hugo claus en de sterke vrouw, een intertekstuele grap

door johan_velter

Het verhaal, ‘Drie steden’, van Hugo Claus, speelt zich af in 3 steden, Rome, Milaan en Gent. Claus zegt in het eerste deel (‘In Rome’) dat het verhaalde met hem en Bert Schierbeek in de hoofdrollen ‘natuurgetrouw’ is. Twee vrienden dolen in Rome, dolen in de betekenis van verdwaald zijn in het leven, niet verdwaald zijn in het labyrint dat een stad is. Schierbeek wil een reisgids over Rome schrijven, Claus woont in Rome. Het tweede verhaal, ‘In Milaan’, is een afrekening met Hubert Lampo. We zien dus al een beweging: Nederland (met Bert Schierbeek), Vlaanderen (met Lampo). En ook in dit verhaal bevestigt Claus dat dit waarheidsgetrouw is – ook al denkt de vrouw dat hij ‘(zoals gewoonlijk)’ liegt. Het derde stuk is getiteld ‘Te Gent’ en daarin vertelt Claus een gebeurtenis in café ‘De hel’. De schrijver komt in zijn vertrouwde café en ziet daar de kaarters – die daar al eeuwen zitten te kaarten. Eén iemand is speciaal, het is Wiel van ’t Vat. De vrouw die zijn bochel aanraakt zal een volledig jaar gelukkig zijn, of getrouwd zijn (met een ander dan Wiel van ’t Vat), of erven, of enz. De baas van het café vraagt de bultenaar hoe het zou zijn indien hij euh geen bult zou hebben. Deze heft zijn ene schouder op en vraagt of de caféhouder dat zou willen. Enfin, een gesprek, daarna komen motorrijders binnen. Wiel van ’t Vat krijgt het in zijn hoofd, kruipt op één van de motortoestellen en rijdt er vandoor. Niet ver echter, hij botst op een auto, maar heeft geen kwetsuren. ‘Hij probeert elke keer weg te geraken uit het Patershol. Maar het lukt nooit. Gelukkig maar.’, zei het meisje. Zoals Wiel van ’t Vat wil vluchten, zo haalt het Patershol hem terug – zo draagt Hugo Claus zijn geboorteland als een bochel met zich mee – die hem neerdrukt, neerhaalt, en toch zijn leven is.

In dat eerste stuk, dus met Bert Schierbeek in Rome, komen beiden aan op het Sint-Pietersplein. De passage die ik nu citeer, begint met een verwijzing naar Ezra Pound, Canto II, (waar het vers luidt: And poor old Homer blind, blind, as a bat), in de eerste versie in het Nieuw Vlaams Tijdschrift vermeldde Claus Ezra Pound nog (nr. 7, 1953, p. 1111-1115): “God, ik word elke dag bijziender. Straks zo blind als een mol. Een vleermuis. ‘Poor Homer, blind, blind as a bat.’ Wij lopen tussen jonge Amerikaanse vrouwen. Zij zijn ontstellend vroom. Zij dragen papieren servetjes vastgepind op hun hoofd want dat moet bedekt zijn in dit lokaal. Wij zoeken onder de gebeeldhouwde, levensgrote Pausen – natuurlijk naar Borgia, maar vinden hem niet. Wel zien wij Christina van Zweden. ‘Daar heeft Pater Callewaert, een Vlaming, een prachtig boek over geschreven,’ zeg ik tegen Bert, ‘het heet : De sterke vrouw van Zweden. Noteer het alsjeblieft in je reisgids.’ Hij belooft mij dat hij het zal doen. (Verhalen, De Bezige Bij, 1999, p. 218).

hugo claus_christina van zweden_grafmonument_sint-pieter rome

Het grafmonument van Christina van Zweden is inderdaad in de Sint-Pieterskerk in Rome te vinden. Zij was na haar abdicatie via o.a. Antwerpen en Brussel in Rome beland. Ze staat bekend om haar intelligentie, haar vrijgevochtenheid, haar conversaties met filosofen, de dood van Descartes en haar bekering tot het katholicisme. De enen zeggen dat ze mannelijk-lesbisch was, anderen dat ze een mannenverslindster was. De paus weet het en noemde haar een braaf, katholiek meisje.

Pater Callewaert zou dus inderdaad een hagiografie over haar leven en bekering geschreven kunnen hebben. Maar Jules Callewaert heeft dat niet gedaan, wel heeft hij het boek De sterke vrouw van Vlaanderen (Gent, Veritas, 1921) geschreven en daarin betoogde hij het tegendeel. Dit boek is één van die zwaar moralistische geschriften die de clerus schreef om het volk in bedwang te houden, om het te civiliseren en dit boek richtte zich op het vrouwelijk gedeelte van het volk dat een speciale toelichting moest krijgen. De dominicaan beschrijft eerst wat het wezen van de vrouw is, hoe ze zich moet gedragen in het huwelijk en tegenover de maatschappij om daarna verschillende facetten verder uit te diepen: over de moedervreugde, het kloosterleven, de ongehuwde vrouw, de vlaamsheid, om te eindigen met casussen: de vrouw uit de hogere stand, het bureelmeisje, de boerendochter, de onderwijzeres, de dienstmeid, het fabrieksmeisje, de artieste, enz. Het laatste hoofdstuk is uiteraard gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen.

