geen heldendom

door johan_velter

achiel velter

Je zou Le collier rouge (Gallimard, 2014) van Jean-Christophe Rufin een Maigret-achtig verhaal kunnen noemen, was daar niet het moralisme van de schrijver zelf. Rufin is schrijver, dokter en door zijn activiteit bij ‘Médecins sans Frontières’ een autoriteit binnen de Westerse menslievendheid. Je verwacht dus dat je van hem een menselijk verhaal te lezen krijgt. Simenon wordt nog steeds zijn banden met rechts verweten, is Simenon niet nog steeds verdacht? (In het najaar verschijnt van Patrick Roegiers L’autre Simenon (Grasset), het verhaal van de broer van Georges Simenon, die zeer diep in de collaboratie verzeild geraakt is.)

Samengevat, die meest vernederende activiteit: een man zit als enige gevangene opgesloten. Een hond blaft dag en nacht op het plein voor de gevangenis. Vanuit de stad komt een legerrechter de man ondervragen, hij doet dit langzaam, menselijk. Hij dwaalt door het stadje, ondervraagt ook nog anderen. Het is pas op het einde van het boek dat je te horen krijgt wat de man gedaan heeft, wat de rol van de hond geweest is en waarom alles gelopen is zoals het gelopen is. Een typische Maigret-structuur dus.

Rufin vertelt traag, behoedzaam, zorgvuldig. Sommige passages zijn naar de keel grijpend, je voelt hoe hij meeleeft met zijn personages, hoe hij een tijd evoceert en hoe de wereld van trots, macht en standen door de Eerste Wereldoorlog gebroken is. Volgens de nota achteraan zou dit waargebeurd verhaal in een bui van dronkenschap gebeurd zijn; in de roman ontkent de hoofdpersoon dat hij dronken was en dat hij wel een bewuste daad gesteld heeft. Typisch voor de Franse literatuur is de moeheid (in de Angelsaksische wereld is men actief, gek en/of modieus). «Ils avaient cela en commun, tous les deux [de gevangene en de rechter], cette fatigue qui ôte toute force et toute envie de dire et de penser des choses qui ne soient pas vraies. Et, en même temps, parmi ces pensées, celles qui portaient sur l’avenir, le bonheur, l’espoir étaient impossibles à formuler car aussitôt détruites par la réalité sordide de la guerre. Si bien qu’il ne restait que des phrases tristes, exprimées avec l’extrême dépouillement du désespoir.» (Gallimard, 2014, p. 24). Dit is geen modieuze, oppervlakkige, kunstmatige Franse wanhoop, maar een diep doorleefde staat van humaniteit.

Vanaf het begin voel je duidelijk het klassenverschil tussen de bevolking ‘in het diepe Frankrijk’ en de rechter die niet alleen de macht vertegenwoordigt maar ook uit de hoofdstad komt: het is de achterdocht tegen de openheid van de orde en de rust. De gevangene, Morlac, heeft in de Eerste Wereldoorlog gevochten, is gedecoreerd geweest maar het heldendom is er voor hem te veel aan – ook terecht, zoals later zal blijken: hij en zijn kompanen wilden vanuit het leger een linkse staatsgreep plegen. Die is mislukt (door toedoen van de hond) en van verbroedering tussen legers was geen sprake meer: oog om oog, tand om tand was de wet die weer toegepast werd. Morlac maakt de rechter duidelijk dat er geen idealen waren (ideale, dat speelgoed voor de bourgeois), dat het volk gevochten heeft «pour les gradés, les hommes politiques, les profiteurs. Pour tous les imbéciles qui les suivent, qui envoient les autres à la guerre, et aussi pour ceux qui y vont eux-mêmes. Je l’ai fait pour ceux qui croient à ces balivernes : l’héroïsme ! la bravoure ! le patriotisme ! …» (p. 31). Het lijkt op dat moment nog zo te zijn dat Rufin een pacifistische held zal beschrijven, dat hij aan de kant van de verschoppelingen staat en voor de goede zaak vecht. Nauwelijks geletterd, een boerenzoon die in en door de oorlog de ogen geopend wordt.

Maar tarara, een vrouw! Het is een vrouw, ach wat een portret, die hem leerde boeken lezen, die hem de warmte deed kennen, die hem inprentte dat een mens geen dier is en dat hij hersenen heeft. Een vrouw, Valentine, die uitzonderlijk is, dochter van een opstandeling, een Duitse jood, waarvan gezegd wordt dat deze Rosa Luxemburg gekend heeft en zij, die o.a. de boeken van Jules Vallès, ach, de grote, nu vergeten Vallès, de lievelingsschrijver van Richard Minne, gelezen heeft en nu, na de dood van haar ouders, daar verzeild geraakt is, tussen de beesten. «C’était donc cela. Son malheur n’était pas de vivre dans cette campagne et pauvrement, mais d’avoir connu et espéré autre chose. Elle était en exil dans ce lieu isolé.» (p. 56-57). De muren van haar kleine boerderij zijn behangen met kunstreproducties, de boekenkasten staan vol met werken van Zola, Rousseau, Jules Vallès: het is duidelijk: er bestaat ook nog een andere dan de bourgeoisliteratuur.

