tortuca 36 (1)

door johan_velter

tortuca_36

Ik weet het, ik weet het, dit klinkt al te melig en toch, de waarheid is: elk nummer van Tortuca is een geschenk, een verrassing. Door deze woorden lijkt het tijdschrift in de sfeer van ho en hoe en hihihi beland te zijn maar niets van dit alles is waar. Het tijdschrift beoogt immers het tegendeel: een afstandelijk, mannelijk oog en oor te zijn. Vanwaar die paradox? 1. Er is steeds de verrassing van het beeld. De redactie houdt zich verre van wat gemeenzaam museumkunst genoemd wordt: iets spelerigs, iets pseudo-diepzinnigs, iets onbegrijpelijks, iets ruimtelijk (dat vooral) en confronterend. De beelden zijn vullend, ver verwijderd van de witte ruimte. 2. Er is de verrassing van de teksten, zelfs als het om bekende namen gaat – dan nog slaagt de redactie er in om net die tekst naar voren te halen die het redactioneel beleid bevestigt: speels, vluchtig, creatief, intelligent en terzijde. De vreugde van de oppervlakte. De redactie hoedt er zich voor om lappen tekst te presenteren, het ‘kleine werk’ wordt aangeboden maar dat is, zoals zoveel in de marge, het charmante werk. 3. De basisopstelling. Er zijn geen ‘witte gedichten’, geen reflecties over het schrijven of het maken ervan – en daardoor wordt al heel wat uitgesloten, vooral veel psychologie, want schrijven over schrijven is toch vooral schrijven over zichzelf en dus over haar tekorten en steeds weer een zelfbeklag. Dus: in Tortuca geen sentimentaliteit (‘zie mij, ik lijd’) (ook al was dit in het begin, toen Dick van Teylingen nogal veel over zichzelf schreef, anders). 4. De combinatie van beeld en tekst waardoor een aantrekkelijke vreemdheid ontstaat: de beelden worden sterker, de teksten gedurfder. 5. Een esthetica en dat is vooral de verdienste van Herbert Verhey (en gelukkig heeft Paul Bogaers niet te veel veranderd) die een goed formaat gekozen heeft, een te stug papier – waardoor het tijdschrift weigert een magazine te worden. De kleuren van de omslagen, de typografie, de afwisseling van woord en beeld en de altijd weer verrassende toevoegingen, zijnde een bladwijzer, een prent, een klein boekje, een poster, enz. allemaal dingen die de kneuterigheid zouden kunnen tegemoet lopen maar dat juist niet doen – samengevat: door de niet-correcte manier van handelen (althans volgens de smaakpolitie, de wanordelijke estheten, de al te gemakzuchtige herhaalders van wat al jaren geleden gebeurd is, enz.) zet dit tijdschrift zich buiten de common sense, buiten de middle of the road waar de geldverslinders zich bevinden. 6. Is ietwat een herhaling maar toch de moeite om te herhalen: geen schrik van kleur of volte, geen horror vacui maar ook geen zinloos volkladderen van pagina’s. Stijl, mijne heren, is iets wat men heeft. Zo noemen wij tijdschriften die zich modieus-kunstzinnig voelen: ‘honden met een plastron’. Want vergelijk dit tijdschrift met ondingen als nY of DW&B – hoe arrogant die bladen zijn, hoe zelfzeker met het geld van een ander ze staan te pronken, hoe flauw-zouteloos hun pogingen zijn een ander te willen zijn. Het subsidiegeld heeft hen al lang geleden doen inslapen, te lui om nog uit de eigen doppen te kijken. 7. Hoog en laag, bekend en onbekend speelt voor de redactie geen rol: is een tekst, is een beeld goed of niet, dat is de vraag. Reputatie? Roem? Toekomst? Tortuca staat in de luwte aan de rand en bezit daardoor een onafhankelijkheid en een ‘vranke muil’ (maar met stijl) die niet meer van deze tijd zijn. Elke bijdrage wordt op een gelijke manier behandeld. Het modieuze en de correctheid van de goegemeente krijgen hier geen kans. Dit is de ware republiek der letteren. 8. Er is een onverschilligheid tegenover de tijd (het nu) en het later, de toekomst. Wat de redactie nu en hier belangrijk vindt, wordt getoond. Er is een respect voor alle vormen (alleen niet voor het tranerige en/of het pretentieuze) en daardoor straalt dit tijdschrift een vreugde uit, er is geen afgunst op X of Y want het tijdschrift wordt in onafhankelijkheid gemaakt, de vreugde is er door het zelfbewustzijn – er worden geen oorlogen gevoerd. Oh, die heerlijke afzijdigheid van het gewoel! 9. Dichters, schrijvers, beeldende kunstenaars, vormgevers of passanten hebben minstens 1 kentrek gemeen: het zijn individuen die hun eigen weg gaan en dus elders niet zo gemakkelijk aan de bak komen: ze behoren immers niet tot een school, een clan, een strekking, een geloof. Ze behoren niet tot de collectieve bon ton, ze behoren tot het ras der eigenzinnigen – die nu zo vervloekte soort. 10. Er is de mannelijke blik die de kleur herovert; het woord terug op zijn plaats zet; de vormen een draai geeft waardoor ze meer zijn dan zichzelf; het emotionele scheidt van het sentiment; de intelligentie met smaak voedt; het speciale (het creatieve) wegtrekt uit de sfeer van de kraaltjes en het daar zet waar het recht op heeft: te midden van een culturele verbazing. En 11. Er is de rijkdom, de veelheid van cultuur.

Advertenties