het verlorene

door johan_velter

het verlorene_pierre alechinsky
Pierre Alechinsky somt in zijn boekje ‘Le bureau du titre’ (Fata morgana, 1983) allerlei mogelijke titels op voor zijn prenten. De opsomming is op zichzelf misschien gratuit maar de bedoeling is dit niet omdat hij een motto van Jules Renard heeft opgenomen. Daarin schrijft de Franse auteur hoe hij ervan droomt om een volledig dorp in zijn boek op te nemen «depuis le maire jusqu’au le cochon» (in de Vlaamse grootsteden kan men zich dus aan het enkelvoudige houden) en daarbij telkens weer het woord ‘herbe’ in een andere context te plaatsen. En dat is wat ieder van ons doet: hetzelfde herhalen, de omstandigheden veranderen. Alechinsky hoeft bij zijn titels echter geen werken te maken: de titels zelf roepen al een wereld op, een weg die te gaan is. En anderzijds toont hij de veelheid van de verbeelding: al die titels, een rijkdom aan woorden die op zichzelf kunnen bestaan.

het verlorene_henri lefebvre

Henri Lefebvre doet iets gelijkaardigs maar omgekeerd. Zijn ‘Les unités perdues’ (Manuelle, 2011, herdruk van de Virgile-editie uit 2004) is een opsomming van alle werken die verloren gegaan zijn maar ook van feiten die we niet (meer) kennen – wanneer en waarom is François Villon gestorven/opgehangen? – hij somt ook alle onafgewerkte kunstwerken of niet teruggevonden werken op (het werk ‘Le grand basalte’ van Fritz Wotruba werd in de grond verborgen tijdens de Tweede Wereldoorlog – maar waar en is dit misschien toch gevonden en vernietigd? We weten natuurlijk allemaal dat er heel wat schilderijen, beelden en tekeningen verdwenen zijn – vernietigd, gecensureerd, gezonken op de zeebodem, verwoest door tijd en natuur. Maar dat geldt evenzeer voor literatuur, filosofie en muziek. Waar het boek van Alechinsky een bom van leven is, is de opsomming van Lefebvre treurigmakend, niet alleen omdat de auteurs zelf heel wat vernietigd hebben (niet alleen brieven en dagboeken, ook romans), omdat manuscripten met de post verloren gegaan zijn, in dronken buien vernietigd werden, omdat de auteurs zelf bang werden, hun nabestaanden angsten uitstonden, de bezorgers zorgelijk of regelrechte dieven waren. Al die projecten die niet doorgegaan zijn, de ontmoetingen die tot niets geleid hebben.
Treurigheid ja, maar ook vreugde – omwille van de ruimte, de overvloed, de luxe, de vrolijkheid, de andere, ondergrondse geschiedenis van de cultuur. Zo ontstaat ook achterdocht: dat wat tot ons gekomen is, is slechts (is misschien) slechts een halve waarheid: waar is het andere deel gebleven, wat hebben de kunstenaars verzwegen, wat is verdoezeld?
Natuurlijk is nog meer verdwenen dan wat Henri Lefebvre opsomt ( http://fransbude.blogspot.be/2015/09/in-een-envelop.html ), het geheel is toch een litanie van het verlorene geworden, een klaagzang voor het verdwijnen, een treurnis om het leven.
° Sophocle serait l’auteur de cent vingt-trois pièces ; ne subsistent que sept d’entre elles.
° Après vingt esquisses, Pablo Picasso renonce à faire le portrait d’Helena Rubinstein.
° Les tableaux de Jean-Claude Pirotte, peintre et écrivain belge, sont perdus.
° Le récit érotique Histoire d’une fille de Vienne racontée par elle-même (1906) est signé du pseudonyme Josefine Mutzenbacher ; l’hypothèse fut avancée qu’il s’agissait de l’auteur de Bambi (1929), mais les preuves manquent.
° Le « Chant septième » de Maldoror.
° Henri Michaux perd sa muse en février 1948, brûlée vive accidentellement.
° « Le plagiat est la base de toutes les littératures, excepté de la première, qui est d’ailleurs inconnue », Jean Giraudoux.
° Des textes de René Descartes se sont perdus, dont l’important Récit des songes.
° Les ordures, la ville et la mort, de Rainer Werner Fassbinder : en 1974 l’éditeur Suhrkamp retire le texte de la vente et de son catalogue, et décide de mettre au pilon les exemplaires imprimés.
° Peintre, la grand-mère polonaise de Chantal Akerman, cinéaste belge, a perdu toutes ses étoiles.
° La salle de culture physique, réalisée par Charlotte Perriand en 1935 à Bruxelles, décorée par Fernand Léger, n’existe plus.
° On ne sait où, ni comment, Baruch de Spinoza apprit à polir les verres optiques ; à la fin de sa vie, le philosophe écrit un « Traité de l’iris » qu’il jette ensuite au feu, sans doute pour un problème de censure.
° La mort perdue, récitée par Denis Diderot : « La rose de Fontenelle qui disait que de mémoire de rose on n’avait vu mourir un jardinier. »
° Tombés amoureux d’une comtesse italienne, Brian McGuiness décide d’abandonner sa biographie de Wittgenstein, dont seul le premier tome, de référence, est paru.
° Plusieurs textes de Bohumil Hrabal, rédigés sur sa machine à écrire Perkeo à la Brasserie de Nymburk, n’ont pas été conservés.

° Nous sommes tous sans noms. Inachevés. Victor Serge.

Advertenties