hugo claus gaat naar het museum

door johan_velter

Het verhaal ‘Chateau migraine’ van Hugo Claus verscheen in 1987 als het eerste boekenweekgeschenk in Vlaanderen en was een uitgave van de ‘Algemene Boekverkopersbond’. Het boek was ‘Gratis – uitsluitend in de erkende boekhandel – bij aankoop van minstens 500 fr. aan boeken tijdens de boekenweek (31 oktober-11 november)’. 500 frank is nu iets minder dan 13 euro, ook toen kostten boeken al ongeveer 500 frank. Het boek werd geproduceerd door de toenmalige uitgeverij Dedalus, de omslag behoort tot de lelijkste uit het oeuvre van Claus (en dat wil wel iets zeggen want Claus heeft niet erg veel geluk gehad met zijn omslagmakers). De twee tekeningen van Jan Bosschaert behoren tot de Pieck-soort, een poging mensen af te beelden op een knullige manier maar zonder enig inzicht of ‘esprit’, ook dikwijls een valse erotiek opzoekend. De ‘dikke man’ op de achterzijde kan de broer van Hugo Claus verbeelden, de goede broer, Guido dus.

hugo claus_chateau migraine_0_bosschaert

Het restaurant op de Dendermondsesteenweg in Gent dat in dit verhaal beschreven wordt, is al enkele jaren verdwenen. Ooit heeft men gepoogd mij daar binnen te krijgen door te vertellen wat er gaande was. Nooit ben ik daar binnen geweest.
Het verhaal heeft niet zo veel om het lijf, toch gaat het over de Nederlands-Vlaamse verhoudingen, de clichés, de dooddoeners. Claus keert de wereld om: hij beschrijft de Nederlanders als Vlamingen. Een groep Nederlanders bezoekt Gent en ze gaan o.a. ook naar het Museum voor Schone kunsten daar, we spreken van de periode dat het museum nog niet vernietigd werd door onwil, onkunde en arrogantie. Claus beschrijft hoe de bezoekers totaal niet geïnteresseerd zijn in wat te bekijken valt. Hij beschrijft immers ‘altijd’ een onderklasse, niet de huidige onderklasse maar iets wat zich tussen de sociale lagen bevindt. Zijn personages zijn geen arbeiders, behoren ook niet tot een middenklasse die in kunst, cultuur, onderwijs, etiquette, sociale omgangsvormen enzovoort geïnteresseerd is, maar hij beschrijft ook niet die groep die bijna-clochard is. Op deze manier laat hij ‘het volk’ als het koor van een Griekse tragedie optreden: het geeft commentaar op de gevestigden, het is de buitenstaander die het decorum afbreekt en geïnteresseerd is in ‘het vettige’. De paradox is dat Hugo Claus zelf tot die culturele elite behoorde (en er ook veel aan gedaan heeft om daartoe te behoren) maar in zijn denken en voelen (in zijn bochel) een zootje ongeregeld was en bleef. Het lachen van Alfred Jarry.
Het verhaal speelt zich af in Gent, de Nederlanders doen een culturele uitstap, eigenlijk is er maar 1 die in de cultuur geïnteresseerd is, de initiatiefnemer, de betweter, de schoolmeester – Claus weet hoe hij die moet aanpakken.
De naam van de Vlaamse gids is Goethals. Eerst en vooral verwijst hij naar de gebroeders Van Eyck (Claus laat de naam echter niet vallen): ‘Volgens hem had een Belg, of liever hadden twee Belgische broers het schilderen met olieverf uitgevonden.’ (‘Verhalen, De Bezige Bij, 1999, p. 420-421). Claus herhaalt graag de oude mythen, vandaag weet iedereen dat de gebroeders Van Eyck de olieverf niet uitgevonden hebben. Dat er sprake is van ‘Belgische’ en niet van ‘Vlaamse’ schilders duidt op het ‘Nederlandse’ standpunt van Claus – de gebroeders waren overigens van Maaseik afkomstig. Van Eyck heeft met het museum weinig te maken want het museum van Gent bezit géén Van Eyck. Deze passage had eigenlijk iets eerder in het verhaal moeten komen, nl. wanneer men de kathedraal bezocht.

hugo claus_chateau migraine_1_bosch

De volgende alinea beschrijft het schilderij de ‘Kruisdraging’ dat nog steeds door het museum tot het oeuvre van Jeroen Bosch gerekend wordt, maar dat uiteraard niets met Bosch te maken heeft. Ook hier laat Claus de naam van de schilder niet vallen: ‘Goethals bleef lang zeuren over het diagonale van de compositie bij een schilderij met kwaadaardige soldatenkoppen en een bloedarmoedige Kristus met een zuinig, treurend mondje. Petra Peeters kamde haar schapenkrulletjes in het zwart, weerspiegeld glas.’ (p. 421). Een mooi voorbeeld van hoe Claus de cultuurtierlala in een tang houdt: het begin met het ‘ondraaglijk lang zeuren’ en het einde met het kammen van het haar – daarvoor dient het spiegelglas. De beschrijving van Claus is niet helemaal juist want de koppen die Christus omringen zijn niet alleen soldaten; er zijn ook, naast het ‘uitschot’, hoogwaardigheidsbekleders en monniken (misdadigers dus) te zien en er is Maria Magdalena.
Het tweede schilderij dan: ‘Reyniers vond het mooiste in het Museum een fors en vlekkerig schilderij waarop koeien door boerenjongens opgejut werden en door een riviertje waadden.’ (p. 421). Het woord vlekkerig lijkt naar het impressionisme te verwijzen, fors betekent hier groot. Claus beschrijft het gekende werk van Emile Claus, ‘Koeien die de Leie oversteken’ (1897-1899) dat echter in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel hangt.

