fabels rond lili dujourie

door johan_velter

De tekstcatalogus, Lili Dujourie, bij de dubbeltentoonstelling in het Smak en het Muzee (ik weet dat ik een punt zou moeten zetten na de u, maar moet iedereen meedoen met de onnozele spelletjes van reclamebonzen?) is een verademing – toch voor wat de vormgeving betreft. Die is van Kim Beirnaert en wanneer je zo’n degelijk boek voor je ziet liggen, besef je wat de andere boeken missen. Het huidige kunstboek heeft de kunst van het boek verloren: het vertrekt immers van het beeld, niet het humanistische maar het commerciële beeld, en stapelt de ‘visuele impressies’ op om zo te overdonderen. Dat de veelheid ook leegte kan maskeren wordt duidelijk gemaakt wanneer men ook de marges inneemt: het beeld is totalitair. Het klassieke kunstboek vertrekt vanuit het woord, de tekst, de redenering, het inzicht en gebruikt de beelden als een illustratie bij de tekst: het woord is dominant en verheldert (dat kan ook omdat klassieke kunst – en dit kan ook hedendaagse kunst zijn – betekenis bezit, nooit louter expressie is: een standpunt tegenover de wereld).

lili dujourie_catalogus_kim beirnaert

Het boek van Kim Beirnaert heeft een ruim formaat (18,3 x 27 cm), de marges boven- en onderaan zijn ruim, die aan de voet van de bladzijden hoger, de voetnoten (!) staan inderdaad onderaan de bladzijde, daar waar ze horen en storen geenszins. Het boek is helaas niet egaal zwart gedrukt door die Keure en is daardoor verbrokkeld en ook wordt er daardoor niet voldoende recht gedaan aan het vormgevingswerk. Het is jammer dat zo’n uitmuntend werk besteed is aan een niet zo’n geweldige kunstenaar en een niet indrukwekkende tekst van de curatoren.

Dit is echter een voorlopige catalogus, zoals eerder gezegd zal een fotoboek verschijnen na de tentoonstelling – en blijkbaar zal die enkel uit prentjes bestaan.

Wat is het statuut van een kunsttekst? Is de poëtische benadering door een conservator/curator voldoende? Is een anekdotische beschrijving een teken van intelligentie? Moet een tekst informeren of aanduiden/aanraken? Hoever mag men gaan in het verkeerd interpreteren van werk en het desinformeren van de kunstliefhebber?

Als Philippe Van Cauteren een zogenaamde brief aan Dujourie schrijft, weer 1 van die oppervlakkige, in het stof kruipende teksten, en schrijft dat de graven van Canova en Titiaan (en zichzelf zo in de markt zet als de kosmopolitische kunstkenner) hem storen in ‘de enscenering van deze monumenten voor de mannelijke geconstrueerde kunstgeschiedenis’ en daartegenover het graf van Monteverdi stelt, ‘geen fallische grandeur en valse pathos’, dan is dit de modieuze en contra-historische blik van een conservator die gauwgauw wat genderisme in zijn betoog haalt om als hedendaags dom aanvaard te worden. De brief is in deze context een valse vorm – nogal merkwaardig voor een conservator bij wie enkel de vorm telt. Hij veronderstelt immers een intieme band tussen de schrijver en de aangesprokene – een intimiteit die sentimenteel wordt omdat de brief openbaar is. Er is daardoor geen wetenschappelijke, beleefde afstand meer tussen conservator en kunstenaar – er is daarom ook geen rationele verantwoording meer mogelijk.

Opvallend in deze tentoonstelling rond het werk van Lili Dujourie is dat er geen melding gemaakt wordt voor het werk dat ze in Gent geleverd heeft voor de dienst Waterwegen en zeekanaal. In 2006 heeft ze immers een kleurenadvies gegeven voor verschillende bruggen die aan de Visserij gelegen zijn. Telkens weer als ik over deze bruggen fiets, voel ik een flits van schoonheid, waarheid en goedheid.

lili-dujourie_ferdinand lousbergskaai_visserij

Het fragment wordt in de catalogus als het karakteristieke van Dujourie’s werk gezien: dit is echter niet een kenmerk van haar oeuvre maar wel van de moderne kunst. Waar de Bourgondische schilders een volledig leven in een schilderij konden tonen, waar de historieschilders een suprême moment schilderden, zo hebben de modernen een detail, een fragment afgebeeld. De expressie doet zich immers voor als een totaalgegeven maar is slechts een splinter. Het wordt echter interessant als men zou nagaan wat de relatie is tussen het fragment en de stijl (van het moment), de richting waarin de kunstenaar zich bevindt. Waarom is het fragment van Dujourie een dubbeltentoonstelling waard en heeft een kunstenaar als Richard Tuttle in België nog geen monografische tentoonstelling gekregen? Vormen die vele fragmenten 1 oeuvre of blijft het oeuvre een fragment – en dan is het belang dat de conservatoren hechten aan het homogene van dit oeuvre een onjuist concept. Het fragmentaire heeft hier ofwel een epistemologische betekenis ofwel is het fragment een bouwsteen en dan spreken we niet meer van een hedendaagse kunstenaar. Maar als we spreken van een fragment dan gaan we er nog steeds vanuit dat er een geheel is – en dat we weten wat dit geheel zou zijn. Ook op het kennisstatuut van het fragment wordt door de auteurs niet ingegaan: wat levert het fragment ons op dat een groep fragmenten niet kan doen?

