h.h. ter balkt en hugo claus (6)

door johan_velter

Met zijn gedicht ‘4 c.c. belladonnna’ uit ‘Boerengedichten’ (1969) geeft Habakuk II de Balker / H.H. ter Balkt ons een beeld hoe Hugo Claus op het einde van de jaren zestig gezien werd – niet door de goegemeente maar door een opkomende, zelfbewuste dichter die een bepaald soort poëzie afwees en bestreed maar zelf bijzonder goed op de hoogte was van de poëticale mogelijkheden en de grenzen ervan constant aftastte, overschreed en opnieuw maakte en hij was iemand die zijn cultuur en geschiedenis door en door kende.
Hugo Claus was niet de enige die in deze bundel aangesproken werd. In de afdeling ‘Spreuken en krassen’ wordt H.C. ten Berge gemaand. Ten Berge was toen een beginnende grote dichter, die zijn belofte niet helemaal heeft waargemaakt, en hij was de oprichter van ‘Raster’ (1967) wat toen als de opvolger van ‘Merlyn’ gezien werd en dus was Ten Berge een ‘natuurlijke’ schietschijf voor Ter Balkt:
‘Notitie voor H.C.t.B.
Het gemaakte verraadt de maker.
Het gemaakte slaat de maker.
Het gewraakte kraakt de maker.
Lof hangt hem in het loofwerk.’
Ter Balkt slaat bij iedere zin met zijn vuist op de tafel: oeuvre en schrijver zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: er is een wederkerigheid. De schrijver heeft geschreven vanuit zijn eigen leven maar het werk slaat terug naar de maker: het overstijgt de persoon en vernietigt die zelfs. Het loofwerk verwijst naar de omkranste hoofden van eeuwige dichters: toch krijgt de dichter lof.
Is het beeld dat Ter Balkt van Hugo Claus tekent correct? Die vraag is wellicht niet helemaal relevant (het is voor het gedicht ook niet nodig te weten of Ter Balkt nu zelf een Cuba-vereerder was of niet): het is een beeld dat aantoont hoe dominant Claus aanwezig was. Dat er meerdere gelijkenissen zijn tussen Ter Balkt en Claus verklaart misschien gedeeltelijk de uitgebreide ‘aanval’, in ieder geval toont het gedicht ook aan welke goede dichter Ter Balkt toen al was – vergeet niet dat dit een gedicht uit een debuutbundel is.
Ter Balkt noemt Claus rechts. De discussie links/rechts was in die jaren een publieke discussie geworden want de tegenstelling was nieuw. De jaren na de Tweede Wereldoorlog waren de jaren van de wederopbouw, er was geen sprake van links of rechts (men was antifascist of niet, communist of niet). Mondiaal waren er blokken maar in elke blok was er (moest er) eensgezindheid (zijn). De onvrede, de aliënatie, het thuisloosheidsgevoel begon in de jaren vijftig en breidde zich in het volgende decennium uit tot een massabeweging. Binnen het kapitalistische blok begonnen de regenten langzaam te beseffen dat er een oppositie was die zich keerde tegen de macht zelf: de eigen zonen en dochters wezen de moeders en vaders af. Een nieuw democratisch begrip deed zijn intrede: niet de leiders moesten gevolgd worden maar elke burger moest positie kiezen: was men voor, was men tegen: het woord moest uitgesproken worden (en Ter Balkt stelde schamper dat er wel woorden maar geen daaruit vloeiende daden waren).

