ander/onander : over sybren polet

door johan_velter

sfcdt_sybren polet_1_jaap jungcurt

Waar is het misgelopen met dat ‘ander proza’? De dood van Sybren Polet onlangs en die van Ivo Michiels in 2012 deed weinig stof opwaaien. De meest positieve herinneringen waren wat meewarig: ‘ach ja, de tijd toen we dat lazen’. Wat lazen we nog? Hugo Raes nooit kunnen lezen, later heeft Pol Hoste wat in dat voetspoor willen lopen – en is er nooit uitgeraakt. En verder heeft dit proza nauwelijks iets opgeleverd. Toch lazen we die boeken gefascineerd en wisten we dat dit ‘iets’ kon zijn of worden. En toch, de een na de ander hebben we die auteurs verlaten, zijn we gestopt met hun boeken te lezen. Er was onverschilligheid, ze konden zelfs niets meer beroeren.

Bij Ivo Michiels was dat duidelijk: hij werd een sentimentele babbelaar. Hij heeft altijd het taalspel geprezen maar het plezier in het spel was te beperkt omdat het enkel nog een schrijversplezier was – plezier is er maar als ook de lezer in het plezier betrokken wordt. Ook als intellectueel was Michiels geen hoogvlieger – zie zijn esthetische geschriften.

Toch is dat ‘ander proza’ niet verdwenen. De werken van Nathalie Sarraute en Claude Simon zijn nog steeds springlevend en hebben een relevante stem. Er is te veel naäperij geweest, een te bewust, extravert soort schrijven dat borstklopperij werd – zonder de aandacht voor de kunst zelf of de wereld.

Wat Sybren Polet betreft, werd duidelijk dat ‘fantasy’ en ‘science fiction’ definitief niet langer bij de literatuur behoren – de literaire vormen zijn niet meer aangepast aan dat soort verbeelding, het niveau van stripverhalen en films. Ook van hem hebben we zijn eerste boeken met plezier en verbazing gelezen, ‘Mannekino’ is een dierbare herinnering maar er is geen behoefte aan herlezen. Het lijkt alsof we de interesse en de fascinatie van de adolescent achter ons gelaten hebben en dat we nu wel beter weten. Wat is het verschil met het werk van Louis Paul Boon? Dat deze laatste geen kunstmatig ander proza geschreven heeft maar een vorm vond die zijn vele aspiraties kon bevredigen.

Dat ‘ander proza’ is van meet af aan academisch begeleid geweest. ‘Mannekino’ verscheen bij De Bezige Bij in 1968 en in dat boek werd een essay van Paul de Wispelaere opgenomen waarvan de laatste zin luidt: ‘Meer nog : de congruentie van het menselijk bewustzijn met zichzelf blijkt een onmogelijkheid.’ Misschien zegt die ene zin wel alles over dat ‘ander proza’: waar literatuur (en algemener: de kunst) een poging doet de eenheid te verbeelden (wat voor eenheid dan ook), een manier is om de wereld te beschrijven (ook al ligt die in scherven) en intellectueel te begrijpen (ook al is het weten een straf en een last), doet het ‘ander proza’ juist het tegenovergestelde: het stelt zich tevreden met wat is. In het werk van Boon heb je een morele dimensie die de vorm, de inhoud, het zien, het onderwerp bepaalt – het ‘ander proza’ gaat de omgekeerde weg: van de vorm zoekt het zich een inhoud – vandaar ook dat lange ter plaatse trappelen van Ivo Michiels, die zelfanalyse van de Wispelaere, dat koketteren van Pol Hoste. Terwijl je elke dag elk uur aan het werk van Samuel Beckett zou willen besteden – of is het de breuk met het modernisme dat de neergang van dat ‘ander proza’ heeft bepaald?

sfcdt_sybren polet_2

Enkele jaren geleden heeft Paul de Wispelaere zijn bibliotheek (of toch delen ervan) verkocht. Daartussen bevonden zich ‘Illusie & illuminatie’ (1975) en ‘Persoon/onpersoon’ (2de druk, 1974). Beide boeken lijken niet gelezen te zijn, er zijn nergens aantekeningen te vinden en dat ‘Persoon/onpersoon’ een tweede druk is, zegt ook wel iets. De lelijkheid van die omslagen valt op – nochtans heeft Jacques Janssen de vormgeving van ‘Illusie & illuminatie’ bepaald (Titia Verwayen is verantwoordelijk voor ‘Persoon/onpersoon’).

