een maigret-methode

door johan_velter

De gele hond, vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre, De Bezige Bij, 2015, oorspr. titel: Le chien jaune, 1931

Weer een verhaal van Georges Simenon dat niet klopt; psychologisch niet sluit als een bus. Op het politiebureau arriveert een brief: er zal een misdaad gebeuren in Concarneau. Maigret naar de Bretoense kustplaats. Alles is normaal, er gebeurt niets – wat zou er ook kunnen gebeuren? Goed, er sterft een oude vrouw in de kerk maar is dit een misdaad, nee, eerder een weldaad. De vrouw behoort tot de notabelen, is rijk (geweest) en houdt er minnaars op na. Maar Jules Maigret is bij de pinken. Hij zoekt het missaal van de vrouw, doorbladert die én vindt de doodsoorzaak. In het gebedenboek vindt hij een krantenbericht dat de zoon van de vrouw, haar oogappel, plots gestorven is. Natuurlijk wist de moordenaar dat haar hart het dan zou begeven.

Het wordt nog erger.

Er zijn verdachten die behoren tot de notabelen, het vuil van elke stad. Die komen bij elkaar, spelen kaart, onschuldig vermaak, lijkt het. Maar elk heeft een verhaal en er is iemand die zich wel zeer verdacht maakt. Die ene ontdekt ook dat er vergif in hun drank gedaan is – op het einde van het verhaal zal Maigret dit als een ingreep van hemzelf verklaren, nochtans was het een actie van de dienster die haar liefde in het gedrang zag komen.

Een visser, het lief van de dienster, heeft het gedaan. Wraak is zijn motief. Ooit werd hij door die notabelen zot gemaakt om drugs naar Amerika te smokkelen. Dat deed hij, de opdrachtgevers wisten op dat moment al dat hij gepakt zou worden – bedachten hoe ze een verzekeringspremie konden opstrijken. Wat ook gebeurde. De visser heeft jaren in Amerika in de gevangenis moeten doorbrengen – en daar heeft hij door een ontmoeting ingezien hoe de vork in de steel zat.

Simenon laat de hoofdverdachte het complot van de rijken uit de doeken doen maar niets maakt duidelijk dat hij dit kon weten, dat hij slechts een stropop was voor hen – want ook die ontmoeting in de gevangenis is nogal euh losjes gecomponeerd.

Er is een gele hond – zie de titel. Dat die hond die bij de verschillende misdaadplekken gezien is, zonder commentaar van de cafégangers, de baas en Maigret aan de voeten van de dienster komt te liggen, bij haar die geen hond heeft is ongeloofwaardig.

Maar het is een Maigretverhaal en je vergeeft Simenon alles – want is het ook niet modern wat neer te kijken op al die plottoestanden, dat voer voor gemakzuchtige tv-kijkers? Simenon lees je toch vooral om de menselijke blik, de visie van een man die in de wereld tégen de wereld ageert. Een ideaalbeeld: de onverstoorbaarheid, het rustige intellect, de geest die werkt zonder belemmerd te worden door de feiten, de gevoelens, de anderen. Want ook in dit verhaal geeft Maigret een exposé: zo voelt hij het aan, zo heeft hij de misdaad gereconstrueerd en zo moet het dus ook gebeurd zijn. En net zoals in (bijna) alle andere verhalen: eens de misdaad opgelost is, begrijpbaar gemaakt is, is de rol van Maigret afgelopen en ook Simenon is niet geïnteresseerd in een verder verloop. Een subliem en subtiel afstand nemen van een moreel oordeel.

Maar: er is steeds weer aanwezig de medeplichtigheid van Simenon/Maigret met de verschoppelingen (die dit keer zelfs zo ver gaat dat Maigret ‘bekent’ dat hij strychnine in de drank van de notabelen gedaan heeft, terwijl de dienster/hoer het gedaan heeft). De verachting van Simenon voor de notabelen de hypocrieten, de lafaards, de potverteerders – en hun vrouwen die lonken en pronken.

Simenon lees je voor de sfeerschepping (ver van het lawaai en de vulgariteit, zelfs de misdaadwereld die Simenon beschrijft is gecultiveerder dan wat we vandaag in zogenaamde cultuurtempels moeten meemaken) en de belofte dat, al wordt de misdaad opgehelderd, het bestaan daarmee nog niet helder gemaakt is.

Maigret op de vraag of hij gelooft dat persoon X ergens schuldig aan is: ‘Ik geloof nooit iets. Dat kan ik u aanraden, mevrouw. Morgen is er een nieuwe dag.’

Voor de eerste keer krijgt Maigret inspecteur Leroy naast zich. Deze is pas afgestudeerd en wil natuurlijk de nieuwste politiemethoden toepassen.

Maigret: ‘Je hebt geluk, ouwe jongen! Vooral dat je deze zaak meemaakt, want hier was het juist mijn methode om geen methode te hebben. Als je een goede raad wilt, als je vooruit wilt in dit vak, neem dan vooral geen voorbeeld aan mij en probeer geen theorieën af te leiden uit wat je me ziet doen.’ (p. 144). En verder: ‘Kalmpjes aan! Kalmpjes aan, jochie! Geen overhaaste conclusies! En vooral niet combineren en deduceren!’ (p. 150)

Advertenties