de haken en ogen van lili dujourie

door johan_velter

lili dujourie_website_20-07-2015

Lili Dujourie heeft een eigen, officiële website. Ik bekijk die, het eerste wat opvalt is het woord ‘Exibitions’, het tweede is dat de website sinds 2011 niet meer is bijgewerkt, het derde dat het M HKA in ‘Atwerpen’ gelegen is, het vierde dat de tentoonstelling in Burgos ‘curated bij Lynne Cooke’ is. Er is nog een vijfde. Lili Dujourie is een Belgische kunstenares.

Ik dacht, wat een fout is me dat, een aankondiging van een toch niet zo’n groot of belangrijk kunstenaar in twee musea (maar in feite 3, daarover later), de drukker zal clichés verwisseld hebben, en ook omdat het blijkbaar om 2 zomertentoonstellingen gaat in een land waar museumdirecteurs klagen over een gebrek aan ruimte (maar niet in Oostende waar je eerder van een inkrimpend museum moet spreken) waardoor ze nooit de volledige collectie kunnen tonen en waar als argument geldt dat toeristen van heinde en verre komen juist om die ‘topstukken’ te kunnen zien en nu juist in de toeristische periode schuift men de museumstukken opzij om het werk van Lili Dujourie te tonen. In Oostende heeft men vroeger al gefoefeld door een tentoonstelling in tweeën op te splitsen (Paul Joostens) om zo een jaarprogramma te kunnen vullen en het Smak, och, het Smak, opgejaagd door de nationalistisch-socialistische schepen om volk te trekken en om het vrouwelijke aspect te tonen, och en ach, het Smak, als een keffertje, gaat het Smak liggen en likt het de punten van de schoenen, en ach en och, men zal de bezoekers tellen en tellen en spreken van een succesbeleid.

Nu, de 2 musea (nee, de 3, daarover later) bezocht zijn, wordt de fout bevestigd: wat een arrogantie om het werk van een derderangskunstenaar (maar ze is van hier, ze is van ons) gedurende zo’n lange periode en verspreid over verschillende locaties te tonen. Tegelijkertijd zijn deze tentoonstellingen het bewijs van een leeg en falend museumbeleid.

Er is geen catalogus – die wordt na de tentoonstelling gedrukt, omdat de foto’s museumfoto’s moeten zijn. Maar de tentoonstellingen zelf geven daarvoor geen aanleiding: deze werken zijn geen in situwerken maar staan op zichzelf, kunnen overal gefotografeerd worden. De museumopstelling zelf brengt ook niets bij aan dit werk: het is gewoon ordinair museumwerk. Er is wel een voorlopige tekstcatalogus waarin onder meer gedichten van Peter Verhelst zijn opgenomen, maar die teksten verhelderen de tentoonstellingen niet. Maar vooral zijn deze presentaties leeg en anti-wetenschappelijk omdat ze dit oeuvre dat met haken en ogen aan elkaar hangt niet in een context behandelt en daardoor ook niet ofwel de waarde ervan (als uniciteit) ofwel de afhankelijkheid van anderen duidelijk maakt. Ik liep daar en dacht aan Poliakoff, Bernd Lohaus, aan Chantal Akerman, Jan Vercruysse, Richard Serra, aan Richard Tuttle, Carl Andre, Günter Tuzina, Guy Mees,

lili dujourie_muzee_guy mees

Bridget Riley. Heb ik gelijk? Is dit werk enkel een anticiperen op andermans werk of zijn de gelijkenissen toevallig, zijn de wegen gelijk opgaand geweest? Noch de tentoonstelling(en), noch de catalogus maakt dit duidelijk.

Het beroemdste werk van Lili Dujourie is ‘Amerikaans imperialisme’, een zogezegd kritische ‘reflectie’ op het werk van Richard Serra én op … het Amerikaans imperialisme. Dit is echter een louter herhalen, niet hertalen of vertalen, weliswaar met toevoeging van kleur. Het werk is op de tentoonstelling niet te zien, het is echter ook niet zichtbaar gemaakt dat het werk van Dujourie enige kritische zin zou kunnen hebben: wat we zien is een estheticisering van het werk van anderen en dat daardoor in haar handen gedevalueerd wordt.

