het denken van jules maigret

door johan_velter

Het lijk bij de sluis, Georges Simenon, vertaald door Anne van der Straaten. De Bezige Bij, 2015. Oorspr. titel : Le charretier de La Providence, 1931

<Het lijk bij de sluis is een nogal slordige vertaling van Le charretier de La Providence. ‘De voerman van het schip De voorzienigheid’ dus – ook al is voerman niet helemaal correct. De hoofdfiguur van deze vroege Maigret is een jager in de betekenis van iemand die een binnenvaartschip trekt – het woord jaagpaden langs de kanalen en rivieren is daar nog een verwijzing naar – ook al denkt ‘iedereen’ dat het om jagers op wild gaat. Het beroep, jagen, is iets wat ‘niemand’ nog gelooft – tot men oude foto’s ziet waar ook kinderen de boten trekken.

<Ook hier weer een nogal onmogelijke plot maar al een echte Simenon. Het oeuvre overziend is het een vreugde te zien hoe Georges Simenon een zeer brede waaier aan milieus geschilderd heeft. Daarmee maakt hij duidelijk dat de misdaad in elk milieu voorkomt, dat misdadigers overal aanwezig zijn – en dat dit geen privilege is van de ‘lagere’ klasse. Er is het opvallende mededogen met de verschoppelingen, zelfs als die een moord begaan hebben. Simenon gaat op zoek naar de beweegredenen en hij vindt altijd een kwetsuur – het zijn de notabelen, de machthebbers die crimineel zijn, Simenon heeft al vroeg ingezien dat de witteboordencriminaliteit minder vervolging kent – waardoor hun gedrag begrijpelijk wordt en in een aantal gevallen zelfs verdedigbaar.

<Simenon keert terug naar een maatschappij zonder instituties – bij hem is er nauwelijks sprake van recht en rechtspraak. Wat hij beschrijft is het recht om onrecht te wreken. Of beter : hij begrijpt dat anderen het recht nemen maar hij vertegenwoordigt de orde, dus kan dit niet toegelaten worden. Bij Simenon wordt het conflict tussen de institutie en de mens beschreven, het conflict tussen onmenselijkheid en mededogen. Als lid van de orde tracht Maigret een tegenorde te creëren – daarom ook dat hij met hun orde (het recht) geen uitstaans wil hebben.

<In Het lijk bij de sluis is de moordenaar ooit bedrogen door zijn vrouw. Zij heeft hem schulden doen maken, zij wilde immers een liederlijk leven leiden, zij heeft hem haar tante doen vermoorden om zo een erfenis te kunnen opstrijken – en hij, hij is verbannen naar Guyana en zij, zij zette haar leven van vertier en oppervlakkig genot verder. Simenon beschrijft hoe de man, die arts was, tot een ‘beest’ gedegenereerd is, die nu nauwelijks nog kan spreken, alleen maar zwijgt, werkt en slaapt bij de paarden. Simenon beschrijft dit verval niet met afkeer of met een moraliserende toon (‘eigen schuld, dikke bult’) maar afstandelijk en zeer aandoenlijk. Zijn sympathie ligt bij de marginalen; alles wat macht of rijkdom bezit, is te verwerpen. Maar ook dit laatste is niet altijd waar: in deze roman beschrijft hij een liederlijk figuur met enig mededogen – juist omdat hij onder zijn Engelse onaangedaanheid de emoties ziet sidderen – en dat maakt hem tot medemens van Maigret.

<De goede vrouw bij Simenon is moederlijk, de anderen dienen maar om mannen in het verderf te storten. In deze roman is de schippersvrouw van ‘La Providence’ de zachte goedheid die zich ontfermd heeft over de tot dier geworden man en hem in zijn laatste levensuur bijstaat. Hij is haar werkbeest maar ze spreekt over hem als was hij haar kind, haar man of, ja waarom niet, haar huisdier. Er is een affectie merkbaar die verder gaat en interessanter is dan wat men vandaag de dag voor relaties laat doorgaan – burgerlijke overeenkomsten, psychologische afhankelijkheden, win-win. Simenon schetst dit op een bijzonder subtiel-humanistische manier.

