de burgemeester van veurne – georges simenon (2)

door johan_velter

georges simenon_de burgemeester van veurne_2
Carvel Collins interviewde Georges Simenon voor ‘The Paris Review’, in boekvorm is dit in de eerste reeks ‘Writers at work’ (Penguin, 1958) verschenen. Simenon verklaart daar dat de huidige lezer complexe boeken verwacht, ‘trying to go into every corner of human nature.’ De complexiteit bestaat hierin dat de eenduidige mens, de mens uit 1 blok niet langer bestaat of interessant is, de huidige tijd heeft geen enkelvoudig (een clausiaanse term) mensbeeld meer: de tegenstellingen, de inconsequenties, de duisterheden behoren tot deze tijd – het is de tijd van het existentialisme. Dit wordt door Simenon verder uitgewerkt: wat de schrijverskant betreft, daar mag nooit een concessie gedaan worden: het happy end is een dwaze, onjuiste oplossing maar dat geldt ook voor de schrijversverklaringen die de intenties van de personages blootleggen en ‘aanvaardbaar’ maken. Simenon wil géén concessies doen aan het monster dat vandaag publiek heet. ‘[…] I try to go beyond the real, and the explainable ideas, and to explore the man […]. I try to put in my novels some things which you can’t explain, to give some message which does not exist practically.’ De boeken van Simenon zijn ook daardoor ‘monsters’: ze zijn er, ze zijn ons nabij maar tevens zijn ze ver van ons verwijderd – omdat ze moed hebben.
Hermann von Keyserling noemde Simenon ‘un imbécile de génie.’
In de roman « Le bourgmestre de Furnes » worden deze uitspraken van Simenon bevestigd. Wat een man uit 1 stuk lijkt, is dat niet. Terlinck komt wel zo over, maar zijn houding tegenover zijn dochter toont een andere mens. Hij lamenteert niet over haar toestand, hij doet niet sentimenteel, hij vervloekt haar niet, hij is niet kwaad op haar als hij haar uitwerpselen moet opruimen : hij doet zijn plicht. Hij aanvaardt dit onbegrijpelijke en doet wat gedaan moet worden. Zoals je nat wordt wanneer het regent – of thuis moet blijven.
Toch is Georges Simenon een door en door realistisch schrijver, hij gaat door de krochten van de menselijke geest, beschrijft op een koel-wetenschappelijke, ja inderdaad cartesiaanse, geest de menselijke daden en hij verklaart soms en gedeeltelijk – maar het enigma blijft bestaan. De vertaler, Rokus Hofstede volgt voor zijn vertaling ‘De burgemeester van Veurne’ die krochten niet.
Zo irreëel is Simenon niet dat de maan een bruinig aureool zou hebben (‘[…], zag je de maan opkomen, omkranst met een groot bruinig aureool.’ (De Bezige Bij, 2015, p. 29). Hofstede vertaalde al te letterlijk zonder naar de betekenis te kijken : « […], entre les toits, une lune entourée d’une large auréole brune. » (Gallimard, Romans I, 2003, p. 738). Het « brune » is hier niet de kleur bruin, maar wel het duistere, zoals in « à la brune », ‘in de avondschemering’.
Het gemeenzame taalgebruik is ergerlijk: « gamin » vertalen als jochie, heeft weinig te maken met ‘een Vlaamse roman’ van Simenon, het woord ‘jongen’ staat nog altijd het dichtst bij « gamin ». Hofstede schrijft ‘seksen’ (p. 212), Simenon « c’est l’amour » (P. 855). Simenon schrijft « En somme, qu’est-ce que vous êtes venue chercher ? » (p. 742) en waarom moet dit vertaald worden met ‘Mevrouwtje, wat wilt u nu eigenlijk ?’ – Terlinck is een hiërarchisch hogere dan de aangesprokene, en toch is hij niet zo denigrerend als Hofstede ons wil doen geloven. Ook eerder in de roman vertaalt Hofstede « et une femme » (p. 763) als ‘en een vrouwtje’ (p. 69). Zo spreekt Simenon van « le couple » en maakt Hofstede er ‘het koppeltje’ (p. 40) van. « Un homme riche » (p. 752) wordt bij Hofstede ‘een rijke meneer’ (p. 51), en uiteraard komt ook het woord leuk (p. 172) voor « gai » (p. 828) voor : het zijn deze kleine wijzigingen die de grondtoon doen verschuiven. In de vertaling sluipen allerlei kitscherige sentimentaliteiten binnen waardoor de kracht van de roman aangetast wordt.