Er is veel, heel veel, al te veel, papier-machéwerk te zien. Een aantal daarvan is gemaakt met bladzijden (in de wandelcatalogus spreekt men van ‘fragmenten’) uit The [sic] Financial Times, dan lezen we in die catalogus: ‘De sculpturen staan rechtstreeks op de grond. Met de keuze van de krantenfragmenten verhaalt Lili Dujourie over de huidige economische crisis. De titel [‘Meander’] verwijst naar een verraderlijke wending waarin je leven plots kan terecht komen.’ Jawadde, nu beeft en siddert het kapitalisme op zijn grondvesten. En is een ‘meander’ een ‘verraderlijke wending’?

De tentoonstellingen zijn niet chronologisch opgezet ; het ene werk staat naast het andere, ongetwijfeld om ‘spanning te tonen’ en ook om duidelijk te maken hoe dit werk in zijn heterogeniteit toch homogeen is. Maar dit is helemaal niet zo: dit is een ratjetoe, een verzameling werken die zielloos en zinloos naast elkaar gezet worden – zeker is er geen ‘communicatie tussen de werken’ – wat deze opstelling wel duidelijk maakt, is de volstrekte willekeur van de tentoonstellingmakers en het leeghoofdig discours van de huidige museumpraktijk.

smak_lili dujourie_2015_1

In het Smak werd de bovenzaal alweer niet ‘bemeesterd’, zelfs de zogezegd monumentale werken van Dujourie vallen hier neer in de leegte van de onoverzienbare zaal. Men kan zich afvragen of die kleerwinkels of gordijnetalages niet beter in een meer intieme zaal getoond moesten worden. Maar nee, want in Oostende moest ik, ik die nooit aan strips of aan striplezers kan denken, onwillekeurig aan dat stripverhaal denken waar de titel het woord spook bevatte (Het spook van Zoetendaal, een Nerostrip of misschien Het Spaanse spook, een Suske- en Wiskevertelling of nog een ander spookverhaal – in ieder geval simpel en oppervlakkig). Natuurlijk moest ik lachen met deze kitscherige, machteloze pretentie.

lili dujourie_muzee_la tosca 1984

Er waren, buiten het werk met de stoffen, nog andere zaken te zien. Zoals boven al vermeld, veel werk dat naar anderen verwees. Alle collages zijn bijvoorbeeld schatplichtig aan Mimmo Rotella en zeker aan Richard Tuttle – en voegen niets toe, zelfs de literaire verbanden zijn een constante bij Richard Tuttle. Het probleem is dat het werk van Dujourie niet literair is: er is geen verhaal, er zijn enkel oppervlakkige reminiscenties die niets bijdragen aan het eigen werk of de literaire traditie uitdiepen – of een vrouwelijke blik op de traditie geven.

In beide musea zijn alle soorten werk aanwezig. Het is niet zo dat het ene museum uitsluitend dit en het andere dat toont, nee: 1 museum bezoeken, is voldoende om dit werk van Dujourie als te licht te kunnen bevinden. Het is de vraag waarom alles zo eindeloos herhaald moet worden: als het scheuren van papier zowel in een lijst als op een groot wit papier gebeurt, veel verschil maakt dit niet uit voor de kunstkenner. Er is in Oostende een muur met gekleurde snippers: onmiddellijk moest ik aan het kwetsbare en eerlijke werk van Guy Mees denken: hier is dit slechts parodie.

lili dujourie_muzee_eleonora_2001

Men roemt Dujourie omdat ze veel verschillende materialen gebruikt heeft. Maar dit is geen verdienste en wordt op zeker moment zelfs lachwekkend. In Oostende is er een werk met ijzerdraad te zien dat niet mis zou staan op de ‘Creatieve ambachtenmarkt’ op de Gentse Feesten waar het perfect zou passen bij het werk van Trui, Gerda en Begga (Josiane, Josiane, ’t is goed gelukt hé). Dit heeft geen enkele zin.

