h.h. ter balkt en hugo claus (3)

door johan_velter

Het gedicht ‘4 cc belladonna’ bevat een aantal eigenaardigheden die binnen het oeuvre van H.H. ter Balkt ongewoon zijn. Eerst en vooral is daar de titel: dit lijkt een recept te zijn. Belladonna (ook wolfskers) is een giftig kruid: het eten van de bessen is zeer effectief bij levensbeëindiging. Vanaf de Renaissance gebruikten vrouwen het sap van de plant om hun pupillen te vergroten en donkerder te maken. Het middel werd daarom ‘belladonna’ genoemd – mooie vrouw. Maar bij regelmatig en/of onoordeelkundig gebruik verslechterden de ogen en sommigen werden blind – maar alles voor de schoonheid.
In 1968 wist Habakuk II de Balker niet dat Hugo Claus zijn roman uit 1994, ‘Belladonna’ zou noemen en dat daarin de mannelijke hoofdpersoon (de man!) het middel zou gebruiken, met fatale gevolgen: Axel Den Dooven valt in een zinsverbijstering door de belladonna-druppels te drinken die Herman Grootaers (i.c. Julien Schoenaerts) gebruikte om zijn acteerkunst dramatischer te doen lijken . Hij wist ook niet dat deze roman zich in het filmmilieu zou afspelen – die mineure acteervorm. En hij wist zeker niet dat Belladonna ook de naam van een porno-actrice was – dit soort informatie kon je vroeger niet vinden in de Winkler Prins Encyclopedie, o heerlijke nieuwe tijd.
Zoals uit het gedicht blijkt gebruikt Ter Balkt belladonna in 2 betekenissen: de verwijfdheid en de verblinding.
De opdracht ‘voor Claus de torenheilige’ is beledigend bedoeld. Het woord torenheilige ‘bestaat’ niet en is hier een samentrekking van ‘pilaarheilige’ en het begrip ivoren toren. Claus doet zich dus voor als een heilige (in de betekenis van dit gedicht: een maatschappelijk betrokkene’) en toch staat hij boven het gewoel, hij gedraagt zich als een Hölderlin. Of anders geïnterpreteerd: de wereldvreemde zal zich ook eens mengen. (Claus werd door Habakuk II de Balker als een dichter beschouwd, hijzelf wilde geen dichter zijn.) Ook hier haalt Ter Balkt een dubbele betekenis binnen: Hugo Claus stond/staat bekend als een hermetisch dichter en nu richt hij zich plots naar het volk. Zoals uit het gedicht blijkt, wantrouwt Ter Balkt Hugo Claus. (In het gedicht ‘De benzinepomp’ uit de bundel ‘Waar de burchten stonden en de snoek zwom’ (1979) gebruikt Ter Balkt het woord ‘zuilenheilige’ in een negatieve betekenis: de benzinepomp is als een zuilenheilige die zijn volgelingen toeroept te reizen naar de ‘koperen einder’, daar waar het paradijs ligt : een valserik dus, iemand die anderen iets voorspiegelt, zijn navolgers wijst maakt dat elders het gras groener is.)
De eerste strofe van ‘4 cc belladonna’:
‘Zijn tweesnijdend hakmes schrijft (grauw zwaard)
schijven van de mesthoop en de goudbaar.
Torens rijden maanzaadakkers. Achter
roestend slot de hoefslag van Blauwbaard.’
Ter Balkt beschrijft waarin het kenmerkende van Claus, de dichter ligt. Hij heeft een Januskop (en zou het blad dat Claus met Jan Walravens wilde maken niet de naam Janus dragen?): hij kijkt beide kanten uit zodat hij niet te vatten is en zodat zijn woorden (en daden) steeds weer vrijblijvend zijn. Het cliché: Claus, de speelvogel. Het hoge en het lage vermengen is het kenmerk van de dichter: mesthoop en goudbaar – het goud verwijst ook naar de esoterische poëzie van Hugo Claus waarin hij zich een alchemistische meester toont.
