h.h. ter balkt en hugo claus (5)

door johan_velter

In de derde strofe van ‘4 c.c. belladonna’ (Boerengedichten, 1969) wordt Hugo Claus door Habakuk II de Balker aangesproken als ‘Heer Claus’ (in 1970 zal Claus zijn bundel ‘Heer Everzwijn’ doen verschijnen). De aanspreking staat hier op een aparte plaats, normaal gezien komt de ‘envoi’ in de laatste strofe voor (of zoals Claus zijn gedichtenbundel ‘Gedichten 1948-1993’ besloot met het gedicht ‘Envoi’). Omdat de ‘prince’ werd aangesproken, wordt deze strofe ook een ‘prince’ genoemd, de minnestreel van de tweede strofe is dus niet toevallig daar gekomen. De Provençaalse troubadour bezingt de geliefde en richt zich tot de hogergeplaatste. Maar de ‘inspiratiebron’, de ‘verwijzing’, de ‘verwantschap’, het ‘voorbeeld’ voor Ter Balkt zal eerder Anthonis de Roovere geweest zijn, de door H.H. ter Balkt geliefde dichter uit de 15de eeuw. Hugo Claus wordt in deze strofe als een heer aangesproken en beschreven.
f
Heer Claus, Gij en Uw middeleeuws gevolg van maden
maagden, zwammen, bloedspatten, loden kloten, draden
slijm en rag, aanvaard mijn eerbetoon:
een hamsterkop in bloedloogzout gebraden.
Die eerste regel toont hoe ‘Vlaams’ Ter Balkt wel is: de vermenging van Gij en Uw is nog steeds een dagelijkse praktijk. Toch is wat Ter Balkt schrijft ook ‘Nederlands’: Claus is als een god (Gij) en een potentaat wordt met ‘Uw’ aangesproken.
Maar wat Ter Balkt beschrijft is geen geschitter van goud en zilveren vaatwerk, geen heldhaftig gewapper van vlaggen, geen parade van verblindende schoonheden met adembenemende borsten en billen en wat hem aangeboden wordt is geen wierook, mirre en goud.
Onvermijdelijk moeten we bij deze strofe denken aan de film Godfather (uit 1972!, het boek van Mario Puzo verscheen in 1969) waar Tom Hagen een afgehakt paardenkop (natuurlijk heeft een paard een kop) in zijn bed krijgt.

hh ter balkt_hamsterkop-paardenhoofd

De hamster verwijst naar de bundel ‘Het teken van de hamster’ uit 1963 van Hugo Claus zelf. Wat Claus toegeworpen krijgt is een schamel beest: een hamster is klein en was in die jaren een ‘modebeest’: niet alleen kinderen kregen dit huisdier, ook volwassen vrouwen hielden het dier als was het een klein hondje terwijl het een muisachtige is. De hamster is iets minderwaardigs, ook vreemd.
‘Bloedloog’ is een combinatie van bloed en pruisisch blauw en benadert daarmee het lila van de tweede strofe – waar het twee keer negatief verscheen : de lila harp is het meisjesachtige; de lila akkers verwijzen naar de overheersing. (Er bestaat ook geel bloedloogzout.) Het zout is nodig om het dode dier te bewaren: nochtans is er niet veel te halen – ook al at Claus graag nieren en hersenen, wat anderen weggooien:– o, het uitzuigen van de kop.
Hugo Claus wordt als een aanvoerder beschreven maar wat hij met zich meebrengt behoort toch eerder tot een alchemistische, stoffige wereld die vergaat én onderdrukt (ook dat is typisch voor Ter Balkt: net zoals in de Middeleeuwen hebben de dingen verschillende betekenissen: de avondster is ook de morgenster – ook dat maakt hem tegelijkertijd anti-modernistisch én modernistisch, alhoewel dit laatste in mindere mate omdat de betekenis voor hem wel nog waarde heeft). In de opsomming zijn de ‘maagden’ verrassend: een maagd wordt in de literatuur en de schilderkunst als de nog niet aangeraakte beschouwd, een mens die nog de belofte in zich draagt, een meisje dat nog de schoonheid van de jeugd bezit en de toekomstige volle vormen van een vrouw belooft. Hier doen de maagden echter dienst als onvruchtbare wezens die geen besef van leven hebben. In het leven worden ze onnozele kinderen genoemd, wereldvreemd, angstig en vals. Het ‘gevolg’ van Claus is een wereld van verrotting (maden, zwammen), van oorlog en geweld (bloedspatten, loden kloten – die u hier als martelwerktuig kan begrijpen maar ook weer een voorbeeld van het voorzienig oog van Ter Balkt is: de kloot kan hier staan voor een bal en u denkt dan natuurlijk aan het geliefde petanquespel van Claus in het zuiden van France – maar ik denk aan de betoverende elf Miley Cyrus en haar ‘Wrecking ball’:

