verdwaald in het woud

door johan_velter

le fou et le diable_livre des heures_arras_1300

Auke van der Woud, emeritus hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis, schreef met De nieuwe mens : de culturele revolutie in Nederland rond 1900 (Prometheus, 2015) een weinig verhelderend boek. Niet alleen omdat zijn stellingname en bewijsvoering onduidelijk zijn maar vooral omdat het boek nog een uiting is van een verouderde wetenschapsvisie. Wat hij schrijft over Nederland is slechts een voetnoot bij wat anderen in cultuurfilosofische boeken hebben neergeschreven. Wetenschap wordt nog steeds beoefend alsof een cultuur, een economie, een maatschappij aan de landsgrenzen stopt en een uniek parcours doorlopen heeft. En inderdaad, Frankrijk is Nederland niet. Maar Van der Woud schrijft op een iets hoger niveau: hij tracht tendensen te ontwaren, fenomenen te beschrijven en dan spreken we niet meer over landen maar wel over een cultuur, i.c. de Europese cultuur én de kapitalistische wereld. Beide ‘kaders’ leggen hun wetten op en die zijn niet aan grenzen gebonden – zo is deze geschiedenis slechts een voetnoot bij andere geschiedenissen die al eerder geschreven zijn. In de bibliografie vind je echter geen Praz, geen Boorstin, geen Adorno, slechts 1 werk van Benjamin.

De auteur doet niet aan ideeëngeschiedenis noch kadert hij zijn literatuur binnen een theoretisch geheel. Er is te weinig theorie in dit boek om relevant te zijn, er is te weinig gekeken naar internationale publicaties. Dit boek is slechts stilstand: wat de auteur beweert over Nederland, is slechts een bevestiging van wat we reeds wisten.

Daardoor herinnert De nieuwe mens iets te veel aan de metabletica, die pseudo-kennis die meer verwantschap had met complottheorieën dan met rede. Twee fenomenen afzonderen en die daarna met elkaar verbinden, lijkt een scherp inzicht te zijn maar wie de zaak nader onderzoekt, ziet toch vooral een ander contextueel geheel.

Van der Woud ziet wel heel veel ‘begin’ ‘rond 1900’ zoals de ondertitel luidt maar in feite spreekt hij van de negentiende eeuw als breukvlak, terwijl veel van wat hij beweert ook al eerder te bespeuren was. Het publiek bijvoorbeeld werd in de 18de eeuw ‘uitgevonden’, het was toen dat de massa als mobiliserende kracht in een maatschappij, voor een verandering effectief gebruikt werd – en een historicus zal ook verwijzen naar de Hervorming toen de kerkelijke machtsstructuren ook onder impuls van de volkse krachten onder druk kwamen te staan. De hang naar het materiële is uiteraard mogelijk gemaakt door de industrialisatie maar die was in vorige eeuwen ook al merkbaar én gaande – zie de VOC. De ondertitel van het boek is daarom ook verkeerd: het onderwerp van Van der Woud is niet een culturele revolutie maar een ‘materiële’ en het woord revolutie wordt al te lichtzinnig gebruikt: dit was immers géén breuk maar een versnelde voortzetting van wat reeds gaande was.

Hetzelfde geldt voor het visuele: ja, de cultuur werd visueler maar dit was reeds eeuwen gaande: ook het lezen behoort immers tot een visuele cultuur, de beeldspraak is een visuele manier van voorstellen. Maar ook het louter picturale stond al eeuwen in het centrum van de cultuur – en dit in tegenstelling tot meer orale en dictatoriale culturen waar het oor en de gehoorzaamheid belangrijker waren (moet ik nu een verband leggen tussen luisteren, oor, gehoorzaamheid, aan de oren trekken als pedagogisch instrument en het opzetten van ezelsoren als visuele opvoeding?).

Wat Van der Woud constant onderschat is het belang van het getal: het is de massa die een nieuwe cultuur heeft opgelegd en alles veel zichtbaarder gemaakt heeft. Hegel en Marx mogen het gehad hebben over de kwalitatieve sprong, de kwantitatieve is minstens zo belangrijk. Het is de verschuiving van het publieke naar het private (en omgekeerd) die de culturele revolutie bepaald heeft – maar daarover heeft Van der Woud het niet.

Het boek is door de reactie geïnspireerd. Op een wel zeer grove manier stelt hij dat het atheïsme staat voor ‘alleen maar slopen, zelf had het geen programma.’ (p. 303). De auteur staat op het verheven, metafysische standpunt dat het materiële des duivels is en vernietigd moet worden. Hij maakt ook een conceptuele fout door materialisme niet te onderscheiden in de betekenis van ‘hang naar het materiële’ en de materialistische filosofie. Zijn conclusie is al te lachwekkend om ernstig genomen te worden. Om uit de huidige impasse te geraken moet de mens zich vergeestelijken en Malevitsj en Mondriaan navolgen (Van der Woud blijkt daarenboven ook nog een Blavatsky-aanhanger te zijn). De laatste zin van het boek is: ‘Tegelijk met de ware werkelijkheid schaften ze de onechte af.’ (p. 306): de nieuwe mens moet zich uit de materiële wereld bevrijden. Dit is al te simplistisch – maar het is dus toch nog waar dat rechts geen denkers heeft (en dat Van der Woud Foucault navolgt is juist een bewijs: ook Foucault is slechts een ideoloog geweest).

Beeld: Le fou et le diable, Livre des heures, Arras, rond 1300

Advertenties