Er is een zogenaamde wandelgids voor beide musea gemaakt. De tekst is van Annelies Vantyghem (Smak) en van Inne Gheeraert (Muzee). Dan lees je in het Smak-gedeelte wijsneuzerige onnozelheden als ‘Kijken ernaar is zowel een mentale als een fysieke ervaring.’ Of zinnen die haaks op het logisch denken staan: ‘Op het eerste zicht [sic] lijken ze sculpturen te zijn. Toch vertonen ze ook linken met schilderkunst. […] In deze zin zijn ze eerder schilderij dan sculptuur. Toch zijn de aanraking en het evenwichtsspel tussen kunstwerk, vloer en wand essentieel. En dat geeft ze opnieuw een sculpturaal karakter.’ Dit is morosofie: het is dit, maar ook dat, nochtans is het dit, daardoor ook dat. De auteur stelt zichzelf de hele tijd vragen – om zichzelf in te dekken en om te doen alsof dit plastisch werk enige diepgang heeft. Turend in mijn lege regenwaterput denk ook ik aan de ruimte, de tijd, het vervagen van het licht, de klimaatwijziging, mijn afsterven en het heengaan van de rede. Toch is de put leeg.

lili dujourie_muzee_collages_richard tuttle

Nog een uitsmijter, als zoveelste aanduiding dat men in de kunstwereld weliswaar woorden achter elkaar zet maar waar de gedachte ver van verwijderd is (dit soort gidsen, dit soort introducties is ontstaan uit de kinderwerking, niet uit de bibliotheekwerking): ‘De kunstenaar is gekant tegen het gebruik en de manipulatie van modellen, maar bij het rode naakt gaat het om iets anders, namelijk de verleiding.’ Maar ook de Oostendse kant komt niet veel verder dan platitudes: ‘Of ze verspreid [sic] de fragmenten rechtstreeks op de muur in een open landschap. De leegte rondom is minstens even bepalend als de fragmenten. Er wordt een spel gespeeld tussen aanwezigheid en afwezigheid.’ Niet is de kritiek dat er benaderende spreekwijzen gehanteerd worden, wél is de kritiek dat de zinnen al zoveel keer gelezen zijn, dat ze in een andere context even veel ‘betekenis’ bezitten en dat ze ook in deze context gelezen te weinig massa hebben, te weinig beschrijving en duiding zijn om inzicht in dit werk te geven. (In de tentoonstelling wordt een werk ‘Mille et une nuit’ genoemd, is dit bewust gedaan en waarom dan? Geen antwoord.)

smak_lili dujourie_2015_2

En dit is het volgende punt van de huidige museumellende. Dit werk wordt gepresenteerd als een werk dat buiten tijd en plaats staat, er wordt gedaan alsof Lili Dujourie een geniaal individu is dat niet rond zich gekeken heeft maar alles vanuit haar diepste innerlijk gehaald heeft. (Helaas is dat laatste misschien wel waar.) Een degelijke tentoonstelling toont echter de verbanden, niet alleen binnen een oeuvre (wat in deze tentoonstellingen ook niet gedaan werd), maar ook die tussen het oeuvre en de kunstpraktijk van anderen. Pas dan kan het publiek inzicht verwerven, pas dan wordt dit een tentoonstelling die de moeite van het bezoeken waard is.

Het slot van de Smak-bezoekersgids herhaalt de onzin nogmaals. Het is de kijker die het werk moet maken – maar als dat zo is, dan is de kunstenaar overbodig. Het is de taak van het museum, van de conservator om een werk vanuit het oeuvre te verklaren, niet in algemene bewoordingen, niet enkel in een beschrijving van wat de kijker (inderdaad) kan zien maar wat de betekenis – dus de waarde – ervan is. In die gids spreekt men van ‘ervaren van kunstwerken’ – en ook dat is de valsheid. Moderne kunst is namelijk ingebed in een intellectueel discours en zonder die context zijn de werken onbegrijpelijk. Deze luie musea doen alsof ze niets moeten doen en leggen de verantwoordelijkheid bij de kijker: ‘De realiteit heeft zoveel kanten dat ze onmogelijk in haar geheel te vatten is. Uiteindelijk ben je enkel en alleen op jezelf aangewezen om jouw kijk erop te vormen. [De leugen van ‘jij bent speciaal’. JV] Hoe relatief en persoonlijk die onvermijdelijk ook is [Tja, een eigen kijk is immers persoonlijk … JV]. Precies zo speel jij, de kijker, altijd een essentiële rol bij het ervaren van kunstwerken. Jouw blik en jouw interpretatie vervolmaken [sic] de werken.’

De kunst als gids? Als seismograaf? Als inzicht? Nee, kunst als vertier. Kunst als anti-rede (en niet in de dadaïstische traditie maar in de reactionair-totalitaire traditie: denk niet na.)

Advertenties