h.h. ter balkt en hugo claus (1)

door johan_velter

hh ter balkt_in de waterwingebieden
‘In de waterwingebieden’ van H.H. ter Balkt verscheen in 2000, de ondertitel luidde ‘gedichten 1953-1999’. De uitgeverij was ‘De Bezige Bij’. Er was een ‘Verantwoording’ opgenomen en daarin stond onder meer ‘Niet zelden bracht de schrijver wijzigingen aan ten opzichte van de oorspronkelijke versies.’ (p. 703) en er volgde een opsomming van de titels van de boeken, maar op een nogal slordige manier – wat niet bij een reguliere uitgever verscheen werd dan ‘bibliofiele uitgave’, net alsof bibliofiele uitgeverijen naamloos zijn en door niemand en nergens gedrukt worden. Ook werden tijdschriften opgenomen maar de band tussen tijdschrift- en boekuitgave? , ach, moeten ze daar gedacht hebben, trek uw plan en laat ons gerust.
De individuele bundels van Ter Balkt zijn niet zo gemakkelijk te krijgen en er leek ook geen behoefte meer daaraan te zijn: de verzamelbundel was er immers.
De argeloze lezer, zoals ik, ging er van uit dat dit een (voorlopig) verzameld werk was.

hh ter balkt_hee hoor mij

Maar ‘In de waterwingebieden’ was géén verzamelbundel. Dat was wel de bundel ‘Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens’ (De Bezige Bij, 2014) die door de dood van de dichter ook het afsluitend geheel is geworden. De ondertitel hiervan is ‘verzamelde gedichten’. In de verantwoording schrijven de redacteurs W. Hansen en Vincent Schmitz dat ‘In de waterwingebieden’ ‘Ter Balkts bloemlezing uit eigen werk’ was. Ook hier is een bibliografie opgenomen maar zoals verkeerd gebruikelijk wordt enkel de plaatsnaam opgenomen, niet de uitgeverij. De uitgave van 2014 is nu niet alleen vollediger maar bovendien bijzonder omdat alle ‘Laaglandse hymnen’ nu samen opgenomen zijn en als een apart onderdeel van het oeuvre beschouwd worden en samengebracht zijn.
Het werk van Ter Balkt is voor een groot deel nog onontgonnen terrein. Er is een Parmentier-uitgave (nr. 9, 1989) verschenen maar alhoewel het niveau van de artikelen niet erg hoog is, wordt regelmatig naar die aflevering verwezen – omdat er nauwelijks meer is. Er is Piet Gerbrandy die wel een aantal gedichten verklaard heeft maar zijn belangstelling verdeelde tussen Ter Balkt en Hamelink (‘De gong en de rookberg : intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink’, Historische Uitgeverij, 2011). Hier en daar zijn nog wat artikelen verschenen maar dat is het zowat. Er zijn geen, zoals bij de Hugo Claus-studie, confronterende visies die het oeuvre levendig houden, er zijn ook geen belangrijke onderzoekers die de studie trekken, de schrijver zelf wordt niet erg ernstig genomen. Maar hij wordt wel gewaardeerd door een aantal jongere schrijvers zoals Saskia de Jong of Mustafa Stitou.
Ter Balkt heeft zijn imago tegen, een beeld dat hij over zichzelf heeft afgeroepen. Zelfs als jonge dichter was hij al een oude man die opkwam voor dat wat verdween – zijn situatie is nog precairder als men bedenkt dat ook Mansholt een Nederlander was. Ter Balkt kwam op voor het verdwenen landschap, voor de natuur, voor het ruwe, het jongensachtige. En ach, hij was toch geen hippie – ook al leefde hij als een hippie met veronachtzaming en ook verachting voor het gemak – daarvoor was zijn natuur- en wereldbeeld te realistisch en voor de goegemeente ook te contradictorisch. Hoe kunnen bijtjes verzoend worden met een loflied op het asfalt? De waarheid is dat Ter Balkt inderdaad niet altijd consequent was maar dat de rode draad in zijn oeuvre het anti-maatschappelijke was, het marginale, het ruwe, d.w.z. het niet-gepolijste, het onaffe, het verwaarloosde.
Het contradictorische zit vooral in zijn houding tegenover de cultuur: enerzijds wees hij die af, hij was geen stadsmens, hij trok de woestijn in maar anderzijds was hij iemand die de cultuur en de geschiedenis zeer grondig kende én in zijn werk binnenhaalde – in het Parmentier-nummer toonde Veerle Fraeters dit op een fraaie manier aan: hoe het gedicht ‘De alchemist’ bijna letterlijk terug te vinden is in de catalogus ‘Alchemie’ (Gemeentekrediet, 1984) van Jacques Van Lennep waardoor deze laatste bijna een co-auteur geworden is – maar zo werken kunstenaars. (Er zou een studie gemaakt kunnen worden over de invloed van deze tentoonstelling op de cultuur in de Lage Landen – men zou misschien versteld staan van het belang ervan.) (Er zou een studie gemaakt kunnen worden over het belang van het Gemeentekrediet voor de cultuur in de Lage Landen en hoe deze rol door mismanagement en politieke recuperatie verloren gegaan is.)
Ook het ‘schelden’, het ‘roepen’, het ‘profetische’ werkten tégen Ter Balkt : in een tijd waar de cultuurmensen functionarissen geworden zijn die vooral de eigen maatschappelijke carrière in het oog houden en elkaars vliegen proberen af te vangen, was en is die houding niet zeer welkom. Het maatschappelijk engagement zou toch wat beschaafder moeten, meenden velen van hen – sommigen zeiden hem te eren maar lazen niet. Steeds weer beklemtoonde Ter Balkt dat poëzie geen vrijblijvend tijdverdrijf is, dat er betekenis aan de woorden gehecht moet worden.
Nee, geen ‘straatrumoer’; geen engagement, ook geen ‘gevaarlijke’ poëzie. Een standpunt.
En ook dat was een reden van de alleentocht van Ter Balkt : in een tijd dat de expressie verlaten werd voor het taalspel, waar de verhouding tussen taal en realiteit constant geproblematiseerd werd – en dit, ik herhaal het oneindig keer, door een verkeerde en domme lezing van Ludwig Wittgenstein – waar de poëzie een eigen weg leek te mogen gaan en in een tijd waar de relevantie van het woord vervangen werd door de woordleugen, stond Ter Balkt eenzaam langs de kant van de weg. Hij wilde misschien wel geen groot dichter zijn (in de huidige betekenis van het woord: waar het gemakkelijk is een groot dichter in een vacuüm te zijn), hij wilde beluisterd en begrepen worden om zo de tijd te kunnen keren. Deze poëzie was een activistische – zonder simplistisch te willen zijn, zonder een toegeving te willen doen. Zo geraakte Harry ter Balkt vriendenloos. Respect is een teken van minachting.

