vloei, geest (3)

door johan_velter

peter_rogiers_lasso eternity_2007

Het kapitalistisch realisme is de abstracte kunst wanneer die vervalt in het decadentisme van het abstracte (de inhoudsloosheid en/of de religieuze onnozelheid) – het formele realisme is dat wat het kapitalisme wenst: een vorm waarin geen inhoud huist. Het probleem van het westers modernisme is de leegte en het is in die leegte waarin reactionaire systemen als het nationalisme en het islamisme kunnen springen: zij vullen het formele dat op nuance gebaseerd is met simplistische oplossingen. Gestolen? Handen afkappen. Liefde buiten het huwelijk? Stenigen tot de dood er op volgt. Te laat op het werk verschenen? 10 stokslagen. Werkloos? Eigen schuld. Ziek? Te veel chips gegeten. Oud? Te duur.

De beweging is geweest: van abstractie naar formalisme naar procedurele structuren, geïllustreerd: van mensenrechten naar een huwelijksrecht dat buiten de traditie staat naar misdadigers die niet beoordeeld kunnen worden omdat regels niet gevolgd werden. Het is die laatste stap, in concreto is dit de dagelijkse bureaucratie die zich in het kapitalisme genesteld heeft, die het modernisme verdacht gemaakt heeft en waardoor men de indruk heeft dat de grenzen bereikt zijn. ‘Het modernisme is doorgeschoten, we moeten terug.’

Maar terug kunnen we niet, net zomin dat het rendementsdenken uit ons handelen verdwijnen kan: zowel het slib als de inhoud zelf moeten meegenomen worden om verder te kunnen bouwen. We vechten tegen de romantiek en we bergen in onszelf de romantiek. We (ze) gaan de esoterische toer op maar gebruiken daarvoor met graagte allerlei technologische systemen – die zeer doordacht en rationeel opgebouwd zijn. We hangen de vrijheid aan maar ontzeggen die aan hem die vrij denkt.

De begeerte is grenzeloos, stelde de Weense kwakzalver en de Franse, Amerikaanse en Belgische rattenvangers (pulpfilosofen, antidenkers) beweren nog steeds hetzelfde. Maar de begeerte is niet grenzeloos – het poneren is voldoende. De rede is grenzeloos omdat de wereld en de dingen dan toch niet eindig zijn. De mens reduceren tot zijn begeerte, is hem veroordelen tot het bestaan in een kooi. Steeds is hij de gevangene van dat wat hem drijft. Deze zogezegde constatering is een frase binnen de kapitalistische ideologie: de dingen moeten gekocht worden, alle continenten bezocht, alle smaken geproefd. Door de begeerte centraal te stellen is er een constante ontevredenheid: de grens verschuift, het geluk gloort achter die einder, is veronderstelbaar maar nooit bereikbaar.

De kapitalistische ideologie maakt van de mens een ding waarvan de contouren niet vaststaan: zijn verlangen is m.a.w. hemzelf waardoor de consumptie het natuurlijke lijkt. Niet alleen is het verlangen naar dingen en het verleggen van grenzen geïnterioriseerd, ook de wereld wordt die norm opgelegd: alles staat te koop.

Wie zich van deze orde afkeert, zet zich buiten de maatschappij – waarbij dit laatste nu ook de wereld en het leven omvat.

Wat is dat, een morele orde?

Wat is dat, een consumptiewereld?

‘Hij knikte en tegelijkertijd had hij het gevoel, scherp als maagzuur, dat hij vandaag één keer te veel geknikt had, dat er grenzen waren aan het knikken, en dat de tijd van de verlengde grenzen en de veranderde, aangepaste toegevingen voorbij was.’ (Hugo Claus, ‘Albert en de meisjes’, in Verhalen, 1999).

Een moraal ontwikkelen – zonder moralisme, gebaseerd op een formalisme dat wetenschappelijk gefundeerd is en dat op een genuanceerde manier rede en gevoel tot ontwikkeling kan brengen; dat streeft naar een leven dat te midden van de dingen zich niet afkeert van de dingen maar naar waarde weet te schatten. Waar grenzen de mens vrij laten en het individu zich niet laat binden door het sentiment. Daarom niet de ‘Gemeinschaft’ ontwikkelen maar het individu versterken: vanuit het ik een zijn. Karen Armstrong schrijft in Een geschiedenis van god op een positieve wijze over de soefi: ‘Hij voelde de grenzen van zijn “ik” vervagen en zette zo de eerste stappen op weg naar fanā, de ontwording van de eigen persoon.’ Het Westen, het beste deel van het Westen, is het rationele deel. De rede bezit inhoud en kent grenzen. Het is de begeerte die vormloos is. Het is het sentiment dat de cartesiaanse rede afbreekt en open staat voor dat wat de negatie van het menselijke is. Binnen het modernisme is er een tendens naar ontindividualisering (dus ont-rede) (hoe de artistieke avant-garde in de valstrikken van het esoterisme trapte: zie Mondriaan, zie Seuphor : dit te weten en toch de fascinatie erkennen voor het formele, het inhoudsloze, de zuigkracht van het ding op zich). Op dat punt ontmoeten Oost en West elkaar nu. Het vulkanische. Een oorlog van beschavingen die elkaar bestrijden in hun eigen zwakke punt – dat hen gemeenschappelijk is.

Niet minder, maar meer Aristoteles, meer Descartes – en tegengewrongen door Erasmus, Diderot, Berlin, Adorno.

Beeld: Peter Rogiers, Lasso eternity, 2007

Advertenties