Het fragment is overigens niet voor herhaling vatbaar: een portret of een historisch (bijbel)tafereel kan op verschillende manieren hetzelfde verhalen en toch een andere dimensie tonen. Als Dujourie in navolging van anderen fragmenten op een stuk papier of muur kleeft (waarbij ‘het interessante’ vooral het achterliggende papier of de muur als rechtstreekse drager is) maar een andere bladzijde scheurt uit een ander tijdschrift in een andere taal, wat voegt dit toe?

Haar referenties naar de literatuur met titels als ‘Sonnet’, ‘Roman’ zijn binnen dit geheel nogal eigenaardig. Phillip Van den Bossche schrijft dat het verhalende niet meer in de hedendaagse kunst toegelaten wordt – maar waarom verwijst Dujourie naar deze literaire vormen terwijl ze zelf expliciet weigert een verhaal te vertellen – dat de kijker de hiaten zelf moet opvullen is een anti-literaire praktijk en de beelden die Dujourie toont zijn slechts momentopnamen – ook hier ontkent ze de tijd, het verloop.

Van den Bossche, de conservator van het Muzee, schrijft over ‘de spanning tussen’ sculptuur/schilderij en doet dit in zodanige bewoordingen dat ook een schilderij van Memling een sculptuur kan zijn. Hier zien we hoe een tekst te dicht bij een oeuvre kan staan en als hij te weinig kunstgeschiedenis bevat niet relevant (en dus juist) kan zijn – kennis wordt door Van den Bossche geïnterpreteerd als een perspectiefvervalsing. Dat zomaar alles gezegd kan worden klinkt ook door in een zin (geen gedachte) als: ‘Deze omschrijving mag cryptisch klinken, maar duidt op een openheid van het beeld en de mogelijkheid om het irrationele eigen aan het denken een aanwezigheid te geven.’

Martin Germann doet wel een poging om het werk van Dujourie in een internationaler kader te plaatsen – Sol LeWitt, Donald Judd, Richard Serra, Carl Andre – maar ook hij gaat niet in op de verhouding van Dujourie’s werk met dat van de anderen – is dit anticiperen of creëren? Maar ook hij gaat voorbij aan het werkelijke van de kunstwerken, bijvoorbeeld in zijn bespreking van ‘Amerikaans imperialisme’ (1971) (een werk in het bezit van het ‘Santa Monica art Centre’ in Barcelona en niet op de tentoonstelling te zien).

lili dujourie_amerikaans imperialisme_1972

Hij schrijft dat dit werk een ‘onmiskenbare politieke interpretatie’ aanbiedt – wat onjuist is. Het is de titel van het werk die een politieke interpretatie toelaat, zijn toevoeging over ‘taal in de beeldhouwkunst’ met een verwijzing naar Lawrence Weiner is dan ook naast de kwestie. Dujourie brengt niet de taal als beeldend element in haar oeuvre. Als slot van zijn beschouwing stelt Germann sussend voor dat dit werk ‘niet noodzakelijk letterlijk geïnterpreteerd [moet] worden.’

Wie de tekst van Sabine Folie leest, zou kunnen denken dat het werk van Lili Dujourie interessant is (maar vergeten we niet dat ook iemand als Mieke Bal dit werk hogelijk waardeert – weer een bewijs dat kunstvisie en intelligentie met elkaar communicerende vaten zijn – en dus passeren ook hier de namen van Paul De Man, Gilles Deleuze), helaas zijn het in deze niet de woorden maar het plastische dat de doorslag moet geven. Ze verwijst voor de ‘stoffen’ werken van Dujourie naar de barok en schrijft dan (nogal onbegrijpelijk): ‘Het fluweelzacht weergeven van stof is echter geen verworvenheid sinds de barok. Ook Rogier van der Weyden of Jan van Eyck beheersten uitstekend de weergave van dit materiaal.’ Natuurlijk, dit is juist de essentie van de Bourgondische schilders: het gedetailleerd weergeven van de dingen – maar het schilderen hier is anders dan dat van de barokschilders. Bij de Bourgondiërs moeten we spreken van een verstilde wereld, waar de luxe verwijst naar het betere leven in dienst van een god; in de barok is het fluweel het kenmerk van sensualiteit en leven: het overdadige wordt gevierd. Het werk van Dujourie verwijst naar de barok niet naar de 15de eeuw: het is in zichzelf besloten, het verwijst enkel naar zichzelf, het is als een slak in zichzelf gehuisvest. En hiermee komen we aan de derde locatie waar het werk van Lili Dujourie te zien is, het MSK in Gent, de nieuwe poel van ellende.

Advertenties