sluwheid, ernst en louis paul boon

door johan_velter

louis paul boon_ysengrimus

Piet Thomas, emeritus hoogleraar literatuurwetenschap, werd 85 jaar, hij verzamelde opstellen en bundelde die in het boek Experiment en traditie II : een keuze uit opstellen en voordrachten (Garant, 2014), het voorwoord is van Johan Van Iseghem Ook dit boek is schabouwelijk vormgegeven, zowel omslag als binnenwerk is haastwerk. Niet het boek ligt hier als vorm ten grondslag, wel de cursus, de stencils, een gevouwen A4-Blad.

De zin van wat hier verzameld is, ontgaat me eerlijk gezegd. Wat hebben we er aan dat een professor Hugues C. Pernath niet begrijpt (‘Wat de dichter wel schijnt te missen, is het synthetisch vermogen om zich uit de veelheid van gewaarwordingen ordenend te bevrijden. In afwachting dat hij ooit klaarheid zal kunnen scheppen in denken en voelen, bezweert hij kwetsuren en pathologische verstarringen zonder het labyrint der lyrische “spraakgebreken’ te kunnen ontkomen.’) ? En als een zalvende priester maant hij Pernath : ‘Het ware te wensen dat Pernath zich na deze derde bundel een toevlucht zocht tot de warmte van een communicatiever leven en minder aandacht schonk aan de destructie die de modernistische schepping nu eenmaal schijnt te moeten voorafgaan.’ Moeten we een professor/criticus ernstig nemen die Pernath zegt minder Pernath te moeten zijn? Wat Thomas zelfs over Gezelle te melden heeft, bevindt zich beneden het publiceerbare niveau.

Is het de bedoeling met dit boek een katholieke literatuurwetenschap te illustreren? – indien wel, dan is er geen wetenschap, slechts parochiebladpraat. De combinatie met de psycho-analyse maakt de zaak nog komischer, het boek is helemaal een narrenspiegel wanneer Thomas zich aan plastische inzichten waagt.

Toch (slechts) één belangrijke bijdrage bevat dit boek, ‘L.P. Boon op de campus : Piet Thomas in gesprek met Louis Paul Boon over De Kapellekensbaan’ (p. 142-171). Thomas houdt Boon strak aan de lijn: hij mag wel zijn grapjes vertellen maar hij moet bij de les blijven. Het gesprek is inderdaad een steekspel. De blurb van het boek bevestigt echter ten onrechte het beeld dat gecreëerd werd van Boon als een onnozelaar: ‘In het interview met Boon zal de lezer beslist genieten van de humoristische no-nonsense uitvallen van de guitige schrijver en gniffelen bij de wisselende kansen in het steekspel tussen de hoogleraar en de creatieve kunstenaar.’ Boon, de guitige schrijver. Wat moeten we dan van Hegel zeggen? De cursiefjesschrijver? Waarom wordt Boon niet gekarakteriseerd als de schrijver die een visie geeft op zijn eigen werk en dat van anderen, als iemand die zijn positie in en tegenover het literaire milieu schetst?

In dit interview speelt Boon met het imago van de simpele schrijver en soms valt hij door de mand, hij bevestigt dan zijn arrogante houding én het feit dat hij een ernstig schrijver is die zich niet alleen meet met de wereld maar ook met de literatuur.

Boon speelt de schrijver die apart staat van de literatuur, hij behoort zogezegd niet tot het milieu. Maar dat klopt uiteraard niet. In het begin van het interview: ‘[…] ik ga geen kwaad over die meneer spreken, hij is ook al lang dood, hij heeft lange tijd in Zuid-Afrika gewoond, […].’ Boon doet alsof hij niet weet wie zijn oermanuscript afgewezen heeft. Piet Thomas vraagt daarop of dit Jan Greshoff is en Boon bevestigt. Natuurlijk wist hij de naam Greshoff nog maar door zich zo voor te doen, kon hij zich manifesteren als de stoïcijn die boven dat literair gewoel stond en staat – wat niet zo was.

Zo doet hij het ook met de redacteur Veeninga: ‘Hoe heet hij, Jeanneke?’ of met W.F. Hermans die hij zich slechts na een euh kan herinneren. Of nog : ‘[…] om mij naast … euh … die grote sociale meneer … Multatuli? Ja Multatuli te zetten.’ om daarna de lof van Multatuli te zingen.


Dan de andere kant: de zelfbewuste Louis Paul Boon. Piet Thomas vraagt hoe het komt dat er in De Kapellekensbaan zo veel over literatuur gesproken wordt terwijl Boon er juist om bekend staat dat hij ‘geen literator wilde zijn’. Boon repliceert: ‘In de allereerste plaats: stel mij geen geleerde vragen.’ Je ziet hoe Boon wegvlucht van zijn imago, dat hij ‘gepakt’ wordt op wie hij is (een ernstig schrijver) en dat hij zich daar ongemakkelijk bij voelt. Dit is door en door Vlaams: de schaamte om het eigen intellect, je mag niet de indruk geven dat je boeken leest. Terwijl Boon verder in het interview geen enkele moeite heeft om zijn beweegredenen uit te leggen, om de structuur en de inhoud van zijn boek plausibel te maken. En dan blijkt hoe Boon het boek bewust heeft opgebouwd, niet als een vooraf bedacht concept maar als een werkproces: de reflectie ging samen met de daad van het schrijven.