Maanzaad is papaver en bevat wat opiaten – het is dus een verdovend middel. De toren verwijst naar het verheven zijn boven het land en is daarom geen bouwwerk maar eerder een bouwsel dat verplaatst kan worden, bijvoorbeeld op de rug van een olifant. Tegelijkertijd horen we in het woord het spreekwoord hoog van de toren plaatsen. Het ‘rijden’ in dit vers moeten we in twee betekenissen begrijpen als ‘manen’, ‘aanzetten tot’ en als ‘bewegen’ : de torenheilige zet anderen aan tot slaap; hij bekoort, vervoert hen: haalt ze in een verdoving – er is geen sprake van opstand. Maar ook het letterlijke rijden behoudt hier zijn betekenis: de verhevenen rijden over de maanzaadakkers: zij heersen over de ideologie want dit zaad is niet vruchtbaar, in de positieve betekenis van het woord. De laatste zin van de eerste strofe verwijst dan weer naar de vrouwenkwesties van Hugo Claus. De eerste versie in ‘Boerengedichten’ van 1968 luidde iets anders: ‘Achter / roestende grendel de hoef van Blauwbaard.’ Hoef verwijst naar het rijden; slot/grendel naar de toren. In het gedicht van Ter Balkt komen geen vrouwen voor: de centrale gast is Hugo Claus die hier voorgesteld wordt als een Blauwbaard, een ‘womankiller’, een womanizer. Claus houdt zich bezig met vrouwenkwesties (niet met de belangrijke kwesties). Het roestig slot: er is al lang geen uitweg/uitgang meer; de toren is afgesloten van de realiteit, er is geen zicht op de werkelijkheid mogelijk. Wereldvreemdheid.
Het gedicht bestaat uit 5 strofen, er is geen rijmpatroon, alhoewel er wel enkele eindrijmwoorden zijn (maden, draden / huis, thuis). De strofen 2 tot 4 beginnen met de letter f, de zesde letter van het alfabet – en dit is een procedé dat Ter Balkt nergens anders meer gebruikt heeft. Alhoewel de betekenis hiervan velerlei kan zijn, kiezen we voor de f van forte – een letter die in de muziek voor de aanwijzing ‘luid’ staat. Deze interpretatie accordeert met de rest van het gedicht en met de interpretatie : Claus als zanger van liefdesliederen, of beter van ‘liedjes voor en over vrouwen’. Tijdverdrijf.
hugo claus_reconstructie
Maar de letter kan ook negatief gelezen worden als we een verband leggen met de opera ‘Reconstructie’ van Hugo Claus en Harry Mulisch, de schrijvers, die de opera ‘een moraliteit’ noemden en dus een duidelijk verband met de Middeleeuwen suggereerden. (Deze parallel is nogal precair: ‘Boerengedichten’ is verschenen in 1969 en ‘Reconstructie’ in … 1969, de première was op 29 juni 1969. Als ‘ziener’ echter had Ter Balkt, toen immers nog Habakuk, misschien wel zienersgaven.) Het stuk is opgebouwd uit ‘hoofdstukken’ die telkens met een letter van het alfabet beginnen: A is Amerika, B is Bolivia, …, F is Fantasie. Door de letter F te gebruiken lijkt Ter Balkt te schrijven dat Claus slechts verhaaltjes vertelt, de fantasie is hier een kwalijk fenomeen want niet meer verbonden met het leven (het echte leven zou ik nu moeten schrijven). In de opera ‘Reconstructie’ staat fantasie ook in een slecht daglicht, de titel ‘reconstructie’ duidt daar al op: kunst moet een weergave van de feiten zijn. (Toen was het ook de tijd van de ‘documentaire roman’ – waarbij ‘roman’ een verkeerd woord is, we moeten spreken van proza, ‘teksten’ – dat woord dat Thomas Bernhard verafschuwde – én de impasse waarin schrijvers terechtgekomen waren: ze geloofden de onnozelheden van de eigen tijd en konden niet meer schrijven. De documentaire vorm behandelde het leven van anderen, maar ook en vooral het leven van zichzelf: weverbergh, daele, Robberechts maar ook Harry Mulisch – en de impasse van Hugo Claus zelf.)