hugo claus_chateau migraine_2_emile claus

Zou Claus aan Apollinaire gedacht hebben als hij schrijft: ‘Van Pinksteren kwam bij hem staan en fluisterde dat je hier makkelijk een paar schilderijen zou kunnen jatten.’ (p. 421)? Van Pinksteren zegt dat hij zonet aan een schilderij heeft staan rukken en dat er geen alarm afging. En inderdaad in 2001 werden er schilderijen gestolen – die diefstal was een argument om dan eindelijk het museum te renoveren – na jarenlange verwaarlozing en minachting door het stadsbestuur : niets nieuws.
Een derde schilderij: ‘[…] vertelde Goethals dat de witte kap van een sip kijkende vrouw er later op geschilderd was, omdat de vrouw na de eerste versie van het schilderij weduwe was geworden.’ Dit is moeilijker. Het kan gaan om het schilderij ‘Portret van een vrouw’ door Frans Hals,

hugo claus_chateau migraine_3_frans hals

of het dubbelportret door Gerard Horenbout, het ‘Portret van Livina van Steelant’.

hugo claus_chateau migraine_3_gerard horenbout

Of misschien nog een ander werk, tenminste als we in het MSK blijven. Er bestaat een catalogus van alle schilderijen van het MSK (2007) maar die is zo slecht van kwaliteit, zo lamentabel van vormgeving, zo arm aan informatie (ik zwijg dan nog over kennis) dat het niveau niet veel hoger staat dan dat van een prentjesboek (en uiteraard is ook de website van het museum ondermaats – de beeldkwaliteit is dikwijls slecht, de teksten zijn oppervlakkig en niet alle werken zijn zelfs opgenomen). Maar wel ‘communiceren’.
Dan beschrijft Claus de eindeloze rij schilderijen als ‘[…] de club bleef maar slenteren langs bloedige Kristussen, hogepriesters in hermelijn, madonna’s in gouden stralenkransen, heiligen die gemarteld werden, een kardinaal aan wie een leeuw een pootje gaf, […].’ (p. 422) – nochtans is de collectie oude kunst in Gent niet zo uitgebreid. De laatste vermelding uit het rijtje is een verwijzing naar Sint-Hieronymus en de leeuw geeft de kardinaal uiteraard geen pootje: de heilige haalde een doorn uit de poot van de kreupele leeuw en uit dankbaarheid bleef deze bij de heilige. Op veel manieren, ook onherkenbare (zie bijvoorbeeld het Gentse Bosch-schilderij), werd de leeuw samen met de kerkleraar afgebeeld. Voor zover ik weet heeft het museum (buiten het Bosch-schilderij) geen Hiëronymus-werk.
De ‘hogepriester in hermelijn’ zou het portret van bisschop Antonius Triest door Gaspar de Crayer kunnen zijn – al is een bisschop geen hogepriester.

hugo claus_chateau migraine_4_gaspar de crayer

Er is ook sprake van ‘beeldige tapijten’: het museum bezit inderdaad een reeks tapijten met mythologische afbeeldingen – alleen zijn ze niet erg ‘beeldig’ want de figuren zijn nauwelijks nog te onderscheiden – wegens verwaarlozing.
Tenslotte : ‘Reyniers kocht bij de ingang een ansichtkaart die een vrouw voorstelde waarvan het naakte bovenlijf overvloeide in het middenrif van een tijger en toen uitdeinde in een geschubde drakenstaart of de verwrongen wortels van een exotische boom.’ (p. 422). Daar het hier slechts om een postkaart gaat, moeten we ook dit werk buiten het museum zoeken. De beschrijving lijkt te verwijzen naar een symbolistisch schilderij (ook al heeft Claus een gelijkaardig composietbeeld voor zijn roman De verwondering gebruikt, https://sfcdt.wordpress.com/2015/04/17/wat-details-rond-de-verwondering-van-hugo-claus-10/ – de werkwijze is bij Claus identiek: in zijn beschrijving vertrekt hij van reële plaatsen en werken maar hij voegt samen wat in de werkelijkheid niet samengevoegd is) en dan denken we uiteraard aan het werk van Fernand Khnopff. Maar dan nog is dit niet noodzakelijk de zakelijke beschrijving van een bestaand werk, bijvoorbeeld ‘De liefkozing’.

hugo claus_chateau migraine_5_fernand khnopff_de liefkozing

De vraag is natuurlijk waarom Hugo Claus juist deze werken beschrijft, waarom hij dit doet zoals hij het doet en ook voorbijgaat aan het werk van bijvoorbeeld Rubens, Ensor, Brusselmans of Permeke.
(Paul Claes meldde me : Zo te zien is die vrouw een sfinks: borst van vrouw, lijf van leeuw (tijger?), slangenstaart. De vrouw als dier: de eeuwige Oedipusallusie van Claus. De slangenpoten wijzen op het chtonische aspect van de Sfinks (ook dat is een cliché bij Claus).)

Advertenties