vloei, geest (1)

door johan_velter

Circles_carol bove

Meer en meer beschouwen we (ze) grenzen als een probleem. Een probleem kan nochtans maar omschreven worden als er grenzen gesteld zijn: men onderzoekt dit en niet dat. De aristotelische logica: x kan niet niet-x zijn. De ideale situatie daarvoor is het laboratorium: men kan feiten, gebeurtenissen afzonderen en als een geheel beschouwen. De context is hierbij een vervuilende factor: die moet uitgeschakeld worden.

In de politiek gebruikt men dit soort drogredeneringen – grenzen verleggen: we moeten een begroting opstellen voor 2016 – uiteraard is er een slimmerik die spreekt van 2017 en 2018 – niet vanuit een langetermijnvisie wel om de zaken troebel te maken. Het nieuwe is dat dit soort opwerpingen nu ook aanvaard worden. Het lijkt alsof nog niet lang geleden de problemen zelf klaar en helder waren en dat problemen opgelost moesten/konden worden. Nu wordt alles door elkaar gegooid en wordt niets opgelost: er is een vlam- en cadeautjespolitiek.

Daarom werd de definitie van problemen altijd belangrijk gevonden. Als er aan bestrijding van armoede gedaan moet worden dan geef je de mensen geen pasje (zoals in Gent gebeurt) om daarmee punten te verzamelen om uiteindelijk allerlei overbodige rommel in handen gestopt te worden. Een armoedebestrijdingspolitiek bestaat erin mensen een menswaardig bestaan te geven, ervoor te zorgen dat ze een maand met een maandloon kunnen leven. Er is een mismatch tussen probleem en oplossing die nog steeds op hetzelfde neerkomt: vroeger was de oplossing de godsdienst, nu de consumptie.

Een probleem afbakenen is de enige manier om een probleem op te lossen maar het stellen van grenzen is tegelijkertijd een zich blind maken voor wat daarmee samenhangt. Niet alleen de wereld is complexer geworden, ook het besef van die complexiteit leidt tot problemen van niet-handelen.

Sana Valiulina, auteur van Kinderen van Brezjnew, over de huidige propaganda in Rusland maar haar analyse is even geldig voor de rest van het Westen, ‘Wij zijn gegijzeld door criminelen’, over Poetin zegt ze tijdens een interview in De Groene Amsterdammer (18.12.2014): ‘Poetin is doortrapt, ijdel, destructief, corrupt en onbegrensd in zijn macht en drang naar gebiedsuitbreiding. Hij is de vleesgeworden onbegrensdheid. Hij is zichzelf als de uitverkorene van God gaan zien, en de kerk doet enthousiast mee. De patriarch heeft twee maanden geleden gezegd dat Poetin na zijn dood heilig verklaard zal worden.’

In Tijdschrift voor filosofie (77,2015) verscheen van Guido Vanheeswijck een bespreking van het boek Vloeibare waarden : politiek, zorg en onderwijs in laatmoderne tijd (Pelckmans, 2014). Hierin betoogt Herman De Dijn dat de wereld, en België in het bijzonder, er slecht aan toe is. De maatschappij is liberaal, de persoonlijke zelfbeschikking is de dominante denkvorm geworden, daartegen komt opstand (denkt De Dijn).

Uiteraard is er verwarring. De heersende ideologie wil geen grenzen erkennen, dit gaat van het belachelijke tot het uiterst ernstige. Men wil niet fietsen, men moet hardrijden en men moet tégen zichzelf sporten. Op reis gaan gebeurt naar verre landen, de afstand is geen grens meer. Men wil zichzelf uitdagen en voor zichzelf grenzen verleggen. No frontier, geen comfortzone. Met wat kwade wil kun je zeggen dat dit het uitwerken van een humanistisch programma is: aan zichzelf werken, plus est en vous. Al is dit laatste onjuist: de uitdaging wordt binnen het humanisme geformuleerd op het intellectuele vlak. Wat de huidige tijd doet, is een adagium van het ene domein op het andere toepassen, zoals de liberaal-economische ideologie het rendementsdenken op alle andere domeinen oplegt.

