roger martin du gard (11)

door johan_velter

roger martin du gard_11

‘Maar,’ vervolgde hij, terwijl hij zich krachtig in de handen wreef, ‘op mijn leeftijd kost het moeite in de triomf van de rede te geloven. Als de vrede enkel nog van het gezond verstand van mensen afhangt, kun je net zo goed erkennen dat hij in gevaar is … ! Wat trouwens geen reden is om met de armen over elkaar te gaan zitten. Ik ben het er volkomen mee eens dat de diplomaten zich uitsloven. Je moet je altijd inzetten, alsof er iets aan te doen valt. In de geneeskunde is dat ons principe, […].’

Terwijl hij Rumelles dit beeld van de Europese politiek hoorde schetsen, voelde hij de angst van de passagier die midden in een storm plotseling ontdekt dat alle scheepsofficieren hun verstand hebben verloren.

Ik begreep dat het dwaas was te denken dat de overwinning van het recht gemakkelijk en nabij was, maar dat het nog dwazer, en misdadig was, om te wanhopen!

Een nieuw en volkomen ander sociaal systeem moet de mens in staat stellen niet alleen te overleven, maar te leven ! Het individu moet niet alleen materieel delen in de winst die zijn werk oplevert, maar ook zijn aandeel krijgen in de vrijheid, het welzijn, de vrije tijd, zonder welke hij zijn menselijke waardigheid niet kan ontwikkelen …

[…]; daar moeten we ons bij neerleggen : die lage behoeften moeten eerst bevredigd worden, voor de echte … innerlijke vooruitgang mogelijk is …’

Jacques keek altijd met een soort verbaasde nieuwsgierigheid naar Gallot, zoals je een egel bekijkt als je het uitzonderlijke geluk hebt hem te betrappen voor hij zich oprolt.

‘Een van de beslissende momenten in mijn leven was toen ik begreep dat wat de anderen in mij afkeurden en verderfelijk vonden, juist het beste, het meest authentieke van mezelf was !’

‘Het is verbijsterend om te zien dat zes of acht mannen in Europa – tien misschien – onderling geschiedenis maken,’ mompelde hij. ‘Ik moet denken aan King Lear: “De tijd is ziek, als een handvol gekken een kudde blinden leidt …!’

In de keuken was de jongste van de vrouwen, een dik, sloom meisje in een roze bloes, met een voorhoofd als een vaars en laag ingeplant haar, eindelijk opgestaan en kwam naar hen toe met de knorrige houding van een dier dat bij het voeren gestoord wordt.

‘Tegenwoordig,’ mompelde de albino met zijn piepstem, ‘leven we naast elkaar, ieder voor zich, zonder naastenliefde … Dat is wat we moeten veranderen, Sergei … Om te beginnen in het hart van de mensen … Kameraadschap is niet iets wat van buitenaf tot stand komt, door wetten …’ Hij glimlachte even, alsof hij een heimelijk visioen had, en vervolgde : ‘Zonder dat kun je misschien een sociaal systeem verwezenlijken. Maar niet het socialisme, zelfs niet een eerste begin ervan.’[…]

Jacques bekeek verstrooid de titels : Epictetus … Werken van Bakoenin, deel IV, Elisée Reclus : L’anarchie et L’Eglise

Jaurès vertelde niets nieuws. Hij wees voor de zoveelste keer op het gevaar van een veroverings- en prestigepolitiek, op de slapheid van de diplomaten, de patriottische waanzin van de chauvinisten, en de zinloze verschrikkingen van de oorlog. Zijn gedachtegang was simpel, zijn woordenschat vrij beperkt, en om effect te hebben gebruikte hij vaak demagogische trucs. Toch verwekten deze nobele gemeenplaatsen een heftige opwinding onder de mensenmenigte waar Jacques vanavond deel van uitmaakte, die haar op bevel van de redenaar deed sidderen, deed trillen van broederschap of van woede, van verontwaardiging of van hoop, trillen als een harp in de wind. Waar kwam die magische kracht van Jaurès vandaan?

Nu hij alleen was werd hij gegrepen door het magisch fenomeen van de collectieve euforie. Ieder begrip van ruimte en tijd verdween ; het individuele bewustzijn vervaagde. Het was als een blinde, lome terugkeer naar de oorsprong. Terwijl hij wegzonk, oploste in deze broederlijke, voortbewegende massa, voelde hij zich van zichzelf bevrijd.

Universele broederschap, ja, in principe. Maar op dit moment is dat naar de achtergrond verschoven ; iedereen voelt nu een beperkte broederschap – een Franse broederschap, mijn beste … En daarbij zitten die Pruisen ons al zo lang dwars, verdomme ! Als ze met alle geweld ruzie willen zoeken …!

Het maakte hem razend om te zien hoe de nationalisten altijd het monopolie van nobele gevoelens, onbaatzuchtige motieven en heroïsche deugden voor zichzelf opeisten. Want hoewel hij geen lid was van een partij, wist hij maar al te goed dat de militante revolutionairen, vastbesloten in alle hoofdsteden te vechten tegen de krachten die aanstuurden op oorlog, meer dan wie ook bezield waren door gevoelens van nobele zelfverloochening, door de wil boven zichzelf uit te stijgen voor een moeilijk bereikbaar ideaal, door het vuur en de geestkracht die iemand tot een held maken.

‘De eer …’ mompelde hij. ‘Ik denk dat we een grote fout hebben gemaakt door morele waarden te laten binnendringen waar ze geen zin hebben – in de economische strijd die landen verdeelt … Dat vertekent, dat vergiftigt alles. Dat belemmert iedere nuchtere overeenkomst. Dat verandert iets, wat slechts een concurrentiestrijd tussen commerciële ondernemingen zou moeten zijn, en ook alleen maar is, in sentimentele, ideologische conflicten, in godsdienstoorlogen!’

Over belangen is gemakkelijker te onderhandelen dan over gevoelens.

De mens is nu eenmaal een mens, niks aan te doen …! Dus als je niet op de eenlingen kunt rekenen, op wie wil je dan rekenen? Op de leiders? Welke? Op de leiders van het Europese proletariaat? Op de onze? Op onze sympathieke vrienden, de socialistische afgevaardigden? Zie je dan niet wat ze doen?

Nee, de arbeidersklasse is door haar eigen leiders bedrogen. In plaats van resoluut de leiding te nemen van een beweging die in verzet komt tegen de oorlogsdreiging, hebben ze de nationalisten alle vrijheid van handelen gelaten, ze hebben de kans laten lopen een revolutie te ontketenen en het proletariaat uitgeleverd aan het zegevierende kapitalisme …

Het vaderland is in gevaar! Iedereen op de been! Met getrokken zwaard! Tararaboem! Dat is de tamtam om het grote slachtveld voor te bereiden. Binnen een week zijn er in Frankrijk, en misschien in heel Europa, nauwelijks nog een dozijn rasechte socialisten, alleen nog overal socialistisch getinte chauvinisten!

Roger Martin du Gard, De Thibaults, deel 2, vertaald door Anneke Alderlieste, Meulenhoff, 2015

Advertenties