lof zonder eer : claude coppens

door johan_velter

Ondanks alles telt België toch ook heel wat hedendaagse componisten, het is dan nog een gebeurtenis als er tegelijkertijd een boek en een cd uitgebracht worden. Helaas beantwoorden boek en cd niet aan de kwaliteit die Claude Coppens zelf vertegenwoordigt en waar hij zijn leven lang voor stond.

claude coppens_1

Het boek is uitgegeven bij Lannoo maar is eigenlijk een uitgave van NV Zebrastraat in Gent, de cd is uitgebracht bij Outhere Music, ook met steun van allerlei overheden en Zebrastraat. De titel van het boek is nogal onnozel, zeker typografisch, de ongeïnspireerde vormgeving is van Thomas Soete, Claude Coppens àccord parfait [sic, de à moet ook gelezen worden als à CC], en dat wordt ook voor de cd herhaald. In het boek is een lofzang van Pjeroo Roobjee op Claude Coppens opgenomen, steeds weer dezelfde riedel: Roobjee zet zijn woordenkraan open en de woorden zonder zin en betekenis vloeien uit zijn pen: vervang enkele concrete woorden en alles is toepasbaar op gelijk wie. Erger is dat deze toespraak ook op de cd opgenomen is waardoor die waardeloos geworden is – begrijpt men niet dat het pseudo-expressionisme van Roobjee niet aCCordeert met de muziek van Coppens? De enige waarheid die hieruit te concluderen valt is de combinatie die men moet maken: Zebrastraat / Stichting Liedts-Meesen – Roobjee is de loge (cfr. ook de projecten met Willem Elias) en dus behoort ook Claude Coppens tot de loge. De CC in de titel staat dus echter ook voor complètement confuse.

Het boek is geschreven door Geert Dhondt, er is blijkbaar geen redactie gebeurd waardoor de onzin, de overbodigheden en de herhalingen niet te tellen zijn. Nogmaals: Claude Coppens verdient als componist en uitvoerder van (o.a.) het piano-oeuvre van Erik Satie een veel gedegener behandeling. Een zin als ‘Dit is het eerste werk in een reeks van meer dan 130 werken die hij tot op vandaag zal componeren.’ is een typische zin die begrepen kan worden als die gesproken is maar niet geschreven mag worden. Het verhaal van zijn opleiding is duister: wat is nu de rol van Jacques Février geweest? ‘In het feit dat Claude Coppens een pleitbezorger zal worden van de hedendaagse muziek, heeft Brazilië een belangrijke rol gespeeld.’ : niet alleen de logica ook de chronologie wordt geweld aangedaan.

Coppens heeft een rol gespeeld in het Gentse stadsleven, ook via zijn vrouw, de dochter van René Ide, sociaal-democraat en medestichter van het Museum voor Hedendaagse kunst in Gent, maar de auteur maakt niet duidelijk hoe die rol er dan uitgezien heeft. Hij somt de contacten met auteurs op (o.a. Hugo Claus) maar ook dat wordt niet geconcretiseerd. Steeds weer schrijft Dhondt boven de fenomenen in plaats van de fenomenen zélf te beschrijven. Als er over invloeden gesproken wordt dan is het onduidelijk hoe die ontstaan zijn, hoe die ingepast werden, hoe die functioneerden. ‘Ten slotte zijn er ook werken die slechts zijdelings te maken hebben met een of ander didactisch aspect.’ Geert Dhondt legt nadruk op de humanistische boodschap en levenshouding van Claude Coppens maar kan niet duidelijk maken hoe dit in zijn werk zichtbaar is, net zoals hij ook niet duidelijk maakt hoe het boek Opera aperta van Umberto Eco dat gedaan heeft, nochtans ‘dat vanaf halfweg de jaren 1960 van bepalende invloed zal zijn voor zijn muzikaal denken.’ Het ware veel interessanter geweest had Dhondt zich werkelijk verdiept in het denken en werken van Coppens en het conflict en de verzoening tussen de Oosterse en de Westerse werkwijze, als gevolg van andere denkstructuren, had uitgewerkt.

Wanneer Geert Dhondt de humor van Claude Coppens behandelt dan worden vorm en object aan elkaar gelijk: wat Dhondt schrijft, is hilarisch (bijvoorbeeld p. 34 ; p. 40 ‘op het gebied van de implementatie van de humor.’ ; p. 46 : ‘Achter de ambiguïteiten die aan de grondslag liggen van zijn humor, gaat in heel wat gevallen een onderliggende laag schuil die een boodschap bevat en die getuige kan zijn van een zeker engagement.’)

Om het werk van Coppens te typeren gaat Dhondt in sommige facetten van de biografie zeer diep (eindeloze opsommingen van bezochte landen), in andere scheert hij over de oppervlakte (die elementen die een zekere intelligentie vergen). Dit komt pijnlijk aan de orde wanneer Dhondt het citerend componeren wil behandelen: hij doet belerend door de soorten op te sommen en probeert die dan op Claude Coppens toe te passen – tegelijkertijd zegt hij niets : ‘Hetzelfde geldt trouwens voor het veelvuldig gebruik van muziekcitaten, ook hier al dan niet getransformeerd en vaak nauwelijks herkenbaar, maar toch omnipresent. Ook in de keuze van deze muziekcitaten is Claude Coppens quasi nooit vrijblijvend. Ze dragen bij tot het kracht bijzetten van datgene wat hij wil poneren.’ (p. 41). Dhondt beweert dat het woordspel een hoogtepunt bereikt in Dwangarbeid maar laat het daarbij. Intellectuele gemakzucht is een al te brave term.

Heeft de auteur nog nooit gehoord van de reeks Text + Kritik : een manier van nadenken en schrijven die niet alleen beschrijvend maar ook analyserend is, muziek in een internationale context plaatst en toont hoe rationeel de compositie- en speeltechniek is ?

Het boek over Claude Coppens bevat echter wel enkele wondermooie partituurbladen die aantonen hoe het visuele, het intellectuele, de uitvoering, de compositie en het denken een eenheid kunnen vormen.

claude coppens_2

Advertenties