hh ter balkt_loden kloot

), verval (draden, slijm en rag – het werk der spinnen en ander gebroed). De dichter Habakuk II de Balker geeft Claus een hem passend eerbetoon : een gebraden hamsterkop. Het woord ‘bloedloogzout’ doet denken aan wat Willem Elsschot schreef over de functie van ‘blauw’ (Kaas).
In de tweede strofe kwam twee keer het woord lila voor, de maandstonden verwezen naar bloed en ook in strofe 3 hebben we 2 maal bloed (bloedspatten en bloedloogzout). In het gedicht ‘In het museum van Chicago’ (Een geverfde ruiter, 1961) beschrijft Claus een schilderij van Patinir: ‘Maar hoe ging je naast dat appelmoesgebroed / tekeer / in de lila torens en de turksblauwe wolken!’.
De wereld van de ‘Boerengedichten’ is de wereld der Lage Landen (en bij Ter Balkt zijn die groter dan de huidige streken Nederlandstalig België en Nederland), is de wereld van Bosch, Dürer en Breugel, een wirwar waar vuil zich opdringt en waar dieren, planten en mensen samenleven. Dit is een wereld zonder zon. Deze evocatie staat in schril contrast met de Amsterdamse wereld waar het modieuze en het amerikanisme bloeiden en de toon aangaven. Dit staat in contrast met het hygiënische modernisme met zijn rechte lijnen en hoeken (de afkeer voor het abstracte verbindt dan weer beide dichters met elkaar – en er zijn nog meerdere overeenkomsten te noemen), met zijn opgeruimde mentaliteit en smetangst. Enerzijds zegt Ter Balkt aan Claus dat die Laaglandse werkelijkheid zijn werkelijkheid is, anderzijds zegt hij dat die hele wereld van Claus aan verrotting ten onder gaat. En dan komen ons de beelden voor ogen van de ‘dance macabre’ en van de ontbindende lichamen die bijvoorbeeld in het Schnütgenmuseum in Köln te zien zijn, de memento mori’s, of in dit land: de klampenman van Boussu.

hh ter balkt_klampenman boussu 16de eeuw

In de vierde strofe wordt teruggekeerd naar de beschrijving van Claus, hij wordt nu niet langer meer aangesproken maar verder ‘afgemaakt’. Weer wordt met de tegenstelling gewerkt: waar de aanhang van Claus uit een wriemelend, bewegend, onvast en nauwelijks vastomlijnd gevolg bestaat, wordt nu het marmer, de steen van de zekerheid en de klassieke kunst, maar ook de protserigheid, als beeld naar voren geschoven.
f
Op de Venusheuvel staat zijn marmeren huis
Loden klok een kloot gelijkend baltst
De wegwijzer wijst rechts naar zijn palts
Wie op marmer woont is op Cuba niet thuis.
De eerste zin is een erotisch beeld: de stenen man/bruidegom domineert de golvende, vrouwelijke vorm. Het marmer is de steen van de eeuwigheid, de zekerheid en in oude, metafysische tijden de steen van de waarheid. De harde steen staat ook tegenover de zachtheid van het lood. Baltsen is wat een mannetjesdier doet om een wijfje te verleiden – wat liefst niet door derden gezien moet worden. (Zo vertelde Leo Apostel ooit de anekdote over Saul Bellow: ze hadden een boeiend, intellectueel gesprek, beide mannen werden bijna vrienden en de conversatie werd gemoedelijk. Maar plots zei Bellow dat Apostel nu maar moest gaan want Bellow wilde een vrouw verleiden en hij wilde niet dat dit door een intellectueel gezien werd.)
In deze regel lijkt het dat we moeten begrijpen dat de loden klok baltst : de klok staat dan voor het lawaai dat de dichter maakt maar dat als lood is: zwaar, onvruchtbaar en giftig. Het lood verwijst naar de middeleeuwse alchemie en is in gewicht zwaar, driemaal kan het tegenover Cuba gesteld worden: het grijze tegenover het Zuiden, het middeleeuwse tegenover het socialisme (als maatschappijvorm van de toekomst) en de zwaarte tegenover het lichte van de zon en het leven.
Waar de klok normaal luidt om de tijd in te delen, de levensgebeurtenissen aan te kondigen, de gelovigen bij elkaar te roepen, de nood te luiden: dan is de klok bij Claus slechts een verleidend spelletje. En de klok gelijkt hier op een ‘kloot’ – wat in betekenis resoneert met de bal van baltst – en misschien wel begrepen moet worden zoals in de uitdrukking ‘naar de kloten gaan’, het huis van marmer zal ook vergaan. Waarschijnlijker is dat Ter Balkt zijn regel vol moest krijgen. Het woord rechts is niet zomaar een geografische plaatsbepaling maar een ideologische: Claus is niet links. De palts verwijst naar de burcht waar de Duitse keizers recht spraken: het is rijkelijk, een huis van macht en vertoon, een plaats waar over anderen geoordeeld wordt. De laatste versregel van dit gedicht is een oordeel over Claus: wie de rijkdom, de zekerheid, de macht, de gemakzucht enzovoort (het kapitalisme, de bourgeoisie, de moralisten) vereert, die hoort niet thuis op Cuba – diens Cubareis en Cubaverering zijn vals.

Advertenties