Strikt genomen is de vertaling voor « C’était plein de monde, tous ceux qui voulaient communier le premier jour de l’année […] » (p. 767) als ‘Het zat stampvol met alle mensen die op de eerste dag van het jaar wilden communiceren, […]’ (p. 76) juist, alhoewel ook hier te breedvoerig, maar toch begrijpt men het woord ‘communiceren’ in 2015 niet meer als ‘ter communie gaan’ (en Hofstede vertaalt dit dan ook zo op p. 129) : Hofstede suggereert dat het gaat om nieuwjaarsgroeten uitwisselen. Maar
« un mauvais moment à passer » (p. 772’ vertalen als ‘een vervelend intermezzo’ (p. 83) is een vervelende manier van de vertaler om zichzelf op de voorgrond te duwen. Dat iemand met ‘grote gebaren’ (p. 155) wenkt in een kamer, is al te groot-komisch voor ‘drukke gebaren’, « grands gestes » (p. 818).
De personages op een tafereel van een kerkraam benoemen als ‘berooiden’ (p. 85), waar Simenon hen « malheureux » (p. 773) noemt, is een betekenisverschuiving en ook hier weer een sentimentalistische valse noot. En op andere plaatsen wil Hofstede dan weer affirmatiever dan de schrijver zelf zijn : ‘De waarheid, de waarheid die niemand zou geloven […]’ (p. 138) is bij Simenon ‘slechts’ « La vérité, celle qu’on ne croirait pas, […]. » (p. 806). Of speelt Hofstede de moraalridder en veroordeelt hij door de mond van een ander personage Terlinck: ‘Is het waar dat terwijl u hier zit uw vrouw langzaam aan het creperen is ?’ (p. 201) – Simenon: « C’est vrai que pendant que vous êtes ici votre femme est en train de mourir à petit feu ? » (p. 848) (of hoe Hofstede het even eerder lachwekkend vertaalde: ‘Wat hoor ik, je arme vrouw is het loodje aan het leggen?’ (p. 195) voor « […] est en train de passer. » (p. 844). Of gebruikt Rokus Hofstede een woord dat de sfeer verdraait, dat voor Simenon te krullerig is – want dit is precies zijn schrijversgave: hij heeft geen tierlantijnen nodig om krachtig te zijn : ‘Maar met de kippendrift die ze tentoonspreidde zou het maar een paar minuten duren voordat ze de gebruikelijke wanorde had hersteld.’ (p. 202-203) – Simenon : « Mais, au train où elle allait, il ne lui faudrait que quelques minutes pour recréer son désordre familier. » (p. 849). Is het te veel gevraagd dat een vertaler het werk van een schrijver niet verraadt ?
« Le bourgmestre de Furnes » behoort, zoals gezegd, tot de ‘Vlaamse romans’ van Georges Simenon. Maar Vlaams? Door een Waal uit Liège geschreven. Een karakterkop is die Terlinck, zoals Dreverhaven, een Nederlandse kop en hoeveel keikoppen heeft de Balzac geschilderd? Het Vlaamse is niet zozeer het thema (benepenheid, hardheid (en niet ruwheid, zoals Hofstede « dure » vertaalt), afgunst, zwakte, plicht zijn van alle tijden en plaatsen) maar wel dat van de vrijheid.
Om dit te illustreren moet ik het verhaal terug opnemen. Uit de bijna-moord op de brouwersdochter en de zelfmoord van de werknemer, volgt logischerwijs wroeging, schuld, zondebesef. Die is er wel bij Terlinck, behoedzaam draait hij rond de plaats waar de zelfmoordenaar gestaan heeft, maar dat is niet het voornaamste. De brouwersdochter, Lina, is door haar vader naar Oostende verbannen om een schandaal te vermijden – niet gehuwd, zwanger en, vooral, bezwangerd door een arbeider – maar iedereen weet natuurlijk wat er gebeurd is. Terlinck zoekt haar daar op : hij is gefascineerd door haar want merkwaardig genoeg speelt zij géén slachtoffer, haar vroeger lief is snel vergeten, ze is blij uit Veurne verlost te zijn en in het vrije Oostende te floreren (en wie, zoals ik, enkelen uit Oostende kent, weet hoe vreugdevol Oostendenaars zijn) en ze leeft het leven van een vrij, zorgeloos meisje – een schuldloos geluk, een volledige blijdschap. Terlinck overlaadt haar met geschenken maar raakt haar niet aan. Hij leeft naast haar maar door haar licht-zijn, is ook hij minder bezwaard. Het zwaarmoedige Veurne wordt tegenover het lichtzinnige Oostende gesteld (men kan er ook een parallel met de dochter van Terlinck in zien: beide vrouwen zijn zwakzinnig: de dochter naar geest en lichaam, de brouwersdochter naar geest en lichaam: de ene vrouw (Hofstede zou schrijven ‘vrouwtje’) is zich onbewust, de andere bewust. In Oostende heeft Lina een vriendin, Manola, een vrouw die zich door een rijke man laat onderhouden. Het is zij die Terlinck vraagt wat hij, na al die weken van talmen, met Lina van plan is en zij geeft hem onomwonden de prijs te kennen die een man voor een vrouw moet betalen. Joris Terlinck gaat akkoord.