hugo claus_wat is links

Bij J. Sonneville verscheen in 1966 als tweede Sigma-boek de interviewbundel ‘Wat is links?’. Herman J. Claeys ondervroeg een aantal Vlaamse en Nederlandse schrijvers (opvallend is dat iemand als Albert Bontridder ontbrak maar ook dat Louis Paul Boon of Willem Frederik Hermans in dit boek niet aanwezig waren). Het werk kende op 1 jaar tijd (minstens) twee drukken en van alle auteurs die ondervraagd werden zijn alle namen nog gekend door oudere lezers (ook al is er nauwelijks nog iets verkrijgbaar van mensen als Georges Adé, Piet Van Aken, Ben Cami, enzovoort) met uitzondering van de op de omslag vermelde auteur ‘Constant Peeters’ – die echter volgens het boek zelf Carel Peeters blijkt te zijn.
Onder invloed van de huidige nationalistische troep wordt ook Hugo Claus tot Vlaams-nationalist gepromoveerd of naargelang de behoefte tot belgicist – maar de onnozelheden over Hugo Claus stapelen zich op als men hem zelfs tot een Buffalo-fan bombardeert terwijl men het gedicht, de woorden zelf, niet leest en zeker niet begrijpt. Minderwaardige geesten kennen geen ironie : (http://www.knack.be/nieuws/boeken/hugo-claus-dichtte-het-in-1993-al-a-a-gent-wordt-kampioen/article-normal-573171.html ).
Beide standpunten zijn historiserend en dus vals. De familie van Hugo Claus heeft gecollaboreerd maar heeft dit niet uit grote overtuiging gedaan, ook al was men voor de vitrine Vlaamsgezind en katholiek, maar om het geldelijk gewin en getuigde daarmee van een lamentabel moreel bewustzijn. ‘Het verdriet van België’ kan ook als een moreel traktaat gelezen worden – ik herhaal het: Hugo Claus was een moralist – hoe ‘zij’ géén verantwoordelijkheid opnamen voor hun woorden en daden (wegglipten als palingen, rationalisaties uitvonden en de anderen de schuld gaven) en hoe ‘ik’ die verantwoordelijkheid wel opnam en bewust de andere kant koos.
Net zoals iedereen die ietwat links georiënteerd was, was ook Claus op zeker moment een ‘flamingant’ – wat niet gelijk staat aan het essentialisme van het huidige vlaams-nationalisme – omdat dit het verzet tegen de regenten verenigde. De Volksunie was een soort D66, een anti-establishmentpartij, die nieuwe thema’s (zoals milieu) op de politieke agenda zette, die de nieuwe cultuur naar het volk bracht, die zich verzette tegen de verzuiling en de maatschappelijke en persoonlijke relaties op een realistischere manier begon te zien. Vanop de kansel verboden de bisschoppen en hun trawanten de priesters op de Volksunie te stemmen, wie dit toch deed mocht de communie niet meer ontvangen. Deze mogelijkheid tot bevrijding is echter niet verwerkelijkt: de collaborateurs hebben te snel de macht overgenomen, de carrièristen hebben het gedachtengoed verkwanseld – altijd dezelfde weg. Maar Claus was uiteraard ook geen belgicist, want België staat voor de macht, de verkalkte structuren, de kerk en de monarchie.
Hugo Claus was niet links als we links begrijpen als een maatschappijbeweging die streeft naar het overnemen van de productiemiddelen, het omvormen van de klassejustitie naar een rechtvaardige rechtspraak, een onderwijs wilde dat kinderen leerde burger te zijn en die begreep wat internationale solidariteit was. Claus was links op persoonlijk vlak en behoorde daarom, net zoals zijn familie, tot het rechtse anarchisme, maar bij hem was er toch minder sprake van opportunisme.
In het interview met Herman J. Claeys zegt Claus: ‘Links zie ik sentimenteel. Links is voor mij : wat geen genoegen heeft genomen met een bestaande orde, die in onze maatschappij bijna altijd voor de mens beperkend is en zelfs schadelijk.’ (p. 137). De oppositie wordt gevormd vanuit het eigen ik, ‘links’ wordt niet verklaard door hoe een betere maatschappij er moet uitzien – links is een gevoel van opstand (en dit verschilt in niets bij wat vandaag als ‘tegenbeweging’ gezien wordt). Het linkse ligt voor Claus in het werk zelf (de auteur kan rechts zijn maar hij kan linkse boeken/bladzijden schrijven – of omgekeerd). Iemand als Ionesco, die toch behoort tot de avant-garde, wordt door Claus als rechts gezien omdat hij in een metafysische literatuur zit: ‘De bekommernis om de mens a priori uit zijn concrete, hedendaagse verband te rukken, de nostalgie naar het eeuwige in de mens.’: dit is voor Claus het kenmerk van het rechtse in de literatuur – de valse, schone woorden, de schoonheid, de goedheid, het land – weg van de mens. Tegelijkertijd is dit wat Ter Balkt Claus verwijt: dat hij niet de concrete mens kent, dat hij het ‘echte’ leven niet kent.
Maar : de macht moet ook anders gezien worden. Voor Ter Balkt behoorde Hugo Claus tot het establishment, hij was een onderdeel van de literaire machinerie, niet alleen door de ‘structuren’ (want Claus deed niet mee) maar wel door het bepalen van wat literatuur nu is/moet zijn en uiteraard ook door zijn aanwezigheid op allerlei soorten podia.
In het interview met Herman J. Claeys zegt Claus echter ook dat hij zijn “hermetische gedichten in een boekje als ‘Een geverfde ruiter’” niet afzweert maar op zijn recht staat verschillende soorten literatuur te mogen schrijven. Claus is dus niet zo eenduidig als de tijd van hem verlangt: hij nuanceert en vervalt niet in de clichés: het ‘halfzacht gewauwel’ (p. 140) van Simon Vinkenoog keurt hij ten stelligste af. En hij vindt dat de schrijver duidelijk stelling moet nemen door te zeggen wat niet deugt. ‘Het nieuwe schrijven’ van Claus verklaart hij aldus: ‘Ja, dat is dus al een afstand nemen van wat er vroeger aan esthetisch spel de voorkeur kreeg en ook aan het introspektief gewroet. Dat interesseert me nu praktisch niet meer. De ziel en de psychologie gaan naar de achtergrond verschuiven.’ (p. 144-145). Ook dit staat in contrast met wat Ter Balkt Claus verwijt in zijn gedicht ‘4 c.c. belladonna’ : de wending van het persoonlijke en het psychologische naar het maatschappelijke en het structurele is echter niet consequent en effectief uitgevoerd: Claus is de liefdesdichter gebleven, hij heeft de analyse van menselijke relaties verdergezet, hij heeft maatschappelijke toestanden aangeklaagd – maar op een volkse, geen analytische, wijze. Claus was geen Bert Brecht, geen Orhan Pamuk, geen Václav Havel.
Ter Balkt geloofde de woorden van Claus niet – en misschien had hij wel gelijk.

Advertenties