<‘Mag ik hem alstublieft zien? Al is het maar van een afstand. Hij maakte echt deel uit van ons schip!. Ze zei niet ‘van het gezin’, maar ‘van het schip’. Misschien was dat wel nog ontroerender.’(p. 143)

<De roman is slordig vertaald, er is blijkbaar ook geen redactie geweest. De eerste zin is al een problematische: ‘Uit de nauwgezet gereconstrueerde feiten werd uitsluitend duidelijk dat de ontdekking die de twee scheepsjagers in Dizzy hadden gedaan om zo te zeggen onmogelijk was.’ De eerste zin van Simenon is ook ‘plechtig’ maar wel leesbaar, de constructie dient een doel: er is niets te besluiten – maar toch. Dit leidt ons binnen in de wereld van Maigret: wat onmogelijk is, zal toch ontraadseld worden. Zo begint Simenon: «Des faits le plus minutieusement reconstitués, il ne se dégageait rien, sinon que la découverte des deux charretiers de Dizy était pour ainsi dire impossible.» (Tout Maigret, t. 1, Omnibus, 2007, p. 134).

<‘Die ochtend had het parket van Epernay een onderzoek ter plaatse gedaan en nadat de identificatiedienst en de politieartsen waren geweest, was het lijk overgebracht naar het lijkenhuis.’ (p. 8). Waren geweest? Bij Simenon: «après la visite» (p. 135). Anne van der Straaten vertaalt al te letterlijk. «Et la pluie tombait sans trêve sur un vilain paysage.» (p. 137) – ‘Onophoudelijk bleef de regen neerstromen op het naargeestige landschap.’ (p. 12). Maigret beschrijft een vermoorde vrouw (de ex-vrouw van de voerman): «Dans une écurie, avec ses perles aux oreilles, son bracelet de style, ses souliers de daim blanc!» (p. 139). De vertaling laat een komma achterwege en de tekst wordt belachelijk : ‘In een stal met parels in haar oren, een stijlvolle armband om en schoenen van witte suède aan haar voeten !’ (15-16). Of: ‘Voeten met laarzen of klompen hingen wat rond op de muren van de sluis of op het jaagpad.’ (p. 16) voor «Des pieds chaussés de bottes ou de sabots se traînaient sur les murs de l’écluse ou le long du chemin de halage.» (p. 140). Dezelfde bladzijde : ‘De avond viel, net als de dag ervoor.’ «Et les soir allait tomber, comme la veille.» (p. 140). Slordige zinsvolgorde: ‘Maigret ging even kijken op de kamer die voor hem in orde was gemaakt, naast die van de herbergier zelf.’ (p. 16-17) die letterlijk overgenomen is: «Maigret alla jeter un coup d’oeil à la chambre qu’on venait de lui préparer, à côté de celle du patron.» (p. 140). Op p. 35 vertaalt Anne van der Straaten de naam van de boot Les deux frères als ‘de twee gebroeders’, wat niet echt nodig is, maar de naam van het schip La providence vond ze niet de moeite om te vertalen, terwijl die in het verhaal nogal wat meer betekenis heeft dan die van de twee broers.

<Op p. 41-42 ‘[…] in het donker en de regen’ voor «dans la nuit pluvieuse» (p. 153). P. 44: ‘een belachelijke wastafel […] ’ is bij Simenon «un lavabo dérisoire où il versa de l’eau fraîche dans la cuvette» (154). Bij Simenon is de eenvoud nooit belachelijk, wel gaat het hier om een misschien wat primitieve wastafel, wat we onbeduidend zouden noemen en wat waarschijnlijk een marmeren plaat met een eenvoudige waskom is. Het zijn kleine woorden, zinswendingen die niet passen in de tijd van Simenon, in de Maigretsfeer, of de levensvisie van de schrijver. Er zijn woorden die onjuist zijn: ‘stalen ros’ komt potsierlijk over, ‘zijn karretje’ eveneens: beide woorden zijn de vertaling van «machine» bij Simenon waar een fiets mee bedoeld is – het woord heeft in 1931 een andere gevoelswaarde dan in 2015 maar men moet zelfs meer dan 80 jaar later Maigret toch niet belachelijk maken? De ‘verfraaiing’ door Anne van der Straaten komt potsierlijk over, zeker als we dit in de context van het verhaal begrijpen: ‘Willy, die even naar het jacht keek, ging op bed zitten en stak meteen van wal.’ (p. 64) voor : «Tout de suite, après un regard au yacht, Willy s’assit au bord du lit, commença : » (p. 167). «Il a besoin de gens autour de lui.» (p. 169) wordt ‘Hij heeft mensen nodig om zich heen.’ (p. 68). ‘Toen Maigret op zijn beurt naar beneden ging, zaten er twee schippers aan de tap met een blikje bier voor zich.’ (p. 73). Een blikje bier? In 1931? Bij Simenon staat er «devant une canette de bière» (p. 173), een flesje bier dus.

