vloei, geest (2)

door johan_velter

james ensor_de witte wolk

Herman De Dijn stelt in Vloeibare waarden : politiek, zorg en onderwijs in laatmoderne tijd (Pelckmans, 2014) het vloeiende gelijk aan het neoliberale beleid dat individualistisch geïnspireerd is. Dit is uiteraard een denkfout van jewelste: het ene woord beschrijft een politiek-economische situatie dat bijzonder hard en omlijnd is, het andere woord verwijst naar een morele mentaliteit. Het neoliberale beleid is relatief nieuw, de jaren tachtig, maar van het individualisme én wat De Dijn het vloeiende noemt, kunnen lijnen getrokken worden tot diep in de Westerse geschiedenis. Ook Turkije, ook Saoedi-Arabië en ook Rusland voeren een neoliberaal beleid, toch is de mentaliteit, de cultuur van die landen fundamenteel verschillend aan die van West-Europese landen. De Dijn stelt dat er geen taboes meer zijn – er zijn misschien nog nooit zoveel taboes geweest als nu. De Dijn zegt dat de mens volkomen zelf-beschikkend is – er is echter nog nooit zoveel onvrijheid geweest als nu (zowel in het handelen als in het denken : de arbeidsmoraal die tot in de vrije tijd is doorgedrongen; de vernietiging van de privé-ruimte; de onmogelijkheid tot zelfstandig denken) en dit alles binnen misschien de meest vrije ruimte die er ooit geweest is. Terecht zegt De Dijn dat we nu echter allemaal tot eenzelfde stam behoren – maar hij doet te weinig met dit gegeven om zijn boek een filosofisch werk te mogen noemen. Er is vrijheid en tegelijkertijd onvrijheid; er is individualisme en tegelijkertijd een conformisme; er is een gerichtheid naar het andere en tegelijkertijd een zich terugplooien op zichzelf. Het gaat niet om ‘vloeibaarheid’, het gaat er om te begrijpen dat zaken naast elkaar bestaan en dat de begrippen verouderd zijn.

Beter dan vloeibaarheid, is het begrip continuümdenken: de strikte scheiding tussen wit en zwart, goed en slecht is veel minder duidelijk geworden dan in een rigoureus religieus-moreel systeem. Dit denken is ook een bewijs dat het menselijk denken kan verbeteren, dat er een vooruitgang mogelijk is. Het getuigt immers van een subtiel en intelligent denken, een afwegen, zowel op moreel als intellectueel vlak, van mogelijkheden, zienswijzen, standpunten en beslissingen. De voorwaarde tot een volwaardig continuümdenken is echter dat de verschillende denkwijzen klaar en duidelijk … omlijnd zijn en dat niet – zoals nu, een politiek-correct systeem – andere doeleinden (al dan niet verborgen) het denken komen vervuilen, corrumperen en de waarheid van het ene systeem de leugen van het andere moet toedekken.

Het is een cliché: zowel het reactionair-nationalistisch denken en het godsdienstig-emotioneel denken zijn niet alleen een achteruitgang in de maatschappelijke ordening (zie daarvoor de achterhaalde clichés van de wereldberoemde Frank Vandenbroucke, het propagandavriendje van de Clintons die het financieel systeem hebben doen exploderen en van Tony Blair, de oorlogspoliticus) maar ook in het denken over mens en maatschappij, juist omdat zij niet met (al dan niet) nieuwe gegevens willen werken maar de wereld herleiden naar een ouderwets model. De islamisering van de maatschappij en het denken situeert zich juist daar: waar het Westen een stap vooruit zou kunnen zetten, wat onrust en twijfel veroorzaakt, springen simplistische metafysici in die leegte om terug de hel op aarde te krijgen. Vandaar de noodzakelijke culpabilisering, vandaar de noodzakelijke arbeidsmoraal: gij zult werken en gij zult ten eeuwigen dage verdoemd zijn voor wat ooit, toen en daar gebeurd is. Vandaar ook de bezetting van de publieke ruimte: niet om daardoor de vrijheid te veroveren, maar wel om de ander vanuit het eigen achterhaald en reactionair moreel systeem aan het kruis te nagelen. De publieke ruimte wordt aldus ‘het slot’, niet de staat beheert die, wel de religieuze maffia.

De Dijn stelt (uiteraard terecht) dat waarden nog altijd bestaan, de huidige tijd is niet overgeleverd aan onwaarden (wat overigens niet kan, een onwaarde kan ook niet bestaan) maar aan vloeibare waarden – dit in navolging van Zygmunt Bauman. Maar ook dit is niet juist: niet de waarden zijn vloeibaar geworden, wel de domeinen waarop ze toegepast worden. Er zijn dominante domeinen in de maatschappij en die leggen hun waarden op. Er zijn dus zwakke en sterke waarden/domeinen.

Een museumdirecteur als Catherine De Zegher die van haar museum een belevingscentrum wil maken, bevordert niet de cultuur, niet de menselijke vrijheid maar schuift haar domein in het gebied van de entertainment. Ze ‘denkt’ daarmee de cultuur te bevorderen maar in werkelijkheid levert ze haar instelling met de geschiedenis over aan de barbarij van de politiek. Zij is een stropop in de handen van een politiek schepen. Daarvoor wordt ze ook betaald – vrijheid van denken wordt voor geld geruild. Handelen is soms misdadig handelen. Het gaat dus niet over ‘een vloeibare waarde’ (zelfs als metafoor is dit niet geslaagd), het inzicht van René Descartes is intelligenter: er is geen beteugeling.

