roger martin du gard (9)

door johan_velter

roger martin du gard_9
‘Pas op,’ onderbrak Jacques hem, ‘je denkt aan de revolutionair, aan de modelrevolutionair die jij wilt zijn. Je verliest de mens, de doorsnee mens, uit het oog, zoals hij is gevormd door de natuur, door de werkelijkheid, door het leven … Denk je trouwens dat je die sentimentele vaderlandsliefde waar ik het over heb, echt kunt uitbannen? Ik ben er niet zeker van. De mens kan doen wat hij wil, maar hij behoort tot een bepaalde omgeving, hij heeft zijn oorspronkelijk temperament, zijn volksaard. Hij is gehecht aan zijn gebruiken, aan speciale vormen van beschaving die hij heeft ontwikkeld. Waar hij ook is, hij behoudt zijn taal. Let wel, dat is heel belangrijk. Het probleem “vaderland” is misschien in feite slechts een taalprobleem! Waar hij ook is, waar hij ook heen gaat, de mens blijft denken in de woorden, de syntaxis van zijn taal …

Hij kwam er dagelijks, zonder dat het mysterie dat hem omgaf werd opgehelderd ; het mysterie van een man die afstand wil nemen, die afwacht, die ‘zich voorbereidt’.

Net als hij droomden ze er allemaal van op de puinhopen van de huidige wereld een rechtvaardige maatschappij op te bouwen. Hun toekomstvisie verschilde misschien in detail, maar hun hoop was dezelfde : een nieuwe orde, van vrede en broederschap. Net als Jacques – en hierin voelde hij zich zo met hen verwant – waren ze zeer gehecht aan hun innerlijke adeldom ; een heimelijk instinct, een gevoel van grootsheid dreef hen zich boven zichzelf te verheffen, zichzelf te overstijgen. Wat hen in wezen aan het revolutionaire ideaal bond was het feit dat ze er, net als hij, een inspirerende drijfveer in vonden om te leven. Wat dit betreft bleven deze voorvechters ondanks zichzelf individualisten, hoewel ze hun leven aan de overwinning van een collectieve zaak wijdden ; wat hen onbewust in deze bedwelmende sfeer van strijd en hoop vooral aantrok, was het gevoel dat hun individuele energie en hun mogelijkheden vertienvoudigd waren ; dat ze hun persoonlijkheid tot uiting brachten, door zich te wijden aan een immense taak, die boven hen uitsteeg.

‘Dat is een oud verhaal,’ zei Quilleuf. ‘Tijdens mijn dienst was ik matroos. Ik had de mazzel dat ik mijn hut deelde met twee kerels die op de hoogte waren en propaganda maakten. Ik begon te lezen, me erin te verdiepen. Anderen ook. We leenden elkaar boeken, discussieerden … We raakten doorkneed … Na een half jaar waren we al een heel team … Toen ik daaruit kwam, begreep ik dat ik een mens was …’

Maar beiden wekten dezelfde indruk van evenwicht en innerlijke kracht – die kalmte van mensen bij wie wat ze denken in volmaakte harmonie is met wat ze zijn en doen.

‘Weet je wat ik denk?’ zei hij, zich dit keer tot Jacques wendend. ‘Ik denk dat je om de massa’s tot slavernij te brengen, jullie democratische regimes, jullie republieken en parlementaire monarchieën, hoewel het niet zo lijkt, misschien wel net zulke verschrikkelijke en nog handiger instrumenten zijn dan ons schandelijke tsarisme …’

Hij had al vaker in de onbewogen houding van Meynestrel iets bespeurd wat de indruk wekte dat die houding aangewend was en de wanhoop verhulde van een gevoelig hart dat allang wist hoe de mens in elkaar zat, maar heimelijk ontroostbaar was over zijn verloren illusies.

Geweld is een wapen van de onderdrukker! Het zal het volk nooit een werkelijke bevrijding brengen. Het kan alleen een nieuwe onderdrukking laten triomferen…
Ik ben altijd meer geneigd geweest te kijken en waar te nemen, dan te oordelen en te besluiten …
Je vrijheid van geest bewaren en verdedigen, betekent dat onvermijdelijk dat je ongeschikt bent voor gezamenlijke actie?

Ze had een welgevormde mond, een dikke, maar soepele tong.

Zijn wetenschappelijke scholing had hem eraan gewend te denken dat in de maatschappelijke, net als in de organische wereld, alles een probleem is, en een lastig probleem ; dat het zoeken naar de waarheid op alle terreinen toewijding, studie en deskundigheid vereist. Hij beschouwde de politiek dus als een werkterrein dat niet tot het zijne behoorde . Bij zijn beredeneerde reserve voegde zich nog een natuurlijke afkeer. Te veel schandalen door de hele geschiedenis van de staten heen, hadden hem ervan overtuigd dat het uitoefenen van macht als vanzelf een soort immoraliteit verwekte ; of althans, dat een bepaalde absolute integriteit, die hij als arts van essentieel belang achtte, op politiek gebied niet vereist was en misschien ook niet nodig was.

Roger Martin du Gard, De Thibaults, deel 2, vertaald door Anneke Alderlieste, Meulenhoff, 2015

Advertenties