Een belangrijke uitspraak van Boon (en nog steeds relevant voor de Boon-gelovigen) is hoe hij een strikt onderscheid wenst te maken tussen zijn werk als schrijver en als journalist, het onderscheid tussen Boon en Boontje dus en daarmee zijn eigen literaire werk bevestigend, nl. wanneer hij johan janssens’ moeilijkheden ten tonele voert: hoe deze zich recht moet houden in het maatschappelijk gewoel en duidelijk maakt dat schrijven voor het brood niet gelijk is aan het schrijven vanuit de geest. Het citaat: ‘Maar je mag mijn literair werk niet verwarren met mijn werk voor de krant.’ De ‘Boontjes’ als het meesterwerk naast het literaire werk zetten, is onjuist. Broodwerk is geen vrij werk.

Nu de arrogantie. Boon zet zich af tegen de universitaire wereld, tegen hen die zich tooien met de woorden kunst en cultuur (de geest en de macht): ze hebben er niets van begrepen, de enige die weet is de artiest. Over Uyttersprot voor wie hij een grote bewondering had zegt hij: ‘[…] maar op het gebied van de literatuur, daar stond hij als een kip die op een bevroren vijver stapt.’ Het is Boon die Uyttersprot op Kafka en Van Ostaijen gewezen heeft. En dan vertelt hij hoe Uyttersprot Kafka begon te lezen, de seizoenen aanduidde en besloot dat het werk van Kafka verkeerd geordend is – en daar maakt Boon zich druk over en wijst Piet Thomas hem terecht (en datzelfde heeft een leerling van Uyttersprot, Dirk De Witte, later gedaan met het werk van Hugo Claus).

Of nog over zijn invloed: ‘Al die jonge schrijvers hebben van mij geleerd, maar zij willen het niet bekennen. Als iemand ze nu vraagt: van wie heb je invloed? Dan antwoorden zij ook: van Rabindrath Tagore of van Omar Khayyam… Dat gaat zo.’ Of Boon als de seksuele bevrijder: “Ergens heb ik het woord ‘kut’ gebruikt. Iedereen schrijft en kent het nu. Jan Cremer heeft het van mij gehoord en geleend.” Boon stelde zich graag voor als de milde beschouwer maar dat was hij niet. Ook twijfelde hij niet aan zichzelf – Albert Bontridder heeft dat ooit duidelijk gemaakt toen hij vertelde over de fundamenten van het ‘kotteke’ van Boon.

Ook zijn analyse van de socialistische beweging is niet helemaal juist. Uiteraard is zijn kritiek nog altijd geldig: de socialisten vernieuwen zich niet en blijven hangen in de clichés van de negentiende eeuw. Maar n.a.v. zijn boek over Pieter Daens zegt Boon dat de socialisten te veel aanleunden bij de Franse socialisten die de scheiding tussen kerk en staat bevochten. Volgens Boon waren de Vlamingen te katholiek en is het antiklerikalisme van het socialisme/liberalisme de doodsteek geweest voor de nieuwe maatschappijvormen. Het is echter zeer de vraag of dat zo is: het katholicisme is ook in deze contreien steeds overdreven voorgesteld geweest. Uiteraard was er macht, die bevond zich in een andere wereld dan die van de fabrieks- en landarbeiders maar de vele preken, boeken, pamfletten en acties bewijzen juist dat de katholieken een helse strijd moesten voeren: het volk was niet katholiek, de kleinburgers waren dat – die onderklasse van verraders, onderkruipers, rancuneuze bedelaars.

In dit interview zegt Louis Paul Boon klaar en duidelijk dat hij de studentenbeweging niet gelooft – omdat het kleinburgers zijn. Het keet schoppen zonder theorie, zonder sociale verbondenheid leidt tot het ‘niets’: ‘Ik zie daar het begin van het fascisme in.’

Wat overblijft na lezing van het interview is toch de bevestiging van de ernst waarmee Louis Paul Boon schreef, werkte en dacht. Hij stond niet aan de kant van de intellectuele wereld, hij stond er midden in; hij deed mee met wat toen kon en mocht en tegelijkertijd bleef hij verbeten omdat hij niet erkend werd voor wat hij was: een groot schrijver, een ernstige mens. Het is de verdienste van Piet Thomas dat hij zich niet liet meeslepen in het clichébeeld van Boon en daardoor Boon geeft wat hem toekomt: ernstige weerwoorden.

‘Ik wil de revolutie, maar een serieuze, een ernstige waar iedereen achter staat, zodat wij iets nieuws, iets schoons verwezenlijken, iets dat de wereld verandert en verbetert, maar niet zo een grapje van studenten, dat wil ik niet.’

(Beeld: Getijdenboek, Walters Ms, W. 102, Ysengrimus als bisschop)

Advertenties