Hoe Rufin de relaties beschrijft: men is koel, er is geen passie, er zijn geen gemoedsuitstortingen, er is geen haat. Maar wel: een betrokkenheid. Die vorm van samenleven is er voor mensen onderling: Valentine ‘gebruikt’ het lichaam van een communard die bij haar ondergedoken zit, om zich te warmen, om een man rond zich te hebben. Maar toch: er gebeurt niets, er is geen liefde, nauwelijks affectie – wel eerbied, respect, samenzijn. Zo beschrijft Rufin ook de relaties tussen dier en mens. Een kind vangt een mol en prikt die – zonder haat, zonder medelijden. De hond loopt mee, maar de man spreekt niet tegen de hond, geeft hem ook geen eten. De hond trekt wel zijn plan – en keert telkens terug (later zal blijken dat de hond die met de soldaat meegereisd is, een geschenk van Valentine geweest is, zonder dat Morlac dit wist natuurlijk). Deze passages zijn misschien wel de meest geslaagde van dit boek – totdat de rechter zich over de hond ontfermt, dan wordt het weer het gewone, burgerlijke sentimenteel gedoe. (Het is een wereld waar de relaties niet aan een sentimenteel-moreel oordeel onderworpen werden.) Gevoelens zijn iets weeks, zijn niet natuurlijk, maar aangekweekt. Het ‘gevoelloze’ is een hoger stadium van menszijn, want niet vernederd. Het doet ook denken aan de grootse Grieks/Romeinse periode wanneer de stoa de vigerende levenshouding bepaalde; de tijd van Seneca. Het extraverte leven is het minderwaardige bestaan. Zo: «On aurait dit un arbre sans feuilles, dur, tout desséché.» (p. 127)

In de gevangenis leest Morlac Han d’Islande van Victor Hugo en dat is niet toevallig. Hugo was immers een republikein en alleen al door Hugo te lezen maakte men duidelijk wat men van de ander, i.c. deze rechter, denkt. Rufin kan nog schrijven dat het lezen de school voor een nauwelijks geletterde is. En na een verlofperiode (waarin hij zijn vriendin zwanger maakte) nam Morlac 3 boeken mee: Philosophie de la misère van Pierre-Joseph Proudhon, Le 18 Brumaire van Karl Marx en La morale anarchiste van Pjotr Kropotkin. (En dan te beseffen welke rommel Bibnet/Locus de bibliotheekgangers ‘aanprijst’: kinderboekjes, slaapverwekkende, verdovende middelen, regelrechte aanvallen op de menselijke geest (en steeds weer met de bedoeling zichzelf te verkopen) – later meer.) En wanneer Morlac over zijn levensvisie, die gevoed is door deze boeken, spreekt dan: Ce n’était plus le paysan borné à sa terre mais un homme avide d’espace et d’avenir. Sans entendre ses propos, on aurait pu croire qu’il était fou.» (p. 111) : in die laatste woorden lees je de afkeuring van Rufin, lees je al wat komen gaat: een les in burgerlijke moraal. Want van het ideaal van Morlac (en Lantier, de rechter is de spreekbuis van Rufin) wordt geschreven dat dit te groot is voor zo’n dwerg, en dat de pretentie ervan belachelijk is.

Enerzijds ontmaskert de schrijver het begrip heldenmoed, wat een rechts begrip is, door de heldendaad terug te brengen tot zeer banale voorvallen, waar de intenties zelfs tegengesteld kunnen zijn aan wat geprezen wordt (vechten voor je leven is niet gelijk aan vechten voor het vaderland) maar anderzijds weigert Rufin ook de linkse, pacifistische levenshouding én daad van opstand als een positieve daad te zien. Ook dit brengt hij terug naar een banaal feit: Morlac wilde de aandacht van Valentine op hem vestigen. Niet de linkse idealen, noch de rechtse zijn belangrijk, wat van belang is, is het gezin, de grond, het huis. Niet de trots van een mens bepaalt hem, ook niet de trouw (want die is gelijk aan die van een hond), maar wel zichzelf, het eigen zijn. Dit is tegelijkertijd een conservatieve én een progressieve houding: ze beschermt immers het individu tegen de aanspraken van de heersende orde. Dat is het inzicht van Valentine: er zijn, zelfs op het platteland, menselijke wezens: «Il ya les êtres, aussi. Leur histoire peut les faire changer de classe, comme moi, par exemple. Et puis, il y a ceux qui semblent vivre en dehors de tout cela, par eux-mêmes, en quelque sorte.» (p. 124-125).

Hoofdstuk IX is de afrekening van de rechter met de opstandige gevangene – de rechter zal hem vrij laten en ook dat is een onrechtvaardigheid: de daad wordt tenietgedaan door een vals sentimentalistisch paternalisme.

De rechter legt Morlac het vuur aan de schenen – met een clichéverwijt: is de dood van de tsarenfamilie dan een daad van broederschap geweest? Morlac antwoordt met een even groot cliché: ‘het is de prijs die betaald moet worden voor de vrijheid van de anderen.’ En dan deconstrueert Lantier/Rufin de daad van Morlac als een … sentimentele roep om aandacht en gaat daarmee voorbij aan wat mensen wél kunnen doen: zichzelf overstijgen en een daad stellen die meer is dan het louter subjectieve.

En hier zien we dan het grote verschil tussen Simenon en Rufin. Rufin spreekt door Lantier de natie toe, hij veroordeelt het pacifisme én het oorlogsgeweld, hij vernedert de gevangene in zijn menselijkheid (denkt deze echt dat de wereld veranderd zal zijn door zo’n onnozele daad?) en hij neemt ook nog – weliswaar met toestemming van Morlac – de hond mee naar zijn eigen huis. Simenon zou dit nooit doen: hij zou de sukkelaar in zijn waarde laten, hem zijn relaas laten doen, hem begrijpbaar en daardoor menselijk maken. Simenon kent de solidariteit van mens tot mens. Jean-Christophe Rufin is slechts een onderwijzer.

Beeld: Achiel Velter, links, WO I-slachtoffer.

Advertenties