hh ter balkt_boerengedichten

In 1969 verscheen de debuutbundel van H.H. ter Balkt, ‘Boerengedichten’, toen nog onder het pseudoniem Habakuk II de Balker (naar de oudtestamentische profeet en de wijze ezel) en met de ondertitel: ‘ofwel / Met de Boerenbijl, / bijeengelezen door zijn lintworm // 96 bladzijden verfomfaaid en bespat met spreuken, / raadsels en verkrommingen ; / in het groen groen knollenland van de haas. // Een natuurtalent, Nederlandsch Fabricaat ; Goedgekeurd / door de Ver. Van Huisvrouwen.’ (Ik doe nu alsof de ondertitel een gedicht is maar dat is het niet.) In de verzamelbundel van 2014 werd deze ondertitel (zonder verklaring) ietwat anders en gemankeerd opgenomen als : ‘ofwel / Met de Boerenbijl, / bijeengelezen door zijn lintworm // 93 bladzijden verfomfaaid en bespat met / raadsels en verkrommingen ; / in het groen groen knollenland van de haas.’ : dus geen spreuken meer, geen 96 maar 93 bladzijden en het keurmerk werd helemaal achterwege gelaten. Deze woorden alleen al duiden op het vele dat Ter balkt verafgoodde en ook op het veelkantige van zijn werk: het sprong als een haas alle richtingen uit. (In de uitgave-2000 was van de ondertitel geen sprake.)
De materiële boekvorm is een problematische zaak: wat is van de auteur, de redacteur, de uitgever, de vormgever (vandaag de dag moet daar bijkomen: de commerciële bandieten)? Schrijvers kunnen met de boekvorm geholpen of tegengewerkt worden. De debuutbundel van Ter Balkt werd opgenomen in wat de ‘cijferreeks’ genoemd wordt, een vormgeving van Leendert Stofbergen.
De boeken hadden een klein formaat, ongeveer 11 op 18 cm, identiek dus aan de reeks ‘Literaire Pocketserie’ waarvan het uitzicht vooral bepaald werd door het duo Karel Beunis/Jaap Jungcurt – al hebben ook andere vormgevers boeken in deze reeks verzorgd.
De ondertitel van ‘Boerengedichten’ werd in het verzameld werk vervormd opgenomen maar de tekst op de achterzijde van het boek werd helemaal weggelaten. Deze tekst intrigeert omdat ze ondertekend is door Habakuk II de Balker (en dus tot het oeuvre van de auteur behoort) en omdat de dichter zijn wensen beschrijft voor de vormgeving van het boek en, in dit geval, ook de inhoud en interpretatie wenst te sturen – waaraan de uitgever helemaal niet aan tegemoet gekomen is, maar de tekst toch gepubliceerd heeft. Ik neem deze hier volledig op:
‘Het laatste probleem geldt de verzorging van het omslag. Ik zou daarvoor, indien mogelijk, wel zelf een paar suggesties willen doen. Als het kan!
Bijv. foto (in blauw) van een bijl (close-up !), met ingekraste titel.
Bijv. een rood-blauwe aardewerkschotel, links een mes, rechts een vork, op het bord een menselijk hart.
Bijv. een mestvork met drie kroontjespennen.
Bijv. een grote, bolle, gele boerenmaan schijnend boven een somber landschapje met hooimijten, takkeboshopen – een boerenhoevetje met verlichte vensters.
Enzovoort, etcetera.’
Habakuk II de Balker
(Er moet wel toegegeven worden dat de suggesties van de dichter niet allemaal erg of even vindingrijk en gedurfd waren.)
De tragiek is dat de betekenisloosheid van de vorm vanaf zijn debuut Ter Balkt begeleid heeft: de cijfers hebben immers geen enkele betekenis voor het werk, noch voor de auteur, noch voor de uitgever en is slechts een verbindend element om een aantal dichtbundels, die geen uitstaans met elkaar hebben, in een reeks onder te brengen. Kan de kloof tussen teken (of het nu een woord of een getal is) en realiteit beter (slechter) getekend worden?

Advertenties