aanjagen, opkatten, retailen, gekken : de bibliotheek terug naar de wereld

door johan_velter

paris_1941_agence roger viollet

Op Bibliofuture verscheen een bericht over 4 jaar bloggen met en tegen de bibliotheekwind in : http://bibliofuture.nl/vier-jaar-bibliofuturenl/. De schets van Joost Heessels is angstaanjagend juist en is niet anders dan op een beleefde manier zeggen dat er verantwoordelijken zijn die een sector vernietigd hebben en dat die sector nauwelijks nog mogelijkheden heeft om zich anders te oriënteren.

Hij toonde de voorbije jaren ook aan dat het ‘sociaal model’ zijn grenzen bereikt heeft: dat er binnen dat model niet langer gehandeld kan worden (omdat het niet efficiënt en contra-productief is : de zo geprezen nieuwe waarheden zijn oude leugens gebleken) en dat slechts nog de ravage geconstateerd kan worden.

Maar als er vandaag zo veel moeite moet gedaan worden om een bestaansreden te vinden, is de zoektocht dan nog wel nodig? Relevantie kan toch niet uitgevonden worden?: die is er of die is er niet.

We hebben de omslag meegemaakt van een cultuurbeleid naar een sociaal beleid (Ger Schmook heeft voor die verkeerde wending jaren geleden gewaarschuwd – men heeft hem uitgelachen) . Het sociaal beleid was niet gericht op specifieke, achtergestelde doelgroepen om die in een andere cultuur te introduceren of binnen te trekken (maar wie is achtergesteld als de zogenaamd hogere klassen de moraal van het uitschot hebben overgenomen?). Het ‘sociale’ betekende dat we ons niet meer richtten op inhoud maar wel op ‘processen’, formele verbanden: daardoor werd de versmelting van lener en klant mogelijk: hij werd een te veroveren object, niet om een cultuurproduct te verdedigen en levend te houden, wel om hem ‘op zijn gemak te stellen’ – de bibliotheek werd een verlengde van het winkelconcept: een omgeving aanbieden die leidt tot een excessief koopgedrag. Helaas had de bibliotheek niets te verkopen en werd het product zelf ook steeds onaantrekkelijker want minder functioneel. Niet alleen nam internet een groot deel van de taken over, ook de mens zelf was veranderd.

De bibliotheek werkte vroeger vanuit het concept van volksverheffing, er was een verticale relatie aanwezig. De lener werd gezien in een afhankelijke positie. De grote winst van het ‘sociale beleid’ was dat deze verhouding veranderd werd: de lezer moest nu bediend worden, er kwam een horizontale verhouding tot stand. Het dagelijkse leven met zijn beslommeringen en problemen trad de bibliotheek binnen: het consumentisme wordt begeleid door het realisme – vandaar ook de stilstand en het reactionaire beleid.

De bibliotheek bleef verweesd achter: de oorspronkelijke doelstelling verdween en de daarop geënte werkwijze waren niet meer aangepast aan de tijd. Door managers, vreemd aan het eigen domein, werden de doelstellingen en de werkwijzen van de commerciële wereld geïntroduceerd. De doelstellingen veranderden ook om de haverklap (het winkelconcept vraagt constante zichtbare vernieuwing): de ene keer moest de bibliotheek inzetten op snelle informatie, de lezer werd als een idioot behandeld, dan was de bibliotheek een huiskamer, een ‘landmark’ of een circusplaats, dan weer werd de ontmoeting centraal gesteld of moest er gecommuniceerd worden, nee, het personeel moest door de bibliotheek wandelen. Het onderscheid tussen handel en cultuur verviel; de managers hielden zichzelf in stand door de cijfers te vervalsen, verkeerd te interpreteren en de doelstellingen te veranderen: zo kon er nooit geëvalueerd worden en ze ontsprongen steeds weer de dans. Altijd werd de nadruk op het nieuwe gelegd: ook zo schilderden ze zichzelf af als profeten en de anderen als geiten.

Een voorbeeld. En natuurlijk: er moest gecommuniceerd worden. Zo werd het gebruik van e-mail ooit door Locus bestempeld als een triomf van het bibliotheekwerk: want communicatie was door die idioten als een doelstelling vastgelegd. Dit soort beleidsmakers konden en kunnen vereenzelvigd worden met de woorden: kwakkelen, kwekken en kwaken.