Ik citeer nu enkele uitspraken: “Het belangenhuwelijk is de vereniging met een zak geld, of een geldzak ; het liefdehuwelijk is de vereeniging met een klomp vleesch ; het verstandshuwelijk is een vereeniging met een stuk positie, ambt of bediening ; maar het christelijk huwelijk is de vereeniging met een persoonlijkheid met alles bijgevolg waaruit die persoonlijkheid is samengesteld, als mensch en als christen, als natuurlijk en bovennatuurlijk wezen.” (p. 95)

“Och! wat al gezeever over vrouwelijke overgevoeligheid spoelt er uit de salonromans van Bourget bij voorbeeld.” (p. 283)

“In Holland, vindt men in elke boerenhoeve eene boekerij. In Ierland ook. In Vlaanderen, helaas!’ (p. 391).

Maar het boek is toch vooral een moralistische gids voor de vrouw die haar ‘parel’ moet bewaren, zich niet moet inlaten met slechte mannen en ook geen ‘vuilpraatziekte’ moet opdoen. Het is een paternalistische gids voor de brave meisjes opdat ze braaf zouden blijven. Toch mag men de kloeke, weinig verhullende taal van pater Callewaert niet onderschatten: het is op deze manier, niet op de zalvende, dat het volk werd toegesproken: ruw waar het ruw verstaan moest worden. Het laatste hoofdstuk bevestigt dan weer zijn ‘kinderlijk’, ‘eenvoudig’ geloof in Maria – zo moet het zijn.

De werkwijze van Hugo Claus is met deze kleine anekdote geïllustreerd. Er is een grond van waarheid maar die wordt zo verschoven dat het nauwelijks merkbaar is dat er geschoven is. Claus verwijst naar een sterke, intelligente, dominante vrouw (Christina van Zweden), verbindt dit met het onnozele patersvolk in Vlaanderen (door het omgekeerde te beweren van wat geweest is) en daarmee ook met de lamentabele toestand van het vrouw-zijn daar. (De context : zelfs in Rome is Claus in de contramine: te midden van de vrome vrouwen zoekt hij het graf van de ‘anti-paus’.) Terzelfdertijd is, voor wie de bronnen kent, dit een grap.

hugo claus_christina van zweden_greta garbo

In het verhaal De staat van liefde, komt Christina van Zweden nogmaals voor, maar dan in de metamorfose van Greta Garbo die in de film Queen Christina (1933) de hoofdrol speelde. Hugo Claus beschrijft een interieur: “Het meubilair was schel, gespikkeld, met scherpe hoeken. De jaren vijftig die terugkeerden. In de slaapkamer hing een foto van Garbo als koningin Christina van Zweden boven het brede bed met de twaalf kussens waar Pete, Nico, David, noem maar op, met haar rondgesparteld hadden.” (Verhalen, p. 471). Dit is een typisch Claus-verhaal: een nukkige man, een dominante vrouw die de man ontrouw is, voor wie hij een speelbal is. De verwijzing naar de film is alweer concreet en ‘echt’ en tegelijkertijd enigszins verdraaid – zo metamorfoseert Claus de feiten in zijn verbeelding.

Koningin Christina, Greta Garbo, ontvlucht haar kasteel: ze is de plichtplegingen beu, het gehakketak rond haar huwelijk meer dan moe en incognito gaat ze jagen. Ze ontmoet de Spaanse (katholieke) ambassadeur die met zijn koets in de sneeuw vast zit. Kordaat helpt ze hem – ze wordt uiteraard niet herkend, de feiten spelen zich af in de 17de eeuw. Even later ontmoet ze hem terug in een herberg. Beiden vinden het prettig bij elkaar (nadien zal nog een romantische scène in de slaapkamer volgen – maar wat is dit alles slecht gespeeld …), daar te midden van het ruwe, protestantse, Zweedse volk, hemelt de katholieke Spanjaard de levenskunst van zijn land- en geloofsgenoten op. Twee dronkelappen maken ruzie: de ene zegt ‘zes’, de ander zegt ‘negen’ en om hun gelijk te halen willen ze met elkaar op de vuist gaan. De incognito-koningin (verkleed als een man) komt tussenbeide want zij/hij kan misschien de knoop doorhakken, immers aan het hof levend. De weddenschap wordt dan duidelijk: de vraag was of de koningin het voorbije jaar nu zes of negen minnaars gehad had. Het bijna uitproestend, zegt de koningin dat beiden ongelijk hebben. Niet, niet negen maar twaalf minnaars heeft ze gehad, voor elke maand één.

De 12 minnaars zijn bij Hugo Claus 12 kussens geworden. De namen van de minnaars zullen echter ook wel niet ‘Pete, Nico, David, noem maar op’ geweest zijn.

Advertenties