En als we – ik lijk nu helaas nogal erg op het echtpaar Jean en Dina Weisgerber – de drie letters f samennemen en vervangen door het cijfer 6, krijgen we 666, het getal van de duivel. En ook dit past in de sfeer van het gedicht van H.H. ter Balkt waar hij de Middeleeuwen evoceert en een Vlaams verleden tekent, een land van duisterheid en loodzware luchten om dit in de laatste regel te zullen plaatsen tegenover Cuba.

hugo claus_tancredo infrasonic 1
Of nog meer. In ‘Tancredo infrasonic’ (Stols, 1952) heeft Hugo Claus zijn afzonderlijke gedichten geletterd van a tot u, daarna volgde het gedicht ‘April in Paris’, een gedicht dat verantwoordelijk is voor een gedeeltelijke misinterpretatie van de muzikale oriëntatie van Hugo Claus. Over deze bundel zei Jean Weisgerber dat hij stond in de traditie van de troubadours.
Het gedicht ‘f’ is het zesde gedicht en begint met de woorden ‘Ai Ai’. In de verzameledities van Claus’ gedichten zijn de letters echter vervangen door cijfers en is dit gedicht nummer … 5 geworden, Claus elimineerde immers gedicht ‘e’. Het lot heeft mij het exemplaar dat Bert Schierbeek ooit in zijn bezit had, in handen gegeven. Buiten de naam van de eigenaar zijn er geen potloodaantekeningen of andere gegevenheden, buiten een enkele tabaksrest en vele papiervlekken in het boek te vinden, ook geen opdracht van Claus zelf.
hugo claus_tancredo infrasonic 2
Dit gedicht (deze bundel) is een mengsel van maatschappelijke bewogenheid én aandacht voor het vrouwelijke. In ‘f’ laat Claus toch de vrouwen achter zich en begint het personage aan een tocht: ‘Wij dachten / Reeds tussen kameelharen jassen / Tegen een Punische keizer geklemd / Aan geen vrouwen / Maar aan de blakende tocht die wij begonnen / Aan het eiland en het woud verder dan elk / Veranderend werelddeel // Wij dachten : Camargue koraal koren / En wuifden. En wuifden.’ Maar interessanter dan het gedicht zelf (althans voor deze kleine notitie rond twee dichters) is de nota die Hugo Claus achteraan de bundel heeft opgenomen. Ik neem deze nota volledig over omdat die in de latere edities weggelaten is: ‘Gedicht F. Alinea 20. – ‘Punisch’. Cfr. een brief van Ezra Pound aan A. Orage, 1919: – ‘Punic (Punicus) used for dark red, purple red by Ovid and Horace as well as Propertius. Audience familiar with Tyrian for purple in English. To say nothing of augmented effect on imagination by using Punic (whether in translation or not) instead of red.’-‘ (waarbij Punic steeds op de Jan Tschichold-wijze als cursief bedoeld is, dus met een spatie tussen de verschillende letters). A.R. Orage was de ‘editor’ van ‘The new age’, hij nodigde Ezra Pound uit om regelmatig bijdragen voor zijn blad te schrijven – wat Pound dankbaar aanvaardde want hij had in 1911 geen inkomsten meer. De eerste bijdrage van Pound was het gedicht ‘The seafarer’, nog onlangs vertaald door Mon Nys.
Hugo Claus verwijst naar Ezra Pound en voor Ter Balkt is Ezra Pound 1 van de doodgravers van de poëzie. In ‘Boerengedichten’ staat een reeks notities (ja, in de trant van Claus’ catalogus ‘Nota’s voor de tentoonstelling Dagboekbladen van Hugo Claus’ (Galerie Kaleidoscoop, Gent, 1965)) en daarvan luidt nummer 25: ‘El Greco, Sigmund Freud en Ezra Loomis Pound waren de echte bouwmeesters van de snelwegen en het duistere Rijk. (1999)’ – althans in de verzameledities van 2000 en 2014, in de bundel van 1969 is de 25ste uitspraak ‘Verboden te wateren. (Verordening van Noach).’ – zoals u ziet een duidelijke verbetering. Deze reeks heet ‘Achttien Byzantijnse gezegden […]’, en toch is het laatste getal 30 – Ter Balkt heeft een aantal gezegden ‘onderdrukt’.

Advertenties