sfcdt_sybren polet_3

In deze laatste bundel is ‘het verhaal’ van Mr. Iks opgenomen, ook dat is een verklaring voor de onbelangrijkheid van dat ‘ander proza’: het gaat te veel over de kleinburger op een kleinburgerlijke manier door een kleinburgerlijk talent geschreven. Terwijl er wel een minachting aanwezig was voor het klootjesvolk. Nochtans: Céline heeft zijn lezer meer dan eens uitgescholden, ook Peter Handke en Thomas Bernhard hebben dit gedaan en Erasmus heeft zijn lezerspubliek de les gelezen. Bij het ‘ander proza’ was er te veel verwaandheid zonder dat er een grond was.

In zijn essaybundel ‘Tussen de zwarte en de witte pagina : de voorgeschiedenis van het moderne proza’ komen de mankementen zeer duidelijk aan het licht. Er is geen verrassing te bespeuren, de stukjes zijn al te licht, er is geen intellectuele kracht, geen intelligente flits of een scherp observatievermogen aan het werk. Al te gretig zoekt Sybren Polet naar voorgangers om het eigen werk geloofsbrieven te kunnen meegeven. Maar als Polet Lucianus, Rabelais, Montaigne, Cervantes, Sterne, Diderot, Jean Paul, Melville, enzovoort als voorgangers ziet, dan is hij op een historiserende manier de geschiedenis aan het vervalsen. Ergerlijk is ook hoe hij een belangrijk figuur als Gaddis in een voetnoot verstopt en hoe hij in diezelfde voetnoot de titels van de hoofdwerken van Louis Paul Boon verhaspelt.

Om ons bij Diderot te houden. In ‘Jacques le fataliste et son maître’, schrijft Polet, ‘komt een paard als beweegreden voor’ (IJzer, p. 41) – ja, dit is dus het andere. Polet ziet Diderot als een moderne schrijver waarvan hijzelf een achterkleinzoon is: niet enkel geloofs- maar ook adelbrieven. Misschien is het omgekeerde echter eerder waar. Denis Diderot publiceerde zijn verhalen niet, misschien juist omwille van hun anti-moderniteit, hun herinnering aan het wilde denken van de Middeleeuwen, hun ongehoorde vertelkracht, hun wijdlopige exposés. De moderne roman moest toen immers rechtlijnig zijn, de wegen moesten leiden naar een ontknoping, de roman moest een oplossing bieden, de catharsis was een noodzakelijk element binnen het moderne en vooral ook de stijl moest rationeel zijn (of klinken). Niet alleen herinneren de verhalen van Diderot aan de Middeleeuwen, ze appelleren ook aan de volksverhalen – en de Verlichting wilde juist weg van ‘dat volk’: de stedelijke omgeving was een stap in de ontvoogding. In ‘Jacques le fataliste et son maître’ is er van al die Verlichtings-idealen weinig te merken: de grote Verlichtingsdenker is een anti-Verlichtingsdenker geweest, niet in de betekenis van het conservatieve of het religieuze maar in de verbeelding, de fantasie, de vrijheid.

Ook de verzamelbundel ‘De noodzaak van het overbodige : verkenningen’ (Wereldbibliotheek, 2014) is al te gemakzuchtig en oppervlakkig. Pseudo-intelligentie zoals ‘Goede poëzie ontkent én bevestigt alles, tegelijkertijd – bevestigt en ontkent alles behalve zichzelf.’ : dit is essentialistische onzin; mossel noch vis; slechte hutspot. Ook dat is dat ‘ander proza’: de paradox gebruiken als speelgoed en er verder niets mee doen.

Toch zal ‘Mannekino’ van Sybren Polet nog lang herinnerd worden en dit dankzij de prachtige omslag, misschien wel een meesterwerk, van Jaap Jungcurt, alias J. Cursto, een prent van vreugde, geluk en stille eenzelvigheid.

Advertenties