabeldier der Vlamingen’ : de positionering van Hugo Claus in interviews uit de jaren zestig’, en uiteraard tracht hij ons wijs te maken wat een interview is. Ik bespaar u. (Alleen dit nog: hij vergeet te melden dat een interviewer niet los van de werkelijkheid staat en dat Hugo Claus in staat was om een onderscheid te maken tussen Piet Korrel en Johan De Roey of Herman J. Claeys – die door Sintobin J. Claeys genoemd wordt.)
hugo claus_reconstructie
Hugo Claus wordt dikwijls als een mystificateur gezien, een speelvogel genoemd (maar volgens het woordenboek betekent dit ‘bedrieger’). Het zou echter menigeen nog kunnen verbazen hoe weinig ‘leugen of verzinsel’ Claus vertelt en hoeveel ‘leugen- of verzinselinterpretatie’ in het hoofd van de interviewer en de zogenaamde literatuurwetenschapper huist – en daarbij aansluitend: hoeveel autobiografische ‘waarheid’ de boeken van Claus bevatten. Dit doet niets af aan de waarde van de romancier/dichter/toneelschrijver.
Sintobin onderzoekt hoe Claus zich presenteerde in interviews (wat dus een deel van het publieke personage Hugo Claus bepaalde en waartegen Habakuk II de Balker zich – gedeeltelijk – keerde) en ziet 4 gezichten: ‘het verwaande monster’, ‘de herrieschopper’, ‘de legende van de ivoren toren’, ‘de bedrieglijke aansteller’ – waarbij 1 en 4 nogal wat overeenkomsten kunnen bezitten. Het geciteerde zijn de ‘tussenkoppen’ van het artikeltje van Sintobin, die bold staan, niet tussen aanhalingstekens geplaatst zijn en het is dus onduidelijk of de wetenschapper een moreel oordeel uitspreekt of dat hij anderen citeert.
Sintobin vertelt in zijn inleiding niet in hoeverre de onnozelheid of de goedgelovigheid van de interviewer een rol speelt in het uiteindelijk verslag. Hij maakt ook niet duidelijk dat interviewers als Johan Anthierens en Freddy De Vree tot het Hugo Claus-kamp behoorden (en van de media was het eigenlijk vooral de toenmalige BRT die onvoorwaardelijk achter de schrijver stond) en dat Claus en zijn interviewers uiteraard een 1-2-spel konden opzetten – het onderzoekje is daarom te eenzijdig: gebeurt ‘de positionering van Hugo Claus’ door hemzelf, door de interviewers of door het samenspel – dat Sintobin daar nog fotografen, grimeurs en zetters bij betrekt is een eigenschap van onwetenschappelijkheid, nl. geen onderscheid te kunnen maken tussen hoofd- en bijzaken. (Ook is het nogal raar dat er overvloedig geciteerd wordt uit het nog niet verschenen werk van Gillis J. Dorleijn en Pieter Verstraeten («L’interview littéraire aux Pays-Bas : l’institutionnalisation d’un genre complexe») en dat hun niet te verifiëren uitspraken ‘naar analogie met Jérôme Meizoz’ (p. 69) opgezet zijn – is het begrip ‘naar analogie’ hier niet op een onwetenschappelijke manier gebruikt?
Uit dit artikeltje haal ik 26 eigenschappen (in werkelijkheid kunnen er dus meer zijn) die Hugo Claus als een ‘bekendheid’ kenmerken. Een spel gelijk.
Zelfzekerheid die verwaandheid kan zijn (het marmer van Ter Balkt). De grappenmaker (het tweesnijdend hakmes bij Ter Balkt). Zeer intelligent (de toren). Zelfkritiek (staat i.t.t. het marmer). Machtswellust en megalomanie (Heer Claus en zijn gevolg). Geen analytische geest (het gevolg van maden, maagden, zwammen, … : de middeleeuwen). Aanklager van wantoestanden in Vlaanderen (de klauwaerts). Een agressief, militaristisch taalgebruik (bloed, loden kloten, Cuba) en een schreeuwlelijk (schrijft (grauw zwaard)). Taboe-overschrijdend en tuk op ‘schandaaltjes’ (Blauwbaard). De kostwinner (de goudbaar). De minachter (zijn lila harp zweeg). De maniërist (zo noemt Sintobin Claus niet), hij die de kant van de kunst kiest (de torenheilige). De aansteller (de kleur lila). Het onnatuurlijke (palts). De middelen zijn geoorloofd (rechts). Het beweeglijke, tegen de verstarring (de middeleeuwse stoet – maar Ter balkt bedoelde dit niet zo: het marmer duidt op de zelfzekerheid maar ook op de verwaandheid). Claus, de noeste werker (torens rijden). De oprechte mens en schrijver (Ter Balkt spreekt hem wel aan met ‘Heer Claus’ – wat onvoorstelbaar zou zijn voor iemand als Gerrit Kouwenaar). De galante man (minnestreel). De gids, de uitlegger (het knielend volk verwachtte dat …). De vader en echtgenoot (huis). Wil tot controle (de heer en zijn gevolg) en tenslotte het miskende genie (Cuba).
Het beeld is dus diffuus en niet eenduidig – waarmee beide dichters recht gedaan wordt. Het beeld dat Habakuk II de Balker van Claus schetst is niet helemaal correct en de feiten waarnaar verwezen wordt, zijn niet dezelfde als die Sintobin in zijn snel overzicht bij elkaar gesprokkeld heeft. (Diens conclusie is ook onwetenschappelijk als hij schrijft dat Claus ‘de prototypische vorm van het interview in die jaren op losse schroeven’ gezet heeft zonder aan te tonen wat die prototypische vorm dan wel was en hoe anderen met die vorm omgingen. Misschien ging het dan toch niet zozeer om de prototypische vorm maar om de inhoud, de betekenis?
H.H. ter Balkt: “En de ster Venus is de ster Venus en niets dan de ster Venus / Schuw de nachtschaden en een koud hart vol van rag // En beteugel ons, elektronen En beteugel ons / Laat af te morrelen aan eeuwenoude ketens” (Ode aan de betekenis, uit ‘tegen de bijlen’ (1998)
Hugo Claus : “Hermetisch? Ikke. Op mijn oude dag, met mijn getemde lach, mijn tevergeefs gebalder? Ik die het bestaande bevend zit te kopiëren / niettegenstaande. // […] Buiten wijs ik met mijn vinger naar de / maan. / Hij blijft kijken naar mijn vinger.” (Interview, uit ‘Wreed geluk’, 1999)

Advertenties