En even later geeft Terlinck in Veurne de vader, brouwer Van Hamme, te kennen dat ‘hij zijn dochter gekocht heeft’. Grote consternatie – omdat het gezegd is. En dit is het begin van de politieke val van Terlinck (die vervolledigd zal worden wanneer men de dochter van Terlinck zal wegvoeren en haar in een psychiatrische instelling zal opsluiten waar ze ongetwijfeld de echte hel der katholieken zal kunnen ervaren). De katholieken spannen samen en stoten hem van de burgemeesterszetel.
Maar dit is niet de val van de burger Joris Terlinck. Er is namelijk geen ondergang.
Immers, Terlinck koopt dan wel Lina maar hij doet niets met haar: nadat hij het ‘en public’ gemeld heeft, ziet hij Lina niet meer. Zijn vrouw ligt op haar sterfbed en zal korte tijd later sterven. Terlinck zal later hertrouwen met haar zuster: zo blijft alles bij het oude: er moeten geen nieuwe meubels komen, het huis moet niet heringericht worden, alles blijft hetzelfde (ook de dienstmeid, een vroegere minnares van Terlinck blijft in huis – die dienstmeid is overigens autobiografischer dan menigeen durft te denken: in het huishouden van Simenon behoorde het tot de geplogenheden van het huis en de dienstvaardigheden van de dienstmeisjes). Terlinck kan dus doen alsof er ‘niets’ gebeurd is : hij is weliswaar zijn politieke macht kwijt maar hij blijft een eerbare burger.
Het thema van de roman is echter de verovering van de spinozistische vrijheid. Daarom tekent Georges Simenon zijn hoofdfiguur ook als een figuur die buiten de kleinburgerlijke moraal staat – er is wel sprake van morele waarden en daarvan is de plicht de belangrijkste maar die worden niet beoefend vanuit een moreel moeten maar vanuit een mens-zijn, zonder de humanistische connotatie. Er is geen sprake van een al dan niet vrije wil : er wordt gehandeld zoals er gehandeld moet worden ; men is, zoals men is.
Terlinck komt in twee totaal verschillende milieus terecht: Veurne, de hel – Oostende, het paradijs. Of: Veurne, de katholieke negentiende eeuw – Oostende, de frivole rococo. Of: het leven als een plicht tegenover het leven als spel. En in beide milieus blijft hij zichzelf: er komt geen barst in zijn onaangedaanheid (dit is niet helemaal juist: er is wél verwarring maar die is (helaas) toch een concessie van Simenon aan de wereld of, positiever gezien, deze behoren tot die troebelheid waarover Simenon het had, de complexiteit die voorbij de verklaring bestaat). In beide plaatsen weet Terlinck hoe er gehandeld moet worden. In Veurne is hij de baas, in Oostende is hij de nederige bewonderaar maar telkens is hij ook een buitenstaander, iemand die waarneemt en een rol speelt. Beide milieus hebben geen vat op hem. Die onaangedaanheid is een leegte in hem (wat zijn kracht uitmaakt want vervolmaakt kan worden, p. 161). De onverschilligheid laat hem toe vrij te zijn.
Terlinck handelt zonder psychologische reden (maar dit wil niet zeggen zonder rede), hij gebruikt geen sentimenten, het sociale is het overbodige.
Zijn gewonnen vrijheid is dat hij het andere, het alternatief, het groenere gras gezien heeft, hij was er en hij heeft het toch verzaakt. Hij heeft de mogelijkheid gehad het andere te doen en hij heeft het niet gedaan. De verzaakte vrijheid is de hoogste vrijheid. De bevrijding ligt in het nee, niet in het ja. Hij had kunnen overstappen naar die andere wereld van licht, geluk en blijdschap en hij heeft het niet gedaan omdat hij het niet gedaan heeft. Hij is niet teruggekeerd naar Veurne uit plichtsbesef of omdat zijn vrouw stierf of omdat daar zijn fabriek staat. Hij is gebleven omdat hij gebleven is. Door het andere te weten, is hij vrij. En alleen.

Advertenties