Maar het is verleidelijk om het ene af te wijzen (het grensloze) en dan te trappen in de essentialistische val van de ‘echte’ vrijheid, de ‘reële’ mens, de ‘werkelijke’ vorming. Daarmee gaat men terug naar een denken dat geen functie meer heeft, geen band met de huidige werkelijkheid – dat dit laatste kan wijzigen is een van de meest fascinerende gedachten: het werkelijke dat ook onwerkelijk kan worden. Er moet gedacht kunnen worden vanuit het huidige, met medeneming van wat nu weliswaar als negatief gezien wordt maar toch een ‘wezenlijk’ deel van ons zijn uitmaakt.

Dat er geen grenzen meer zouden zijn, is niet alleen aan de werkelijkheid te wijten maar ook aan het slordige denken nu. Het plus est en vous van de humanisten was toen mogelijk omdat zij een duidelijk concept hadden van wat kon en niet kon. De mens was immers het begrensde wezen, god het onbegrensde. De mens kon binnen die beperktheden zichzelf overtreffen: niet door de grenzen te verleggen maar te veroveren wat binnen die grenzen lag – en getuige de menselijke geschiedenis is dat al heel wat.

De huidige tendens om (althans in woorden) de grenzen te verleggen (want uiteindelijk gaat het toch altijd om luiers verversen) leidt tot onvrijheid: omdat men het onmogelijke verlangt, voelt men zich beknot, tekortgedaan en is men ontevreden over zichzelf – nooit genoeg.

René Descartes maakte een onderscheid tussen de wil en het verstand: de eerste is grensloos, de tweede beperkt: de eerste moet door de tweede beteugeld worden. ‘Waar komen dan toch mijn dwalingen vandaan? Uit dit ene feit nu dat ik mijn wil, wanneer die zich verder uitstrekt dan mijn verstand, niet binnen de perken daarvan houd, maar ook toepas op de dingen die ik niet begrijp; omdat de wil ten aanzien van die dingen zijn keus opschort, wijkt hij gemakkelijk af van het ware en goede, en zo is het dat ik én verkeerd kies én zondig.’ (Meditaties, IV, vertaald door Wim van Dooren, Boom, 1996, 3de druk, p. 74).

Nu zien we hetzelfde mechanisme aan het werk als bij de gelovigen, de esoterici, de parapsychologische schapen: er is wetenschapskritiek en daarom mag gelijk wat voor mogelijk gehouden worden: het verstand is te zwak om grenzen te trekken. Wat kan, mag – er wordt geen rekening gehouden met ecologische, humane rampen. Men trekt een cultuurtempel op, tegelijkertijd vernietigt men de voedingsbodem waarop cultuur kan getijen.

De boeken van Herman De Dijn missen steeds de pointe. Hij is op de hoogte van de populistische filosofie en tracht dit toe te passen op de Belgische situatie maar hij gaat niet verder dan de conclusies van zijn voorbeelden, hij mixt dit met wat reactionaire CD&V-oprispingen en presenteert dit als een publicabel boek aan zijn uitgeverij Pelckmans die van afzet verzekerd is: de Leuvense stoof brandt. Zo ook weer dit boek: De Dijn kan het niet laten een lofzang te schrijven op de katholieke instellingen en hij doet weer zuur over de euthanasie-wetgeving. Hij stelt het voor alsof mensen voor het sterven kiezen alsof ze een snoepje kiezen. De werkelijkheid is anders dan wat deze ideoloog beweert. (Mensen zijn decenter dan wat machthebbers denken.) En uiteraard hanteert De Dijn een essentialistische moraal: echte vrijheid, echte waarden. Wat ik in zo’n betoog altijd mis, is het spreken over het ‘echte lijden’, de ‘echte pijn’, ‘echte verdraaiingen’, ‘echte misleiding’.

(beeld: Circles, Carol Bove)

Advertenties