<‘En boven dit alles hing een blauwige, regenachtige mist, waarin vaag stilstaande paarden waren te onderscheiden, en mannen die van het ene schip naar het andere liepen.’ (p. 125), als men vaag stilstaande paarden kan onderscheiden dan moeten we toch de bron nalezen: «Et, par-dessus tout, un brouillard bleuâtre, pluvieux, dans lequel on distinguait les silhouettes des chevaux arrêtés, des hommes qui allaient d’un bateau à l’autre.» (p. 201). Enzovoort, enzovoort. (Ik zwijg over ‘de wijkende planken’ en over hoe de ‘geluiden in de gaten gehouden worden’ en hoe een schipper een drenkeling denkt te redden door aan zijn tong te trekken i.p.v. aan diens tong te trekken.) Steeds weer kleine struikelstenen waardoor dit geen volwaardige Simenon is, geen goed Nederlands en waardoor telkens weer het leesplezier verknoeid wordt.

<Mooi in deze roman is hoe Simenon Maigret laat denken. (De opmerkingen over het krakkemikkige Nederlands worden nu achterwege gelaten.)

<‘Daarnaast had een politiecommissaris uit Epernay iedereen ondervraagd en Maigret beschikte over de processen-verbaal van deze verhoren, waar echter niets uit was gekomen, behalve dat de werkelijkheid uiterst ongeloofwaardig was.’ (13-14)

<‘Men vroeg zich af wat hij van plan was. In werkelijkheid had hij helemaal geen plan. Hij probeerde niet eens concrete aanwijzingen te vinden, maar probeerde eerder de sfeer te proeven, dit leven aan het kanaal te doorgronden, dat zo verschilde van alles wat hij kende.’ (p. 15)

<‘Het gezicht van de Engelsman was ondoorgrondelijk. Maigret merkte niettemin dat zijn enorme rode nek nu paars was geworden.’ (p. 19)

<‘Ik geloof helemaal niets. En ik zweer je dat daar geen woord van gelogen is.’ (p. 48)

<‘Redeneringen kwamen op in zijn hoofd en verdwenen weer.’ (p. 104)

<‘De commissaris hees zich weer op het zadel met een hoofd dat zwaar was van de vage hypotheses.’ (p. 117)

<‘Terwijl hij door het monotone landschap reed en steeds meer moeite had de trappers rond te krijgen, zette Maigret zijn redeneringen op, maar het leidde slechts tot fragmentarische of onaanvaardbare conclusies.’ (p. 119)

<‘Maigret begon heen en weer te zwabberen omdat hij vermoeid raakte. Hij dacht zonder werkelijk na te denken. Hij reeg gedachten aaneen waarvan hij nog geen vastomlijnde theorie kon maken.’ (p. 124)

<‘Maigret bleef een poosje rondjes lopen in de tuin als een paard in het circus en opeens duwde hij bij wijze van groet de rand van zijn bolhoed omhoog en vertrok naar de sluis.’ (p. 148)

<‘Met zijn handen in zijn zakken liep hij door de stad zonder ook maar iets te zien.’ (p. 162)

<‘Zo zit het! Ik voel het! zei Maigret, steeds sneller sprekend, als in een roes.’ (p. 172)

<‘Maigret zei toen, terwijl hij opstond: ‘Gisterenavond, toen ik uw laarzen heb onderzocht, hebt u begrepen dat ik uiteindelijk wel achter de waarheid moest komen.’ (p. 175)

<‘Op dat moment schoot er een pijnlijke gedachte door het hoofd van de commissaris. Was Sir Lampson niet net zo eenzaam, net zo ontredderd als Jean, die nu in de stal lag te sterven? En dan had de scheepsjager nog zijn paarden en de moederlijke Brusselse.’ (p. 181-182)

<‘Op Maigret na was het niemand opgevallen.’ (p. 185)

Advertenties