h.h. ter balkt en hugo claus (2)

door johan_velter

Boerengedichten van H.H. Ter Balkt (toen nog Habakuk II de Balker) verscheen in 1969, op dat moment waren de ‘Vijftigers’ de belangrijkste dichters in de Lage Landen, Ter Balkt behoorde daarmee tot een jongere generatie dan Kouwenaar, Lucebert, Campert, Claus, Kousbroek, Schierbeek – en hoe de tijd onbarmhartig gelijkmaakt: nu allemaal oude mannen.
En zoals het een nieuwe generatie past: die zet zich af tegen de oudere, de voorgangers – Ter Balkt behoorde niet tot die dichters die tot de ‘heersende machtsschool’ wilde behoren – hij had eigenlijk ook geen medestanders – een eenling gebleven.
In 1962 was het tijdschrift Merlyn gesticht en het werd haast onmiddellijk toonaangevend : het werk moest los van de auteur gelezen en bestudeerd worden ; de auteur was immers dood en het werk was er zonder persoon – ach, ach, de noodzakelijke domheden van weleer.
Er was in de ‘experimentele’ poëzie een hermetische stroming aanwezig: ze keerde zich af van de lezer en de werkelijkheid: ze was een bijna persoonlijk-devoot prevelen geworden, slechts verklaarbaar voor de dichter zelf en deze verborg zich (of zijn onhebbelijkheden) onder lagen en lagen woorden – de psycho-analyse zei veel bloot te kunnen leggen maar wat naar boven gebracht werd, waren de clichés, de onwaarheden die door ze veel te herhalen plots een sleutel leken te zijn. Wat niet is.
De jaren zestig zijn ook de jaren van de ‘opstand’ – maar de opstandige jaren zijn begonnen na de Tweede Wereldoorlog en de jaren vijftig waren belangrijker dan de jaren zestig: deze laatste hebben de opstand naar een gevoel van opstand veranderd, er een product van gemaakt, een levensstijl en door de massaliteit is dat naoorlogse inzicht verwaterd tot een modieus gegeven – het is ook daarom dat zoveel ‘68’-ers in de reclame- en mediawereld zijn kunnen terechtkomen: de pilaren van het kapitalistisch consumentisme.
In 1968 was Hugo Claus een belangrijk auteur, niet alleen omwille van zijn boeken maar ook door zijn alomtegenwoordigheid: hij publiceerde veel en hij bespeelde de verschillende podia: theater, romans, verhalen, poëzie, gelegenheden, hij werd geëerd met ‘vele’ prijzen.
Wat poëzie betreft, had hij o.a. al geschreven Tancredo Infrasonic (1952), De Oostakkerse gedichten (1955), Paal en perk (1955), Het teken van de hamster (1963) en er was in 1965 een eerste verzamelbundel verschenen.
Proza: in 1950 het debuut met De Metsiers, De hondsdagen (1952), De koele minnaar (1956), De verwondering (1962) en in 1963 Omtrent Deedee, stuk voor stuk romans die nu nog steeds als belangrijk gezien worden.
Theater, te veel om op te sommen maar ook hier zijn de werken nu nog steeds relevant en speelbaar (indien er nog regisseurs bestonden): o.a. Suiker (1958), Mama, kijk zonder handen (1959), De dans van de reiger (1962), Thyestes (1966), Masscheroen (1967) en het nog steeds overweldigende Wrraaak! (1968), een bewerking door Claus van het magistrale stuk The revenger’s tragedy van Cyril Tourneur.
Net zoals de andere schrijvers van zijn generatie had Hugo Claus zich afgezet tegen de schoonschrijvers, tegen de literatuur die het werkelijke leven verdoezelde, die een kloof gegraven had tussen de mensen en de cultuur, die een idyllische omgeving beschreef en blind was voor de (atoom)angsten. Deze schrijvers waren geen naturalisten maar stonden wel in het leven en vooral concentreerden ze zich op de ‘interpersoonlijke’ relaties tussen man en vrouw, ouders en kinderen. Het ging dus om de waarheid van de handeling, de seksualiteit, het lichaam, de wraakzucht van de maatschappij op de vrijen.
Als Habakuk II de Balker dan het eerste gedicht van zijn debuutbundel begint met ‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, / laat staan schrijf.’ dan is (en was) het onduidelijk over welke poëzie Ter Balkt het heeft: die van zijn tijdgenoten, generatiegenoten of voorgangers? Want zoals hierboven geschreven, kan de poëzie van Ter Balkt ook als dusdanig omschreven worden (of beter: in zekere zin).
Maar Ter Balkt verzette zich tégen de oude dichters met hun oude, voorbijgestreefde poëzie, tégen de Vijftigers met hun naar binnen gekeerde problematiek en tegen zijn generatiegenoten omdat het onnozelaars waren : allen waren het ‘fossielen van een voorbij tijdperk’. Van de Vijftigers was het toch vooral Gerrit Kouwenaar die de ene ijskoude emmer water na de andere over zich heen kreeg: Ter Balkt was niet de man van de witregel, de dood, het niets, het onpersoonlijke, het werken op de vierkante centimeter. Hij was de man van het vele (denk aan ‘Moby Dick’), het leven, de dingen, het standpuntenrijke ik, het land. Hij had meer affiniteit met de Vlaamse literatuur dan met de Nederlandse.
Piet Gerbrandy, die als een Ter Balkt-specialist geldt, schreef dat deze poëzie wel in algemene termen verklaard kan worden (ook al gebeurt dit soms ook verkeerd) maar dat de verklaring op het niveau van het individuele gedicht en daarbinnen op regelniveau al veel meer moeilijkheden oplevert. Maar als dit zo is (en het is zo) dan maakt dit de fundamentele tragiek én mislukking uit van het oeuvre van Ter Balkt : hij was de dichter die niet hermetisch of esoterisch wilde zijn, hij wilde met zijn gedichten de lezers wakker maken, versregels moesten mensen bewust maken en daarvoor verketterde hij talloze andere dichters en poëtica’s. Als de specialist ter zake al dient te zeggen dat veel onbegrijpelijk blijft, dan is de intentie, de bedoeling van de dichter nog steeds duister en waarom zou men gehoor moeten geven aan het duistere?
In Boerengedichtenverscheen het gedicht ‘4 cc belladonna’ – voor Claus de torenheilige. We mogen veronderstellen dat dit gaat om Hugo Claus – ook al wordt de voornaam niet vermeld.

hh ter balkt_boerengedichten 1

Advertenties