Na het sociale beleid, waarvan de verworvenheden echter moeten meegenomen worden, moet nu terug een nieuw evenwicht gevonden worden en die ligt in het inhoudelijke: nu moet opnieuw de culturele kant van de bibliotheek versterkt worden en er moeten andere werkvormen en samenwerkingsmodellen komen. De normen komen dan niet langer vanuit een beperkte economische visie maar vanuit een meer volledige visie op mens en wereld.

De bibliotheek moet inzetten op kennis en cultuur – informatie wordt door internet gedekt. We leven immers in een tijd waar alles hapsnap moet zijn en ook de literatuurbijlagen van de media doen daaraan mee; het onderwijs zelf zet niet meer in op langetermijndoelstellingen (als de overheid al vindt dat men op school een rijbewijs moet halen dan bestaat die overheid uit misdadige dommeriken). Er zijn geen instellingen meer die een langetermijnkennis doorgeven. De bibliotheek moet die functie veroveren en ze kan dit doen door persoonlijke, geautomatiseerde attendering. We zijn terug bij de lenersprofielen.

Tegelijkertijd moet de bibliotheek zich ook inschrijven in een tegenmaatschappij – niet langer die van de economische wereld met de tirannie van het product en de klant – maar wel die van de humane waarden: de kwaliteit van het bestaan én de eisen van de cultuur (die tégen de klant kunnen en durven ingaan). De bibliotheek moet zich daarvoor niet afwenden van de huidige tijd: concepten als effectiviteit, rendement, productplaatsing, klantvriendelijkheid, presentatie- en communicatiemiddelen, zijn niet per definitie negatief. Wél moeten die als middel ingeschakeld worden in een ander doelbeleid – nu werkt men in de bibliotheek (net zoals in de huidige economische tijd) vooral op middelen (besparen, rendement, efficiëntie) – zonder doelstellingen die uit de instelling zelf komen of zonder na te denken over wat de grond van een instelling is.

Op deze manier kunnen bibliotheken mensen adviseren wat ze kunnen lezen en niet alleen wat ze moeten lezen. De woorden ‘kunnen’ en ‘moeten’ stammen uit de twee eerdere periodes. Het moeten is dat wat de ideologie, de godsdienst, de sociale clan oplegt en sluit het andere uit. Het kunnen is een uitnodiging tot nadenken, afwegen, kiezen. Het ene staat voor een gesloten maatschappij en denken ; het tweede voor een open wereld. Maar omdat de bibliotheek een maatschappelijke instelling is, is haar uitnodiging niet vrijblijvend: er is een norm die gehaald moet worden, zowel inhoudelijk als maatschappelijk. Daarom is de bibliotheek als passieve instelling niet langer gepast: de culturele werking moet in een maatschappelijke context gebeuren en er moet dan ook sprake zijn van effectiviteit.

Intermediaire organisaties, zoals Bibnet en Locus, behoren tot de oude cultuur. Ze zijn ontstaan uit een economisch rendementsdenken. Ondertussen is gebleken dat ze inhoudelijk hun werk niet aankunnen (er is geen enkel project dat enig succes gekend heeft), de incompetentie de sector achteruitgegooid heeft (e-books, de centrale catalogus) én dat er géén rendements- en productverbetering tot stand gekomen is. Dit is ook de logica zelf: deze instellingen bestaat slechts omdat ze vanuit een anti-logisch, anti-cultureel kader werkt. En uiteraard zal de tandem Bibnet/locus de minister adviseren om boven hen een nieuwe constructie te zetten: dwalingen vermenigvuldigen zich, zoals de konijnen – tot ze elkaar doodbijten.

Het bibliotheekconcept moet dus heroverd worden op beleidsmakers, politici, intermediaire snertorganisaties als Bibnet en Locus, managers, projectontwikkelaars, architecten en moet zich plaatsen daar waar het thuishoort: de wereld van cultuur en kennis, van rationaliteit, verbeelding en de introverte mens. De verhouding moet gekeerd worden. Mensen cultuur geven ís sociaal – de bibliotheek moet de leners niet dankbaar zijn: de lener moet de bibliotheek als een plicht zien.

Terug naar de eenvoud, een kwaliteitsvolle armoede. Niet de wereld van de huidige loonarbeid maar van de vrijheid. Niet de wereld van het prestige maar van het zelfbewustzijn.

Beeld: Agence Roger Viollet

 

Advertenties