De Dijn concludeert uit de vloeibaarheid dat de waarden sentimentalistisch geworden zijn maar ook dit is onjuist. Het sentimentalisme triomfeert omdat het intellectuele verworden is. Vergelijk de maatschappijkritiek van iemand als Tom Lanoye (maar je kunt ook Erwin Mortier noemen) met die van George Orwell. De visie van Lanoye is een kritisch neoliberalisme, beweegt zich binnen de opgelegde kaders en zijn kritiek bestaat uit losse oprispingen. Ook bij hem is de waarde verworden tot verontwaardiging. De oorzaak hiervan is dat de opvattingen van Lanoye c.s. slechts losse draden zijn, ze zijn niet gebonden binnen een theorie, een alternatief denken (al dan niet geworteld in een historisch utopisch denken). Hun beweringen hebben geen grond, bevatten geen zwaarte omdat er geen denkproces (met argumenten, oorzaken, gevolgen, conclusies) mee gemoeid is. ‘Het is slechts erg’. Daarom ook zijn die ‘maatschappijkritische boeken’ slechts losse flodders: morgen is men verontwaardigd over iets anders. En daarom ook leidt deze kritiek tot niets: net zoals ‘beleving’, bezit verontwaardiging de kracht van een lucifer. Daarom ook is de socialistische oppositie in West-Europa niets meer waard: men heeft de inzichten die men had over mens en maatschappij, de doelstellingen van vrijheid en geluk verkwanseld voor een neoliberaal beleid en tegelijkertijd doet men romantisch over de Cubaanse dictatuur – ook daaromtrent heeft men geen intelligentie meer. Wat rest is krijsen op de tribune. En daarom ook hebben ‘psychologische’ zelfhulpboeken (maar ook de zogenaamde analytische boeken van het genre Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter) zo’n succes: ze concentreren zich op het pseudo-individu (dat een klant is), ze leggen de fout (soms) bij de maatschappij, maar geven geen indicatie hoe dit te wijzigen: wat rest is aanpassing. Juist omdat het rationalisme binnen de filosofie verdacht gemaakt is, is de filosofie verworden tot optredens van clowns die wat dan ook mogen beweren. Zij hebben ook geen studenten meer, ze hebben discipelen.

Het is dus fout van De Dijn (en anderen) om van schijnwaarden te spreken (in navolging van de simulacra van Jean Baurdrillard): het gaat wel degelijk om harde waarden – alleen zijn die niet meer in het domein van de mens te situeren.

Guido Vanheeswijck bekijkt het boek van De Dijn vanuit het begrip conservatisme en hij gebruikt daarvoor het werk van de nog steeds overschatte Leszek Kolakowski. Vanheeswijck leest bij De Dijn immers een kritiek op deze behoudsgezinde tijd – hoe kan dat, vraagt hij zich af: De Dijn ís toch een conservatief. Vanheeswijck maakt de connectie niet maar hij vermeldt wel hoe De Dijn steeds weer op het begrip echtheid terechtkomt – een loos begrip – en ‘dat echtheid niet zozeer met filosofische stellingen dan wel met het leven en beleven zelf te maken heeft.’: hier zien we ‘de kern’ (sic] van het conservatisme: een essentialisme dat zich met het leven verbindt en zich afkeert van het kritische, analytische denken dat zich richt op het mogelijke. Echtheid vindt een equivalent in het authentieke, een even nietszeggend begrip. Het echte én het authentieke zijn echter begrippen die rechtstreeks geënt zijn op het reële en daardoor conservatieve begrippen zijn: ze keren zich af van de wereld van de cultuur, dus van het vrijheidsdomein. Cultuur betekent het realisme overstijgen; het realisme beklemtonen is de onvrijheid installeren. Zogezegde avantgardekunstenaars als Kenneth Goldsmith beantwoorden aan de conservatieve reflex van de maatschappij: het reële overheerst en is (slechts). Het intellect wordt aan de kant geschoven en het ding blijft over. Dit is de onthumanisering van het Westerse denken én van de kunst waardoor het islamisme (maar het islamisme staat ook voor elk religieus en reactionair systeem – de werkelijkheid is nu eenmaal dat het christendom de agressiviteit heeft afgelegd én een subtieler (nl. een verstandige exegese) denken heeft aangenomen).

Er zijn twee vormen van conservatisme volgens Kolakowski. De bureaucraten vinden dat de wereld steeds verandert en dat we ons flexibel moeten aanpassen. De boeren vinden dat elke verandering slechts gebeurt in het licht van de eeuwigheid: na de zomer, komt de winter.

Dit is echter al te flauw, het conservatisme van de bureaucraten is immers geen wereld- of maatschappijbeschouwing. De denkfout is immers dat lineariteit (vandaag is het gevolg van gisteren) gelijkgeschakeld wordt met vooruitgang, terwijl het bevrijdende denken gezocht moet worden in de discontinuïteit, in de verborgenheden en zelfs de mislukkingen van de geschiedenis. Het teveel aan realisme is het lineaire denken is het machtsdenken: het realisme volgt wat de macht gerealiseerd heeft en houdt geen rekening met dat wat verslagen is. De dood bevat soms meer waarheid dan het leven. (De zelfmoord van Walter Benjamin, de moord op Theodor W. Adorno.)

beeld: James Ensor, De witte wolk

Advertenties